Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BH9965

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-02-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/1850
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, een BV koopt tezamen met haar dga een woning, ieder voor de onverdeelde helft. Een deel (23%) van de woning wordt voor bedrijfsdoeleinden gebruikt. Belanghebbende wil aftrek van 50% van de over de aankoop in rekening gebrachte omzetbelasting. Het bewonen van een woning dient te worden beschouwd als eindverbruik van die woning. Het ter beschikking stellen van een (deel van een) woning voor bewoning is niet een activiteit die leidt tot het recht op de aftrek van voorbelasting. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende het pand voor ongeveer 23% van het vloeroppervlak gebruikt voor met omzetbelasting belaste en derhalve aftrek genererende prestaties. Reeds bij aankoop van het pand stond vast dat het pand (deels) voor woondoeleinden ter beschikking zou komen te staan van de dga. Belanghebbende kan slechts aftrek van de voorbelasting ter zake van de aankoop doen gelden voor zover het pand door haar voor belaste doeleinden wordt gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0751
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/1850

Uitspraakdatum: 12 februari 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2003 t/m 31 maart 2004 een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 21.940 opgelegd, alsmede bij beschikking een boete van € 554.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 14 maart 2008 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 16 april 2008, ontvangen bij de rechtbank op 17 april 2008, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 288.

De inspecteur heeft een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2008 te [woonplaats].

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar gemachtigde, alsmede de inspecteur.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende houdt zich bezig met de exploitatie van een beheermaatschappij van vennootschappen of ondernemingen en is als zodanig belastingplichtig ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB). De directeur-grootaandeelhouder van belanghebbende is de [de heer] (hierna: de dga).

2.2. In oktober 2003 verwierven belanghebbende en de dga samen, ieder voor de onverdeelde helft, een nog te bouwen woning met werkruimte (hierna: het pand). Het pand is op 13 februari 2004 opgeleverd en met ingang van 1 maart 2004 in gebruik genomen.

2.3. Belanghebbende heeft haar onverdeelde helft van het pand volledig tot haar ondernemingsvermogen gerekend en 50% van de ter zake van de bouw in rekening gebrachte omzetbelasting als voorbelasting op haar periodieke aangifte omzetbelasting in aftrek gebracht. Belanghebbende heeft van de in totaal € 66.344 ter zake van het pand gefactureerde omzetbelasting, € 33.918 als voorbelasting in aftrek gebracht.

2.4. Het pand bestaat uit: begane grond, bovenverdieping en zolder. Op de begane grond zijn een spreekkamer, een werkruimte en een berging volledig in gebruik bij belanghebbende. Voor het overige is het pand in gebruik als privé woning van de dga.

2.5. In de periode tussen 22 september 2004 en 12 januari 2005 is bij belanghebbende namens de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de door belanghebbende ingediende aangiften omzetbelasting over het onderhavige tijdvak.

2.6. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft de inspecteur een aantal omzetbelastingcorrecties aangebracht en de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. De correcties bestaan uit een aansluitingsverschil tussen de aangiften en de boekhouding van belanghebbende groot € 2.216 welke correctie hier niet in geschil is en een correctie op de ter zake van het pand afgetrokken voorbelasting.

2.7. De inspecteur heeft voor de berekening van laatstgenoemde correctie in aftrek toegelaten: 100% van de voorbelasting op facturen welke volledig aan de onderneming van belanghebbende zijn toe te rekenen en 0% van de voorbelasting op de facturen welke volledig betrekking hebben op dat deel van het pand dat als woning bij de dga in privé in gebruik is. Voor de facturen welke betrekking hebben op beide situaties heeft de inspecteur een verdeling gemaakt naar de verhouding tussen de totale vloeroppervlakte van het pand en dat deel daarvan dat volledig in gebruik is bij belanghebbende. In het controlerapport is uitgegaan van een aftrek van 18% van de omzetbelasting op de kosten die betrekking hebben op het pand exclusief de serre en een aftrek van 23% van de omzetbelasting op de kosten die betrekking hebben op het pand inclusief de serre.

2.8. De totaal in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van het pand bedraagt € 66.344,55. Van dit bedrag is € 3.142,17 direct toerekenbaar aan de keuken, de badkamer en de laminaatvloer in het woongedeelte. De inspecteur heeft uiteindelijk een bedrag van € 61.950,66 gedeeltelijk voor aftrek in aanmerking genomen.

2.9. In zijn rapport van het boekenonderzoek heeft de inspecteur geconcludeerd tot een correctie over 2003 van € 14.784 aan voorbelasting en € 2.216 aansluitingsverschil en in 2003 € 4.940 aan voorbelasting aldus resulterend in een naheffingsaanslag van € 21.940. In dit bedrag zit een correctie van ± € 258 zijnde een deel van de voorbelasting op de aanschaf van meubilair. Dit meubilair had bij nader inzien geheel tot de aftrekbare voorbelasting gerekend dienen te worden. Bovendien heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van 25% van € 2.216, zijnde € 554.

2.10. In zijn kennisgeving van de uitspraak op het bezwaarschrift heeft de inspecteur aangegeven de naheffingsaanslag te zullen handhaven en de boete wegens overschrijding van een redelijke termijn te zullen verminderen met € 56. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur zowel de naheffingsaanslag als de boete gehandhaafd.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag werd opgelegd. Tevens is de boete in geschil.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Bij het onderzoek ter zitting hebben zijn hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven toegevoegd:

Gemachtigde:

Er is een woning gekocht waarin een onderneming gedreven wordt, de woning is gesplitst aangekocht. 50% is in privé gekocht en 50% door de BV, dit in verband met milieu-investeringsaftrek. In totaal moet dus 50% van de voorbelasting aftrekbaar zijn. De hoofdingang van het pand bevindt zich onder de betimmering. In plaats van een garage is er een muur met een deur naar de berging gekomen waarvandaan je rechtdoor in een halletje met het toilet komt en dan in de werkkamer. De serre is via een schuifpui ook vanuit de huiskamer te bereiken. Je kunt niet vanuit de serre naar buiten, in de werkkamer zit wel een buitendeur.

Uit “Hund Eswein” volgt dat de ruimtes die zakelijk worden gebruikt mogen worden toegerekend aan het ondernemingsvermogen. Civielrechtelijk zijn de dga en belanghebbende ieder voor de onverdeelde helft gerechtigd, voor de omzetbelasting valt het zakelijk gebruikte deel in de 50% van belanghebbende.

De inspecteur:

Er is in de bezwaarprocedure geen verzoek gedaan om kostenvergoeding dus hebben we daarop ook niet gereageerd. Ik ben het eens met de stelling dat heffing over een privé-gebruik van de woning over de jaren 2005 en 2006 niet mogelijk is. Analoog aan “Hund Eswein” ben ik het er ook mee eens dat er maximaal aftrek mogelijk is tot de voorbelasting welke drukt op het zakelijk gebruikte deel van het pand. Maar dat is afhankelijk van het gebruik en niet van de eigendomsverhoudingen. De stelling dat er sprake is van een fiscale eenheid tussen de dga en belanghebbende en dat die fiscale eenheid de teruggave zou hebben kunnen claimen bestrijd ik niet. Dit is evenwel niet gebeurd en dit kan ook niet jaren later alsnog.

Van de woning worden alleen de werkkamer, spreekkamer en de berging en het toilet zakelijk gebruikt. Bij een bezoek aan de woning bleek dat de huiskamer niet zakelijk werd gebruikt en de zolder evenmin, daar staan een wasmachine en een zonnebank. Ik blijf erbij dat het zakelijk deel van de woning afzonderlijk beoordeeld kan en moet worden. Dit deel zou apart verhuurd kunnen worden, er is dus sprake van twee afzonderlijke goederen.

Nu belanghebbende de vooraftrek in 2003 en 2004 geclaimd heeft ga ik ervan uit dat de helft van het pand in 2003 als zakelijk werd geëtiketteerd. Overigens is de activering op de balans voor mij niet doorslaggevend voor de aftrek. Afhankelijk van de uitkomst van deze zaak is er voor de toekomst al dan niet een probleem.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.216.

De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 21.684.

4. Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de voorbelasting:

4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet OB is belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. Voorts vindt ingevolge het vierde lid van dat artikel de aftrek van belasting plaats overeenkomstig de bestemming van de goederen en diensten op het tijdstip waarop de belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht dan wel op het tijdstip waarop de belasting wordt verschuldigd. Indien op het tijdstip waarop de ondernemer goederen en diensten gaat gebruiken, blijkt, dat de belasting ter zake voor een groter of kleiner gedeelte in aftrek is gebracht dan waartoe de ondernemer op grond van het gebruik is gerechtigd, wordt hij de te veel afgetrokken belasting op dat tijdstip verschuldigd.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat omzetbelasting als algemene verbruiksbelasting dient te drukken op het eindverbruik. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het bewonen van een woning dient te worden beschouwd als eindverbruik. En tevens dat het ter beschikking stellen van een (deel van een) woning voor bewoning niet een activiteit is die leidt tot het recht op de aftrek van voorbelasting, behoudens wanneer dit betreft de verhuur binnen het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen, die daar slechts voor een korte periode verblijf houden (artikel 11, eerste lid, onderdeel b, Wet OB).

4.3. Vaststaat dat belanghebbende voor de helft eigenaar is van het gehele pand. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat belanghebbende het pand voor ongeveer 23% van het vloeroppervlak gebruikt voor met omzetbelasting belaste en derhalve aftrek genererende prestaties. Het pand wordt voor de overige 77% gebruikt als woning van de dga met zijn gezin. De rechtbank merkt hierbij op dat tussen partijen evenmin in geschil is dat reeds bij aankoop van het pand vaststond dat het (deels) voor woondoeleinden ter beschikking zou komen te staan van de dga.

4.4. Het vorenoverwogene brengt met zich mee dat belanghebbende slechts aftrek kan hebben voor zover het pand door haar voor belaste doeleinden wordt gebruikt. In feite komt dit er op neer, dat nu 23% van 50% van de woning voor belaste doeleinden in gebruik is, belanghebbende een recht kan doen gelden op aftrek van 11,5% van de niet direct toerekenbare voorbelasting welke aan haar en de dga in rekening is gebracht ter zake van leveringen en diensten die betrekking hebben op zowel het zakelijk deel als het woondeel van het pand.

Met betrekking tot de fiscale eenheid

4.5. De rechtbank gaat voorbij aan belanghebbendes stelling dat er sprake zou zijn van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting tussen belanghebbende en de dga. Wat er verder van deze stelling moge zijn, hij leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Met betrekking tot de boete

4.6. Belanghebbende heeft geen beroep aangetekend tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de vergrijpboete. Ingevolge artikel 26b, tweede lid juncto artikel 24a, tweede lid, van de AWR wordt, indien de bedragen van een belastingaanslag en van een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd op één aanslagbiljet zijn vermeld, een beroepschrift tegen de belastingaanslag geacht mede te zijn gericht tegen de boete, tenzij uit het beroepschrift het tegendeel blijkt.

4.7. De boete werd opgelegd als gevolg van een tijdens het boekenonderzoek bevonden verschil tussen de materieel verschuldigde omzetbelasting en de aangegeven omzetbelasting. Uit de stukken van het geding leidt de rechtbank af dat de boete werd opgelegd ter zake van een verschil tussen de aangegeven voorbelasting over 2003 en de volgens de administratie van belanghebbende voor aftrek in aanmerking komende voorbelasting, waarbij het verschil voornamelijk bestond uit de omzetbelasting over het privé-gebruik van een auto. De omzetbelasting over het privé-gebruik van een auto is verschuldigd in het laatste tijdvak van het boekjaar. Deze belasting diende derhalve te worden aangegeven in de aangifte over het laatste tijdvak van 2003 welke vóór 31 januari 2004 moest worden gedaan.

4.8. Uit de stukken van het geding leidt de rechtbank af dat het verschuldigde bedrag kennelijk duidelijk uit de administratie van belanghebbende is gebleken. Hieruit leidt de rechtbank af dat het bij belanghebbende bekend was dan wel had moeten zijn dat het bedrag ad € 2.216 ten onrechte niet op aangifte was voldaan. Het is derhalve aan de grove schuld van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting werd voldaan. Dat, gelijk belanghebbende heeft gesteld, de jaarstukken over 2003 ten tijde van het boekenonderzoek nog niet gereed waren doet hieraan niet af. De rechtbank acht de boete van 25% van € 2.216 dan ook terecht opgelegd.

4.9. De rechtbank neemt evenwel in aanmerking dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn (undue delay) nu de periode tussen de aankondiging van de boete bij aanbieding van het rapport van het boekenonderzoek van 15 januari 2005 en de uitspraak van de rechtbank op het beroep betreffende die boete meer dan vier jaar heeft geduurd. Om die reden acht de rechtbank een vermindering van de boete met 40% van € 554 tot op € 332 passend en geboden.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op het bezwaarschrift;

- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 21.684;

- vermindert de boete tot een bedrag van € 332;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 288 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 12 februari 2009 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Spierings - van Kessel, griffier. De griffier is buiten staat de uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.