Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BH9971

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
AWB 07-5323
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid. Beroep tegen fictieve weigering. Ten tijde van de indiening van het beroepschrift was de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar nog niet verstreken. Nu hangende het beroep de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar inmiddels wel is verstreken, en er in zoverre sprake is van een fictieve weigering, brengt het bepaalde in artikel 6:20, lid 4, Awb met zich mee dat het beroepschrift geacht wordt mede te zijn gericht tegen deze fictieve weigering. Zo dit niet direct uit de tekst van de Awb voortvloeit, leidt een redelijke wetstoepassing desalniettemin tot dit oordeel. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0753
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/5323

Uitspraakdatum: 30 januari 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

Geschil

Het beroep betreft het uitblijven van een uitspraak van de inspecteur op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan haar over jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en de daarmee gelijktijdig opgelegde vergrijpboete.

Zitting

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- gelast de inspecteur binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak, uitspraak te doen op de door belanghebbende ingediende bezwaren tegen de onderhavige navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en bij beschikking vastgestelde vergrijpboete;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 161, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 285 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Met dagtekening 10 januari 2004 is aan belanghebbende voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd, alsmede bij beschikking een vergrijpboete.

2.2. Bij brief van 29 januari 2004, ingekomen ter inspectie op 2 februari 2004, heeft belang¬hebbende daartegen bezwaar gemaakt. Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift aangegeven dat zij voor de verdere motivering van haar bezwaar inzage wenst in de gegevens waarop het opleggen van de boete berust. De inspecteur heeft deze inzage geweigerd.

2.3. Belanghebbende heeft tevens met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur inzage gevraagd in dezelfde stukken. Bij uitspraak van 1 september 2005 heeft de bestuursrechter te Breda geoordeeld dat de Staatssecretaris openbaarmaking terecht heeft geweigerd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad van State. De Raad van State heeft op 7 juni 2006 het hoger beroep ongegrond verklaard.

2.4. Bij brief van 1 augustus 2007 heeft belanghebbende haar bezwaar nader gemotiveerd.

2.5. Belanghebbende heeft bij brief van 12 december 2007, ingekomen bij de rechtbank op 17 december 2007, beroep ingesteld tegen het uitblijven van de uitspraken van de inspecteur op de bezwaren van belanghebbende tegen de onderhavige navorderingsaanslag en vergrijpboete (hierna: “de fictieve weigering”).

2.6. In geschil tussen partijen is het antwoord op de vraag of belanghebbendes beroep tegen de fictieve weigering ontvankelijk is.

2.7. De inspecteur stelt zich in het onderhavige geval op het standpunt dat de in artikel 25, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) genoemde termijn van een jaar voor het doen van uitspraak, is ingegaan op het moment dat belanghebbende haar bezwaarschrift nader heeft gemotiveerd. De inspecteur beroept zich in dit geval op een met belanghebbende daartoe gemaakte afspraak. Nu de termijn voor het doen van uitspraak pas is aangevangen op 1 augustus 2007, is volgens de inspecteur het op 12 december 2007 ingestelde beroep tegen de fictieve weigering prematuur en derhalve niet-ontvankelijk.

2.8. De voor het onderhavige geval relevante wetsartikelen luiden als volgt:

Artikel 25 AWR (tekst tot 1 augustus 2008)

1. In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb doet de inspecteur binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak daarop.

(…)

Artikel 6:2 Awb

Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:

a. de schriftelijk weigering een besluit te nemen, en

b. het niet tijdig nemen van een besluit.

Artikel 6:20 Awb

1. Indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht een besluit op aanvraag te nemen.

(…)

4. . Het bezwaar of beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

(…).

2.9.1. De rechtbank onderscheidt in deze zaak twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat de termijn voor het doen van uitspraken is gaan lopen ten tijde van de ontvangst van het bezwaarschrift op 2 februari 2004. Is dat het geval, dan is het beroep niet prematuur. De uitspraakdatum is verstreken op 1 februari 2005 en de uitspraken zijn niet tijdig gedaan. Het beroep is ontvankelijk, en gegrond.

2.9.2. De tweede mogelijkheid is dat de datum voor het doen van uitspraken pas is gaan lopen nadat belanghebbende het bezwaarschrift op 1 augustus 2007 heeft gemotiveerd. In dat geval was op 12 december 2007 de termijn voor het doen van uitspraken nog niet verlopen, zodat het beroep prematuur is ingediend.

2.10. Het onder 2.9.2 overwogene leidt er echter niet zonder meer toe dat het beroep dan niet-ontvankelijk is. Ingevolge artikel 6:2 Awb wordt immers voor de toepassing van de wettelijke voorschriften inzake beroep, het niet tijdig nemen van een besluit - lees hier het doen van uitspraken op bezwaar - gelijkgesteld met een besluit. De rechtbank heeft tot op heden van de inspecteur noch van belanghebbende uitspraken op de door belanghebbende op 2 februari 2004 ingediende bezwaren danwel een afschrift van een besluit tot verdaging van de uitspraken ontvangen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de inspecteur nog steeds geen uitspraken op bezwaar heeft gedaan.

2.11. Daarvan uitgaande heeft naar het oordeel van de rechtbank het volgende te gelden:

- de termijn voor het doen van uitspraken op bezwaar is verlopen op 31 juli 2008;

- nu geen uitspraken zijn gedaan, is er op deze datum sprake van een fictieve weigering die, gelet op het bepaalde in artikel 6:2 Awb, wordt gelijkgesteld met een besluit;

- het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, Awb brengt dan met zich mee dat het beroepschrift geacht wordt mede te zijn gericht tegen dit besluit. Zo dit niet direct uit de tekst van de Awb voortvloeit, leidt een redelijke wetstoepassing desalniettemin tot dit oordeel.

Het beroep is dus ook dan ontvankelijk, en gegrond.

2.12. Nu het beroep in elk geval gegrond is, zal de rechtbank de inspecteur opdragen om binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak alsnog uitspraken te doen op de door belanghebbende ingediende bezwaren.

2.13. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank beschouwt de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de nummers 07/5323 en met 07/5324, als samenhangend. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Nu van de samenhangende zaken in beiden zaken het beroep gegrond is, wordt aan iedere zaak de helft daarvan toegerekend of € 161.

Deze uitspraak is gedaan op 30 januari 2009 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.