Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0097

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/2290
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BP4016, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende zijn optierechten toegekend. Belanghebbende heeft deze rechten uitgeoefend waarbij hij de onderliggende aandelen direct heeft laten verkopen. In geschil is of bij de berekening van het genoten loon rekening moet worden gehouden met de verkoopkosten. De rechtbank is van oordeel dat dit niet mogelijk is. De verkoop van de aandelen vindt weliswaar direct plaats na de uitoefening van de optie, maar is daar geen gevolg van.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0748
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/2290

Uitspraakdatum: 27 februari 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 10 april 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de daarbij horende beschikking heffingsrente.

Zitting

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting achterwege gelaten.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende was in het onderhavige jaar in dienst bij [firma]. In het kader van deze dienstbetrekking zijn aan belanghebbende optierechten op aandelen [firma] NV (hierna: [firma]) toegekend. Hierop is het [firma] Stock Incentive Plan van maart 2004 van toepassing. In het [firma] Stock Incentive Plan wordt een optie als volgt gedefinieerd:

‘Stock Option: The right, during the Stock Incentive Term, to acquire one Share per Stock Option exercised, at the Exercise Price, under the condition that this right can only be exercised if vesting criteria are met.’

De uitoefening van de opties kan op twee manieren worden uitgevoerd, te weten door middel van ‘exercise’ of ‘exersale’. In het geval van ‘exercise’ worden er aandelen [firma] geleverd en in het geval van ‘exersale’ worden de onderliggende aandelen [firma] direct verkocht, waarbij het verschil tussen de verkoopopbrengst van de aandelen en de uitoefenprijs van de optie na aftrek van kosten en belastingen wordt uitbetaald.

2.2. Belanghebbende heeft op 1 november 2004 4.500 optierechten uitgeoefend door middel van ‘exersale’. De uitoefenprijs van het optierecht bedroeg € 26,01 per optie. De koers van het aandeel [firma] bedroeg op 1 november 2004 € 42,91 per aandeel (afgerond). Een en ander kan cijfermatig als volgt worden weergegeven:

Proceeds Information

Execution Price € 42,91186

Total Gain (€ 193.103,37 -/- € 117.045,00) € 76.058,37

Total Sale Proceeds (4.500 x € 42,91186) € 193.103,37

Withholding and Fees

Fees - Commissions € 386,21

Fees - Sale Stamp Tax 289,66

Strike (4.500 x € 26,01) 117.045,00

Taxes 39.550,35

Total Costs -/-157.271,22

Net Proceeds 35.832,15

2.3. In geschil is welk bedrag belanghebbende in het kader van de uitoefening van zijn opties aan loon heeft genoten. Belanghebbende heeft gesteld dat bij de bepaling van het loon rekening moet worden gehouden met de verkoopkosten (‘fees’). De inspecteur heeft dit betwist. Volgens belanghebbende bedraagt het loon € 75.382, te weten € 76.058 minus € 676 (€ 386 plus € 290). Volgens de inspecteur bedraagt het loon € 76.058.

2.4. Op grond van artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt voor de heffing van inkomstenbelasting uitgegaan van het loon overeenkomstig de bepalingen van Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). Artikel 10a, derde lid, van de Wet LB 1964 (tekst 2004) luidt:

‘Ingeval in het kader van de dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking met de werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen, behoort mede tot het loon hetgeen door hem wordt genoten ter zake van de uitoefening of vervreemding van dat recht boven hetgeen in verband met dat recht reeds als loon in aanmerking is genomen, ingeval:

a. de uitoefening of vervreemding geschiedt binnen drie jaren na het overeenkomen van dat recht;

b. het eerste lid toepassing heeft gevonden.’

2.5. De optie houdt in dat belanghebbende het recht heeft om aandelen [firma] te verwerven. Indien bij het uitoefenen van de optie de optieprijs lager is dan de koers van het aandeel [firma], behaalt belanghebbende een voordeel. Belanghebbende verkrijgt de aandelen [firma] in dat geval namelijk voor een prijs die lager ligt dan de prijs die hij voor de aandelen had moeten betalen indien hij geen gebruik zou hebben kunnen maken van een optierecht. De rechtbank is van oordeel dat daarbij niet relevant is of belanghebbende de aandelen (direct) verkoopt of in zijn effectenportefeuille houdt. Het voordeel is immers gelegen in de lagere verkrijgingsprijs.

2.6. De rechtbank is tevens van oordeel dat de uitvoeringsvariant ‘exersale’ in tweeën gesplitst kan worden, te weten het uitoefenen van de optie (‘exercise’) en de verkoop van de aandelen (‘sale’). De verkoop van de aandelen vindt daarbij weliswaar direct plaats na het uitoefenen van de optie, maar is daar geen gevolg van.

2.7. Belanghebbende heeft bij het uitoefenen van zijn opties een voordeel behaald, omdat de optieprijs lager was dan de koers van het aandeel [firma] op dat moment. De rechtbank is van oordeel dat dit voordeel gesteld moet worden op het verschil tussen de koers van het aandeel [firma] op dat moment en de uitoefenprijs van de optie. Gezien hetgeen in 2.5 en 2.6 is overwogen, is niet relevant dat belanghebbende heeft gekozen voor een variant waarbij de aandelen [firma] direct zijn verkocht. Met de verkoopkosten hoeft dan ook geen rekening te worden gehouden. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen op grond van artikel 10a, derde lid, van de Wet LB 1964 als loon in aanmerking moet worden genomen, op € 76.058 dient te worden gesteld.

2.8. Met betrekking tot de heffingsrente merkt de rechtbank op dat de inspecteur ingevolge artikel 30f van de Algemene wet inzake rijksbelasting heffingsrente in rekening diende te brengen nu er sprake is van een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Overigens is niet gesteld of gebleken dat het bedrag van de heffingsrente in casu onjuist is vastgesteld

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 27 februari 2009 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.