Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BH7182

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
02/984802-08 [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2121, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1.

Naar aanleiding van een inbraak in een loods te Zevenbergen is er een onderzoek ingesteld. Tijdens dat onderzoek werd een grote hoeveelheid chemicaliën aangetroffen die ook gebruikt kan worden in het productieproces voor synthetische harddrugs. Naar aanleiding hiervan werd het onderzoek Azuriet opgestart. Uit dit onderzoek bleek dat een Nederlandse groepering de betreffende chemicaliën afnam van een Belgisch bedrijf. Uit observaties bleek dat de groepering, waaronder verdachte, naar het oordeel van de rechtbank zich in organisatorisch verband bezig hield met het voorbereiden danwel bevorderen van de productie van synthetische drugs.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat zowel ten doel had het voorbereiden en bevorderen als het produceren van synthetische drugs en dat dus sprake was van een criminele organisatie.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar.

2.

A. Verweer Salduz vs Turkije en Panovits vs Cyprus:

De rechtbank stelt vast dat thans nog geen eenduidige lijn in de rechtspraak is uitgezet. Als algemeen uitgangspunt dient naar het oordeel van de rechtbank te gelden dat schending van het recht op rechtsbijstand slechts in niet reparabele en zeer uitzonderlijke omstandigheden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou dienen te leiden. Een minder vergaande sanctie zou de bewijsuitsluiting van de betreffende verklaring kunnen zijn.

Verdachte is op 31 maart 2008 aangehouden en om 9.30 uur in verzekering gesteld. Hij heeft zich toen beroepen op zijn zwijgrecht. Vervolgens heeft om 15.30 uur het eerste politieverhoor plaatsgevonden. Verdachte heeft, nadat hem was medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, een verklaring afgelegd. Nadat verdachte overleg had gevoerd met zijn raadsman heeft hij zich vervolgens wederom beroepen op zijn zwijgrecht.

Gelet op het bovenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte toegang heeft gekregen tot een advocaat en dat hij vervolgens zijn proceshouding heeft aangepast. Verdachte heeft op geen enkel moment aangegeven dat zijn eerste verklaring niet in volledige vrijheid zou zijn afgelegd noch heeft hij deze verklaring later ingetrokken. Voorts is geen enkele omstandigheid gebleken of gesteld waardoor de toegankelijkheid van een advocaat tot verdachte belemmerd werd, hetzij als gevolg van enig actief optreden van de autoriteiten hetzij anderszins. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van onrechtmatigheden omtrent het verhoor van verdachte.

De bovengenoemde omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat verdachte, zodra hij om rechtsbijstand heeft gevraagd hij toegang heeft gekregen tot zijn advocaat, hij derhalve zijn proceshouding heeft kunnen bepalen, er van ongeoorloofde druk op geen enkele wijze is gebleken en hij derhalve in volle vrijheid zijn verklaring heeft kunnen afleggen.

B. Verweer ten aanzien van ingezette technische hulpmiddelen.

C. Verweer ten aanzien van betrouwbaarheid van CIE-informatie.

D. Verweer ten aanzien van stemherkenning door verbalisanten en/of tolken:

De rechtbank is van oordeel dat voor algehele bewijsuitsluiting van stemherkenningen geen plaats is. In beginsel is er geen rechtsregel die zich verzet tegen het gebruik van stemherkenningen als bewijs. Evenmin valt uit de jurisprudentie af te leiden dat stemherkenningen op zichzelf niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt. Dit laat echter onverlet dat het wel noodzakelijk is, mede gelet op de door de verdediging geplaatste kanttekeningen terzake de toetsbaarheid en betrouwbaarheid van stemherkenningen, om bij de waardering van de bewijskracht van stemherkenningen de nodige omzichtigheid te betrachten.

In het onderhavige geval heeft verdachte aangegeven dat hij één telefoon in gebruik heeft en dat hij deze telefoon met dit nummer al een paar jaar heeft en voorts dat hij de enige gebruiker is van deze telefoon. Op grond van het vorenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat de telefoongesprekken die zijn gevoerd met voormeld nummer daadwerkelijk zijn gevoerd door verdachte. Het verweer terzake de betrouwbaarheid van stemherkenning behoeft derhalve geen verdere bespreking. De resultaten van de stemherkenningen kunnen dan ook voor bewijs worden gebezigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/984802-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 maart 2009

in de strafzaak tegen

[verd[verdachte 2]

[adres]

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 4, 6 en 11 februari 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Wolfs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van synthetische harddrugs;

Feit 2: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die gericht was op de productie en verkoop van synthetische harddrugs en het kweken van hennep.

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte een beroep gedaan op de nietigheid van de dagvaarding met betrekking tot feit 2 – kort gezegd – de verdenking van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet (deelneming aan een criminele organisatie).

De raadsman is van oordeel dat de handelingen welke verdachte zou hebben verricht op grond waarvan mag worden aangenomen dat hij zou hebben deelgenomen aan een dergelijke criminele organisatie niet in de dagvaarding zijn gespecificeerd.

Dit verzuim – zo stelt de raadsman – moet leiden tot nietigheid omdat de dagvaarding hierbij te weinig specifiek en derhalve onvoldoende feitelijk, onduidelijk en zonder nadere uiteenzetting van de feitelijke handelingen onbegrijpelijk zou zijn.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat de dagvaarding op dit onderdeel voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering nu hierin de volledige wettekst van de verweten gedraging (artikel 11a Opiumwet) is opgenomen met een artikelsgewijze opsomming van de misdrijven waarvan sprake zou zijn. Een nadere verfeitelijking zou volgens de officier van justitie niet noodzakelijk zijn.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding duidelijk, begrijpelijk en voldoende feitelijk moet zijn.

In het geval van een criminele organisatie dient het plegen van misdrijven (het oogmerk) in zoverre te worden beschreven dat duidelijk is met welk soort misdrijven de organisatie zich inlaat. De dagvaarding behelst een dergelijke beschrijving; een nadere verfeitelijking behoeft niet te worden opgenomen. In de tenlastelegging ligt immers besloten wat het voorwerp van het onderzoek vormt.

Uit de bewijsmiddelen zullen vervolgens de rol van de verdachte, de structuur en de activiteiten van de organisatie moeten blijken.

Gelet op de inhoud van het complete dossier en het geheel van de tenlastegelegde feiten in onderlinge samenhang bezien, moet het verdachte redelijkerwijs duidelijk zijn geweest wat hem werd verweten.

De tenlastelegging onder feit 2 van de dagvaarding voldoet aan de vereisten gesteld in artikel 261 van het Wetboek van strafvordering. Het nietigheidsverweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

3.2 De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.

3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.3.1 De start van het onderzoek Azuriet

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat de inbraak in de loods aan de [adres] is gebruikt als voorwendsel ter afscherming van mogelijk ongeoorloofde en tot op heden onbekend gebleven (opsporings)activiteiten. Tevens is aangegeven dat, nu de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld nader onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek in België, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat de verdediging alle ruimte heeft gekregen om getuigen te horen en dat er bovendien aanvullende processen-verbaal zijn verstrekt. Er is niets wat wordt achtergehouden. De verzoeken van de verdediging op dit punt zijn onvoldoende onderbouwd en moeten bij gebrek aan voldoende belang worden afgewezen.

Het oordeel van de rechtbank

Door de verdediging is aangevoerd dat de inbraak in de loods aan de [adres] ten onrechte als zodanig is beschouwd en dat dit is gebruikt als voorwendsel ter afscherming van mogelijk ongeoorloofde en tot op heden onbekend gebleven (opsporings)activiteiten.

Aanleiding onderzoek: inbraak [adres]

Op 31 januari 2007 ontving de meldkamer een melding van een inbraak in een loods aan de [adres] . Toen de verbalisanten ter plaatse kwamen troffen zij daar de eigenaar, de heer [slachtoffer], die aangaf de melding te hebben gedaan. De heer [slachtoffer] heeft het bovenstaande bevestigd tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 4 december 2008. Vervolgens zijn in de loods blauwe jerrycans aangetroffen met verpakkingen met de naam van een bedrijf [naam] in België. Dit alles is gerelateerd in verschillende processen-verbaal.

Door de verdediging is gesuggereerd dat voormelde inbraak niet zou hebben plaatsgevonden maar zou zijn voorgewend door de politie om het onderzoek Azuriet een legitieme start te geven.

Gelet op het bovenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de hierboven genoemde processen-verbaal enige onjuistheden danwel onregelmatigheden zouden bevatten. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de lezing van de opsporingsambtenaren omtrent de inbraak in voornoemde loods. Een aanvullend onderzoek zoals door de verdediging is verzocht acht de rechtbank dan ook niet noodzakelijk nu zij zich voldoende ingelicht acht.

Naar aanleiding van het aantreffen van voornoemde jerrycans met de daarop aangetroffen naam van het bedrijf [naam] is nader onderzoek verricht naar dit bedrijf. In dit verband heeft verbalisant [verbalisant 1] verklaard dat tijdens de werkvoorbereiding, die tot doel had het onderzoek naar voormelde verpakkingen, contacten zijn gelegd met de Belgische Federale Politie te Brugge. Hierbij zijn afspraken gemaakt omtrent het melden aan de Nederlandse politie van verdachte leveringen door [naam] aan Nederlanders. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank in deze fase niet anders worden aangemerkt dan het op informele wijze uitwisselen van informatie. Voorts blijkt uit het dossier dat op 13 maart 2007 de tot dan toe verkregen informatie omtrent het onderzoek naar de loods in Zevenbergen is overgedragen aan het Nationale rechercheteam en aan de FIOD-ECD te Eindhoven. De FIOD-ECD is (onder meer) aangewezen als de administratieve autoriteit voor het uitwisselen van administratieve informatie tussen de aangewezen autoriteiten van de EU-lidstaten; in België is de Cel Precursoren de autoriteit met dezelfde functie. Hiermee is de informatie-uitwisseling geformaliseerd.

Op grond van de op deze wijze ontvangen informatie is op 29 maart 2007 het onderzoek Azuriet van start gegaan.

Gang van zaken België

Uit het dossier blijkt dat het Belgische bedrijf [naam] in ieder geval sinds november 2006 meldingen heeft gedaan aan de Belgische autoriteiten. Deze meldingen dient ieder bedrijf te doen wanneer sprake is van ongewone verkopen en/of orders van bepaalde chemicaliën.

Uit het door [verbalisant 2] op 17 juli 2007 opgemaakte proces-verbaal blijkt dat door [naam] een lijst is bijgehouden van geleverde grondstoffen aan afnemers in de periode van 20 november 2006 tot en met 17 juli 2007. Tevens blijkt uit deze lijst dat, naar aanleiding van de door [naam] gedane meldingen er door de Belgische autoriteiten desgevraagd informatie is verstrekt aan de Nederlandse autoriteiten aangaande de leveringen aan Nederlandse groeperingen. Dit past in het hierbovenvermelde aangaande de uitwisseling van administratieve gegevens. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat het onderzoeksteam van Azuriet via de FIOD-ECD informatie ontving betreffende leveringen van grote hoeveelheden chemicaliën door [naam].

Vervolgens zijn door de Nederlandse autoriteiten verschillende rechtshulpverzoeken gedaan.Deze zagen op het observeren van Nederlanders die chemicaliën bij [naam] afnamen. [naam] heeft in mei en in juni aangegeven dat er een grote hoeveelheid chemicaliën was besteld. Hierop zijn de observaties aangevangen.

Door de verdediging is gesteld dat uit het proces-verbaal van [verbalisant 2] zou blijken dat er door de Belgische autoriteiten een lopend onderzoek zou zijn naar de verdachten in het onderzoek Azuriet. Gewezen wordt op de bewoordingen in dit proces-verbaal zoals “lopend onderzoek” en dossiernummers. Indien een dergelijk onderzoek zou lopen en daarvan blijkt niets in het voorliggende dossier kan op geen enkele wijze de rechtmatigheid van dit onderzoek worden getoetst noch het strafvorderlijk verloop daarvan. Er zou derhalve geen sprake zijn van een “fair trial” in de zin van artikel 6 EVRM nu de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld nader onderzoek te verrichten hetgeen tot de niet-ontvankelijkheid van het OM zou dienen te leiden.

De rechtbank deelt de mening van de verdediging niet. Onder verwijzing naar het hierbovengestelde is er naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van enige ondoorzichtigheid in het opsporingsonderzoek, in Nederland noch in België. Evenmin is gebleken van een eerdere inzet van opsporingsmiddelen, zoals door de verdediging betoogd, dan vanaf de daartoe gedane rechtshulpverzoeken. Zoals hierboven uiteengezet heeft er informatieverstrekking plaatsgevonden aanvankelijk op informele wijze en later via de FIOD-ECD naar de werkvoorbereiding die de inbraak aan de [adres] het onderzoeken was en later naar het onderzoeksteam van Azuriet.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de start van het onderzoek op grond van de beschikbare gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting voldoende transparant is geworden . Naar het oordeel van de rechtbank liep er geen ander onderzoek naar verdachten.

Voorts acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht zodat er geen noodzaak is tot het doen van nader onderzoek. De rechtbank zal de verzoeken van de verdediging daartoe dan ook afwijzen.

Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding het OM niet-ontvankelijk te verklaren nu er geen enkele aanwijzing in het dossier aanwezig is om te veronderstellen dat het opsporingsonderzoek onrechtmatig is verlopen.

3.3.2 Salduz vs Turkije en Panovits vs Cyprus

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een beroep gedaan op de toepasbaarheid van de arresten Salduz vs Turkije d.d. 27 november 2008, no. 36391/02 en Panovits vs Cyprus d.d. 11 december 2008, no. 4268/04. Door de verdediging is het verweer gevoerd ten aanzien van de eerste verklaring van verdachte. Bij analoge toepassing van de hiervoor genoemde arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zou er naar het oordeel van de verdediging in casu sprake zijn van een strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, hetgeen het recht op een eerlijk proces waarborgt. Nu er geen sprake is geweest van een eerlijk proces, dient dit primair te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het standpunt van de officier van justitie

Naar het oordeel van de officier van justitie zijn de inhoud van voornoemde arresten en de doorwerking ervan in het Nederlandse strafproces nog niet uitgekristalliseerd. De verweren van de verdediging hierover moeten dan ook worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het gevoerde verweer thans nog geen eenduidige lijn in de rechtspraak is uitgezet. Als algemeen uitgangspunt dient naar het oordeel van de rechtbank te gelden dat schending van het recht op rechtsbijstand slechts in niet reparabele en zeer uitzonderlijke omstandigheden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou dienen te leiden. Een minder vergaande sanctie zou de bewijsuitsluiting van de betreffende verklaring kunnen zijn.

Verdachte is op 31 maart 2008 aangehouden en om 9.30 uur in verzekering gesteld. Hij heeft zich toen beroepen op zijn zwijgrecht. Vervolgens heeft om 15.30 uur het eerste politieverhoor plaatsgevonden. Verdachte heeft, nadat hem was medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, een verklaring afgelegd. Nadat verdachte overleg had gevoerd met zijn raadsman heeft hij zich vervolgens wederom beroepen op zijn zwijgrecht.

Gelet op het bovenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte toegang heeft gekregen tot een advocaat en dat hij vervolgens zijn proceshouding heeft aangepast. Verdachte heeft op geen enkel moment aangegeven dat zijn eerste verklaring niet in volledige vrijheid zou zijn afgelegd noch heeft hij deze verklaring later ingetrokken. Voorts is geen enkele omstandigheid gebleken of gesteld waardoor de toegankelijkheid van een advocaat tot verdachte belemmerd werd, hetzij als gevolg van enig actief optreden van de autoriteiten hetzij anderszins. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van onrechtmatigheden omtrent het verhoor van verdachte.

De bovengenoemde omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat verdachte, zodra hij om rechtsbijstand heeft gevraagd hij toegang heeft gekregen tot zijn advocaat, hij derhalve zijn proceshouding heeft kunnen bepalen, er van ongeoorloofde druk op geen enkele wijze is gebleken en hij derhalve in volle vrijheid zijn verklaring heeft kunnen afleggen.

Van enige inbreuk op het recht van verdachte op een eerlijk proces is de rechtbank dan ook niet gebleken. Zij passeert derhalve de verweren van de raadsman. Dit houdt in dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vordering.

3.3.3 De inzet van foto-, video- en plaatsbepalingsapparatuur

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de hierna te noemen ingezette technische hulpmiddelen, te weten de foto-, video-, en plaatsbepalingapparatuur gesteld dat, nu niet uit het proces-verbaal blijkt dat is voldaan aan de vereisten van de in artikel 126ee Sv. juncto de artikelen uit het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (hierna te noemen het besluit), het voor de verdediging onmogelijk is om de betrouwbaarheid van de ingezette hulpmiddelen te toetsen. Daarnaast blijkt niet dat de opsporingsambtenaren bevoegd waren tot het plaatsen dan wel gebruiken van de hulpmiddelen. Gelet hierop verzoekt de verdediging het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren dan wel over te gaan tot bewijsuitsluiting van alle resultaten van de ingezette hulpmiddelen en van alle resultaten van de BOB bevelen die hieraan ten grondslag hebben gelegen.

Indien de rechtbank zou besluiten tot het verwerpen van deze verweren, wordt verzocht een tegenonderzoek op grond van artikel 126 ee sub e Sv te gelasten.

Voorts wijst de verdediging op de Ankerverweren met betrekking tot de ademanalyse en concludeert daaruit, naar de rechtbank begrijpt, dat nu niet is gebleken dat is voldaan aan de wettelijke vereisten met betrekking tot de technische hulpmiddelen er geen sprake is van een onderzoek conform de daarvoor geldende wettelijke regels zodat alle daaruit voortvloeiende resultaten niet mogen worden gebezigd voor het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat de in het onderzoek Azuriet gebruikte plaatsbepalingsapparatuur was goedgekeurd conform de voorschriften. Derhalve kan geen enkele twijfel bestaan over de juiste inzet van de plaatsbepalingsapparatuur en de correcte naleving van de technische voorschriften en procedureadviezen, zodat het verweer moet worden verworpen en het subsidiaire verzoek moet worden afgewezen.

Het oordeel van de rechtbank

Als algemeen uitgangspunt dient te gelden dat de gegevens die in het kader van de bijzondere opsporingsbevoegdheden met een technisch hulpmiddel worden vastgelegd betrouwbaar, voor derden toetsbaar en niet manipuleerbaar dienen te zijn. Hiertoe dienen de technische en procedurele waarborgen zoals opgenomen in het besluit.

Ten aanzien van de plaatsbepalingapparatuur is bij aanvullend proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm op 1 oktober 2008 door verbalisant [verbalisant 3] p. 152 en 153, uiteengezet dat gebruik is gemaakt van twee soorten plaatsbepalingapparatuur, waarbij het gaat om goedgekeurde standaardconfiguraties met de nummers OBS 2001/253 en 2007/081. Bij repliek heeft de officier van justitie vervolgens een tweetal keuringsrapporten van de Teamleider KLPD/DSRT Keuringsdienst in het geding gebracht. Uit deze rapporten en de daarbij behorende conformiteitverklaringen blijkt dat is voldaan aan de vereisten zoals gesteld in het besluit in de artikelen 10, 12, 13 en 14 ten aanzien van de technische hulpmiddelen met de nummers THo011 en Tho048. Bij aanvullend proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt op 9 februari 2009 door de Commandant van het plaatsingsteam van de Groep Observatie&Techniek van de Unit Operationele expertise, Dienst nationale Recherche, wordt vervolgens uiteengezet dat voornoemde nummers Tho011 en Tho048 corresponderen met de nummers OBS 2001/253 respectievelijk OBS 2007/081.

Gelet op het bovenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat gebruik is gemaakt van goedgekeurde plaatsingsapparatuur. Tevens blijkt uit voornoemd proces-verbaal dat de apparatuur is gecontroleerd zowel voorafgaand aan de inzet als bij de verwijdering ervan waarbij is vastgesteld dat de werking en de beveiliging ervan correct was. Deze controle is uitgevoerd door de Commandant van het plaatsingsteam van de Groep Observatie&Techniek van de Unit Operationele expertise, Dienst nationale Recherche. Hoewel uit het aanvullende proces-verbaal niet ondubbelzinnig blijkt dat voornoemde opsporingsambtenaar hiertoe was aangewezen door of namens de korpsbeheerder, zoals staat voorgeschreven in artikel 7 lid 1 van het Besluit, gaat de rechtbank hier wel vanuit gelet op de hierboven al vermelde functie van de verbalisant. Voorts is aangegeven dat de gegevens zijn opgeslagen in een database te Driebergen.

Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat de gebruikte inzet van de technische hulpmiddelen conform de regels van de wet en het Besluit is verlopen. Het verweer van de verdediging ter zake van de plaatsbepalingapparatuur wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van de gebruikte foto- en videoapparatuur overweegt de rechtbank het volgende.

Door de verdediging is gewezen op het proces-verbaal van bevindingen in zaaksdossier 1 betreffende de videobeelden die zouden zijn verkregen van een cameraopstelling bij de [adres] In het activiteiten journaal wordt aangegeven dat de werking van het technische hulpmiddel niet goed was. Wegens een technisch mankement aan de apparatuur waren de gegevens niet opgeslagen op de omschreven en goedgekeurde gegevensdrager. De identieke beelden zijn vervolgens geregistreerd op andere niet goedgekeurde apparatuur, veiliggesteld en vervolgens op DVD gebrand en voorzien van een codering conform de regels van het Besluit.

Met de verdediging vraagt de rechtbank zich af op welke wijze deze identieke gegevens zijn verkregen en of er wellicht sprake was van een parallelle registratie.

Hoewel door de officier van justitie wel aanvullende gegevens in het geding zijn gebracht betreffende de hierbovengenoemde plaatsbepalingapparatuur, heeft de officier dit verzuimd ten aanzien van de videoapparatuur.

De rechtbank constateert dat er ten aanzien van deze registratie niet conform de daartoe opgestelde regels in het Besluit is gehandeld. Er is derhalve sprake van een vormverzuim. De technische en procedurele eisen die het Besluit stelt dienen als waarborg voor de authenticiteit van de vastgelegde waarnemingen. Echter, het enkele gegeven dat er geen duidelijkheid bestaat omtrent de aanwezigheid van een eventuele back-up registratie en het gegeven dat de beelden zijn vastgelegd op een niet-goedgekeurde gegevensdrager hoeft er naar het oordeel van de rechtbank nog niet toe te leiden dat de gegevens daarmee in beginsel onbetrouwbaar en derhalve onbruikbaar zouden zijn. Door de verdediging is niets gesteld omtrent een eventuele onbetrouwbaarheid noch zijn feiten of omstandigheden genoemd waaruit een eventuele onbetrouwbaarheid van deze gegevens zou kunnen blijken. Niet gesteld is dat de beelden zouden zijn bewerkt of anderszins gemanipuleerd. Ook de rechtbank is hiervan niets gebleken.

Voorts acht de rechtbank van belang dat reeds door de opsporingsambtenaren zelf is aangegeven dat er sprake was van een technisch mankement. Zij hebben derhalve hiertoe openheid van zaken gegeven.

Gelet op de hierbovengenoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank het gestelde verzuim niet dermate ernstig dat dit zou moeten leiden tot enig in artikel 359a Sv. genoemd rechtsgevolg.

Voorts zal de rechtbank het verzoek om een tegenonderzoek op grond van artikel 126ee sub e Sv. afwijzen. Dit artikel juncto artikel 126ee sub d juncto artikel 15 van het besluit ziet met name op bewerking van gegevens teneinde de kwaliteit te verbeteren dan wel op de omwerking van het oorspronkelijke signaal naar in rechte te gebruiken materiaal. Van enige bewerking in voornoemde zin is in casu niet gebleken zodat het verzoek om een tegenonderzoek gebaseerd op art. 126 ee sub e wordt afgewezen.

Ten aanzien van de gestelde vergelijking met de procedure inzake de ademanalyse overweegt de rechtbank dat deze vergelijking hier niet opgaat. Immers, in casu is sprake van een schending van een vormverzuim waaraan op grond van het bovenstaande wel of geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden. Het gaat hier om een toets van de procedurele waarborgen. In de zaak van de ademanalyse was het onderzoek, waaraan een vormverzuim kleefde, bestanddeel van de tenlastelegging en kon, bij schending van de vormverzuimen geen bewezenverklaring volgen van het tenlastegelegde feit waardoor derhalve diende te worden vrijgesproken.

Resumerend stelt de rechtbank dat ten aanzien van de ingezette technische hulpmiddelen geen sprake is van enig verzuim dat tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting zou dienen te leiden.

3.3.4 Doorzoeking [adres] op 29 en 30 maart 2008

Tijdens het onderzoek Azuriet zijn verschillende CIE-meldingen binnengekomen. Deze meldingen zijn neergelegd in verschillende processen-verbaal en zijn opgemaakt door verbalisanten werkzaam bij respectievelijk de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna te noemen Cie) van de Politie Midden & West Brabant en van het Korps Landelijke Politiediensten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat op 30 maart 2008 ineens informatie omtrent een verborgen ruimte in het pand aan de [adres] beschikbaar is gekomen, nadat eerst op 29 maart 2008 een doorzoeking heeft plaatsgevonden zonder enig resultaat. Hierdoor is de sterke indruk ontstaan dat de bron van deze Cie-informatie een persoon zou kunnen zijn die als verdachte in het onderzoek Azuriet een rol speelt. De verdediging wenst te onderzoeken of er sprake is geweest van inzet van een criminele informant, een burger informant dan wel van een infiltrant en heeft verzocht tot het nader horen van een aantal getuigen hiertoe. Hierbij heeft de verdediging gewezen op opvallende discrepanties tussen de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] en op de plotselinge aanhouding van medeverdachte [mededader 1] en zijn afgelegde belastende verklaring ten aanzien van een aantal verdachten in het onderhavige onderzoek.

De rechtbank heeft deze verzoeken, met uitzondering van het horen van de [verbalisant 5] afgewezen.

Nu deze verzoeken door de rechtbank zijn afgewezen is de verdediging niet in staat gesteld de betrouwbaarheid van de Cie informatie voldoende te toetsen en is er de sterke indruk ontstaan dat er ontoelaatbare opsporingsmiddelen zijn aangewend. Hiermee is er sprake van een onomkeerbare schending van artikel 6 EVRM en dient het OM niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging.

Indien het verweer wordt verworpen heeft de verdediging verzocht tot het horen van de getuigen [verbalisant 5], [verbalisant 4], [verbalisant 6], [verbalisant 7], [verbalisant 2] en overige nog niet gehoorde getuigen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat er geen sprake is geweest van een ander BOB-middel dan reeds in een proces-verbaal staat gerelateerd. Het verzoek van de verdediging dient dan ook te worden afgewezen.

Ten aanzien van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging is de officier van justitie van mening dat de verdediging alle ruimte heeft gekregen en mogelijkheden heeft benut ten aanzien van het horen van getuigen. Er is onvoldoende onderbouwing en onvoldoende belang, zodat ook dit verzoek moet worden afgewezen.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank staat het volgende vast.

In de periode van september 2007 tot en met maart 2008 zijn verschillende meldingen door de Cie verwerkt in een proces-verbaal. Op 29 maart 2008 hebben er in het kader van het onderzoek Azuriet op verschillende locaties doorzoekingen plaatsgevonden, waaronder in de loods aan de [adres]. Daar zijn geen bijzonderheden aangetroffen. Nadat op 30 maart 2008 informatie omtrent een op professionele wijze verborgen ruimte bekend is geworden heeft wederom een doorzoeking plaatsgevonden, waarna een dergelijke ruimte is aangetroffen.

Uit de verklaringen van zowel verbalisant [verbalisant 4], afgelegd bij de rechter-commissaris op 9 december 2008, als verbalisant [verbalisant 5], afgelegd ter zitting op 29 januari 2009 is naar het oordeel van de rechtbank het volgende komen vast te staan.

Wanneer informatie bij de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna de CIE) binnenkomt wordt deze informatie opgeslagen in het systeem van de CIE en is deze informatie voor de CIE beschikbaar. Zodra deze informatie relevant wordt geacht voor een bepaald onderzoek wordt de informatie op papier gezet en aan het desbetreffende onderzoeksteam verstrekt. Hierbij is van belang dat een onderscheid gemaakt dient te worden tussen de verschillende CIE-diensten. Wanneer een onderzoek door de Nationale Recherche wordt gedaan is het ook de CIE van de Nationale Recherche die de informatie-uitwisseling met het onderzoeksteam onderhoudt, al dan niet via de zaaksofficier. De CIE is terughoudend met het verstrekken van dergelijke informatie ter bescherming van de bronnen.

Uit de verklaring van [verbalisant 4], Operationeel chef Cie Politie Midden & West Brabant afgelegd bij de rechter-commissaris op 9 december 2008 blijkt het volgende:

Op enig moment is er informatie binnen gekomen omtrent een professionele ruimte in de loods aan de [adres]. Deze informatie heeft hij gemeld bij het hoofd van de CIE van de Nationale Recherche omdat hij wist dat die locatie van belang was voor de Nationale Recherche. Uit de verklaring van [verbalisant 4] blijkt tevens dat de informatieverstrekking van zijn CIE is gelopen via de CIE van de Nationale Recherche. Hij heeft geen contact gehad met het onderzoeksteam Azuriet. Voorts heeft [verbalisant 4] aangegeven dat het zou kunnen dat de informatie eerst eind maart is verstrekt dan wel op 30 maart.

Uit de verklaring van [verbalisant 5], teamleider CIE Nationale Recherche, gehoord bij de rechter-commissaris op 13 januari 2009 en ter zitting op 29 januari 2009 blijkt het volgende.

De informatie betreffende de verborgen ruimte aan de [adres] was voor 29 maart 2008 al bekend bij de CIE Nationale Recherche omdat deze in het systeem stond opgeslagen. Deze informatie was echter nog niet doorgegeven aan het tactisch team Azuriet. Voorts heeft [verbalisant 5] aangegeven dat de CIE Nationale Recherche door het onderzoeksteam Azuriet niet op de hoogte was gesteld van de doorzoekingen op 29 maart 2008. Op 30 maart bleek dat deze doorzoekingen hadden plaatsgevonden en werd de relevantie van voornoemde informatie duidelijk waarna de CIE deze informatie heeft doorgespeeld aan de Officier van Justitie, die op zijn beurt het onderzoeksteam hierover heeft geïnformeerd.

De Officier van Justitie heeft deze gang van zaken ter zitting bevestigd.

Uit de hierboven genoemde verklaringen leidt de rechtbank af dat de informatieverstrekking omtrent de verborgen ruimte is gelopen van de CIE Midden & West Brabant naar de CIE Nationale Recherche, waarna de informatie vervolgens is doorgegeven naar het onderzoeksteam. Beide getuigen verklaren hetzelfde omtrent deze werkwijze. Beide getuigen hebben tevens aangegeven dat de informatie reeds langer bekend was bij de CIE en dat deze derhalve niet eerst op 30 maart door een informant zou zijn verstrekt. Uit de verklaring van [verbalisant 4] leidt de rechtbank niet af dat hij deze informatie eerst op 30 maart zou hebben doorgegeven. Hij laat immers zelf de mogelijkheid open dat het ook eind maart geweest zou kunnen zijn. Uit deze bewoordingen leidt de rechtbank af dat [verbalisant 4] niet precies meer weet wanneer deze informatie is verstrekt. Het bovenstaande komt in grote lijnen overeen met hetgeen door [verbalisant 5] is verklaard.

Gelet op het vorenstaande zijn er naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen dermate grote discrepanties te ontdekken tussen beide getuigenverklaringen dat deze de conclusies van de verdediging zouden rechtvaardigen dat er informatie wordt achtergehouden dan wel dat er ontoelaatbare opsporingsmethoden zouden zijn gebruikt.

De rechtbank acht voorts van belang dat door de Officier van Justitie meermalen ter zitting is aangegeven dat er in dit onderzoek geen gebruik is gemaakt van inzet van infiltranten dan wel van pseudokoop.

Ten aanzien van de aanhouding van [mededader 1] overweegt de rechtbank dat uit het persoonsdossier van [mededader 1] blijkt dat er reeds op 17 september 2008 een Europees arrestatiebevel werd uitgevaardigd en dat [mededader 1] sindsdien gesignaleerd stond. De stukken die betrekking hebben op zijn opsporing en aanhouding geven de rechtbank vervolgens geen enkele aanleiding te veronderstellen dat er sprake is geweest van onrechtmatigheden.

Gelet op het vorenstaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman.

Het voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot het horen van de door hem opgegeven getuigen wordt door de rechtbank eveneens verworpen. De verdediging heeft voldoende gelegenheid en mogelijkheid gekregen van de rechtbank getuigen te horen in de deze strafzaak. De rechtbank is van oordeel dat er nu onvoldoende belang is om getuigen nader te horen.

3.4 De schorsing van de vervolging

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert zich daarbij op het volgende.

Feiten 1 en 2

- de bekennende verklaring van medeverdachte [mededader 1];

- de verklaringen van de verschillende getuigen en medeverdachten, zoals die blijken uit de zaaksdossiers;

- de omstandigheid dat die verklaringen worden bevestigd door observaties, camerabeelden, OVC-gesprekken en tapgesprekken;

- de op de locaties aangetroffen chemicaliën, apparatuur, DNA-sporen en MDMA-sporen;

- de technische onderzoeken,

zoals deze blijken uit de verschillende zaaksdossiers.

Feit 2

Ten aanzien van feit 2 stelt de officier van justitie voorts het volgende.

Uit het voorgaande blijkt dat er sprake is geweest van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van artikel 2 en 3 OW-feiten. Er was immers sprake van:

- een gestructureerd samenwerkingsverband van twee of meer personen met een zekere organisatiegraad;

- niet vereist is dat verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaakten van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is;

- deelneming aan het samenwerkingsverband kan alleen indien verdachte daartoe behoorde en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk;

- voor deelneming is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van voorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van OW-misdrijven.

De leden van de organisatie beschikken over een of meer locaties waar synthetische drugs geproduceerd zijn. Verder beschikken zij over locaties waarin zijn aangetroffen ruim 7 kilo MDMA en enorme hoeveelheden chemicaliën, hardware en andere goederen die nodig zijn voor het produceren van synthetische drugs.

Het is duidelijk dat de organisatie een rol heeft gespeeld bij de levering van 295 kilo amfetamine (zaak 18 Ranau).

Binnen deze organisatie hebben verdachten, onder wie [verdachte 2], in opdracht van [mededader 3] (geboren in 1983), vanaf november 2006 chemicaliën gekocht in België bij het bedrijf [naam]. Het totale aankoopbedrag is ongeveer € 21.000, -. De enorme partijen chemicaliën die hiervoor zijn aangekocht zijn nodig voor en worden gebruikt bij de productie van synthetische drugs.

Het observatieteam heeft onder andere [verdachte 2] en [mededader 4] gezien die van [naam] komen en chemicaliën afleveren op de [adres] (zaak 7) en [adres] (zaak 10).

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten kan komen en wijst daarbij op het volgende.

Feit 1

Zaaksdossier 1, loods [adres]:

[getuige1] heeft het in zijn verklaring over een “Twanneke”. [getuige1] zegt echter niet dat met “Twanneke” [verdachte 2] bedoeld wordt. In het dossier is geen enkele verklaring te vinden waaruit zou blijken dat met “Twanneke” [verdachte 2] bedoeld wordt.

Zaaksdossier 7, [adres] 10 Oudenbosch:

[getuige2] is bij de rechter-commissaris gehoord, waarbij hem foto’s van de verdachten in deze zaak zijn voorgehouden. [getuige2] kon echter niemand herkennen. Ten aanzien van de garagebox blijkt niet waar, wanneer en onder welke belastende omstandigheden [verdachte 2] gezien is. Niemand die in het dossier voorkomt heeft gezien dat [verdachte 2] te maken heeft gehad met de productie van harddrugs dan wel dat hij betrokken was bij een criminele organisatie.

Zaaksdossier 10, [adres] 22 Breda:

Dat er DNA van [verdachte 2] is aangetroffen wil niets zeggen. De vraag is wanneer het mondkapje op deze locatie is aangetroffen? Onder welke omstandigheden en op welke wijze heeft de bemonstering plaatsgevonden en wat is ermee gebeurd?

Voorts merkt de raadsman op dat behalve een herkenning door een observatieteam er niets is dat [verdachte 2] met deze locatie verbindt.

De raadsman merkt verder op dat [mededader 1] heeft verklaard [verdachte 2] niet te kennen.

Aangezien de garagebox ooit op naam van [verdachte 2] heeft gestaan, is het niet verwonderlijk dat hij nog in het bezit is van de sleutel.

Het zou kunnen dat [verdachte 2] op deze locatie is geweest, maar dit is niet ten tijde van de inkijkoperatie geweest. Dit is ook niet geweest ten tijde dat er preparaten in de box lagen.

Feit 2

De officier van justitie heeft bepaalde vereisten aangegeven waar een criminele organisatie aan moet voldoen. Hij heeft daarbij voorts verwezen naar het onderzoek Ranau. Twee veroordeelden in die zaak zijn ook in de zaak Azuriet gehoord, maar zij wisten van niets.

Enkel op basis van de observaties wordt er gezegd dat er sprake is geweest van een criminele organisatie. Er is echter geen andere omstandigheid in dit dossier aan te wijzen om dit te kunnen onderbouwen.

Er wordt verondersteld dat [verdachte 2] in opdracht van [mededader3] goederen in België heeft opgehaald. Deze veronderstelling is nergens op gestoeld. Zelfs [mededader 1] verklaart hier niet over.

Een observatieteam zou hebben gezien dat [verdachte 2] van [naam] naar de [adres] is gereden. Er is echter geen enkel verslag van een observatieteam die dit bevestigt. De veronderstelling dat [verdachte 2] stoffen bij [naam] heeft opgehaald kan dus niet op basis van dit dossier gestaafd worden.

[verdachte 2] heeft geen VW Transporter. Hij heeft enkel een Mercedes op zijn naam gehad.

Ten aanzien van de tapgesprekken merkt de raadsman op dat het niet vast staat dat het [verdachte 2] in die gesprekken is. Er is geen enkel gesprek waarin woorden voorkomen die op de aangetroffen briefjes staan, noch is er sprake van versluierd taalgebruik.

4.3 Bespreking van de gevoerde bewijsuitsluitingsverweren

4.3.1 Salduz vs Turkije en Panovits vs Cyprus

Ten aanzien van dit punt is door de verdediging subsidiair een verweer gevoerd dat ziet op bewijsuitsluiting van de eerste verklaring van de verdachte. Gelet op hetgeen de rechtbank hierover reeds onder 3.3.2 heeft overwogen, zal de rechtbank dit verweer van de verdediging passeren. De verklaring van verdachte is dan ook bruikbaar voor het bewijs.

4.3.2 De inzet van foto-, video- en plaatsbepalingsapparatuur

Ook ten aanzien van de inzet van technische apparatuur heeft de verdediging subsidiair de bewijsuitsluiting bepleit. Gelet op hetgeen de rechtbank hierover reeds onder 3.3.3 heeft overwogen, zal door de rechtbank voorbij worden gegaan aan het verweer van de verdediging. Alle resultaten die verkregen zijn uit de inzet van deze apparatuur zijn daarmee bruikbaar voor het bewijs.

4.3.3 Stemherkenning door verbalisanten en/of tolken

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de stemherkenningen, die blijkens het dossier zijn verricht door verbalisanten en een tweetal tolken, onbetrouwbaar zijn en derhalve dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Ter onderbouwing van dit verweer wordt onder meer gewezen op wetenschappelijke vakbijlagen van het NFI en de Universiteit van Maastricht alsmede op de Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers in het opsporingsonderzoek in strafzaken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat er geen vaste jurisprudentie is die inhoudt dat stemherkenning door tolken en verbalisanten niet zonder meer als bewijs gebruikt mag worden. In casu is sprake van ervaren verbalisanten en tolken die al lang in het onderzoek zitten en dus de langskomende stemmen zeer vaak hebben gehoord. Bij de herkenning van stemmen spelen gezond verstand en goed luisteren een grote rol en daar is niets mis mee.

De stelling van de verdediging dat de stemherkenningen niet als bewijs gebruikt kunnen worden is voor het overige onvoldoende onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

Het dossier bevat een groot aantal tapgesprekken en opgenomen vertrouwelijke gesprekken, waarin door verbalisanten en tolken wordt aangegeven dat zij stemmen van in het onderzoek Azuriet betrokken verdachten herkennen.

Anders dan door de verdediging is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat voor algehele bewijsuitsluiting van stemherkenningen geen plaats is. Hierbij wordt acht geslagen op het feit dat in beginsel geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van stemherkenningen als bewijs. Evenmin valt uit de jurisprudentie af te leiden dat stemherkenningen op zichzelf niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt. Dit zal dan ook voor de rechtbank als uitgangspunt dienen. Dit laat echter onverlet dat het wel noodzakelijk is, mede gelet op de door de verdediging geplaatste kanttekeningen terzake de toetsbaarheid en betrouwbaarheid van stemherkenningen, om bij de waardering van de bewijskracht van stemherkenningen de nodige omzichtigheid te betrachten, hetgeen de rechtbank bij een eventuele beoordeling van de bruikbaarheid van de resultaten van de stemherkenningen dan ook zal doen.

De verweren van de verdediging worden gepasseerd en de rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft in zijn eerste verhoor op 31 maart 2008 aangegeven dat hij één telefoon in gebruik heeft, dat het nummer daarvan 06-[gsm-nummer] is, dat hij deze telefoon met dit nummer al een paar jaar heeft en voorts dat hij de enige gebruiker is van deze telefoon. Op grond van het vorenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat de telefoongesprekken die zijn gevoerd met voormeld nummer daadwerkelijk zijn gevoerd door verdachte. Het verweer terzake de betrouwbaarheid van stemherkenning behoeft derhalve geen verdere bespreking. De resultaten van de stemherkenningen kunnen dan ook voor bewijs worden gebezigd.

4.3.4 DNA-sporen en contaminatie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verweerd gevoerd omtrent de in België bij [naam] in beslag genomen jerrycans en (de resultaten van) het onderzoek. Gelet op de onduidelijkheid die er bestaat terzake de wijze van bemonstering, kan de conclusie niet worden gerechtvaardigd dat er hierdoor een voldoende verdenking in de zin van artikel 27 lid 1 Sv bestond jegens de groep Azuriet. Dit geldt tevens voor de rechtvaardiging van de inzet van BOB-bevoegdheden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat de positieve test op de aanwezigheid van amfetamine, tezamen met de andere onderdelen die tot verdenking leiden, voldoende verdenking oplevert in de zin van artikel 27 Sv.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van dit gevoerde verweer wijst de rechtbank op het hiervoor onder 3.3.1 gestelde ten aanzien van de start van het onderzoek, waaruit blijkt dat de verdachten in het onderzoek Azuriet reeds in beeld zijn gekomen na meldingen van [naam] en daaropvolgende observaties verricht naar aanleiding van rechtshulpverzoeken. Op dat moment was er reeds sprake van een verdenking ingevolge artikel 27 lid 1 Sv. Dit brengt met zich dat het verweer geen verdere bespreking behoeft.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

4.4.1 Algemene inleiding

Naar aanleiding van een inbraak in een loods aan de [adres] is er een onderzoek ingesteld. Tijdens dat onderzoek werd een grote hoeveelheid chemicaliën aangetroffen die ook gebruikt kan worden in het productieproces voor synthetische harddrugs. Naar aanleiding hiervan werd het onderzoek Azuriet opgestart. Uit dit onderzoek bleek dat een Nederlandse groepering de betreffende chemicaliën afnam van het Belgische bedrijf [naam]. Naar aanleiding hiervan is gebruik gemaakt van observaties. Uit die observaties bleek dat de groepering gebruik maakte van verschillende voertuigen. De eerste voertuigen die na observaties in beeld kwamen waren de bestelbussen waarmee de chemicaliën werden opgehaald bij [naam]. Het ging om een groene VW Transporter met kenteken [kenteken1], een rode VW Transporter, met kenteken [kenteken2] beiden op naam van R. [mededader 1] en om een gehuurde auto van K&K Autoverhuur B.V. met kenteken [kenteken3].

Nadat op de groene VW Transporter met kenteken [kenteken1] plaatsbepalingapparatuur was aangebracht is deze bus in de periode van september 2007 tot en met 30 maart 2008 gesignaleerd op alle in het dossier onder de verschillende zaaksdossiers genoemde locaties. Deze bus is op 24 oktober 2007 op naam gesteld van [naam], zijnde de vriendin en huisgenoot van [verdachte 2].

Uit de verklaringen van [mededader5], T. [getuige1], [getuige3], [getuige4] en [mededader6] blijkt onder meer [mededader3], [mededader7], [mededader8], M. [mededader 4] en A. [verdachte 2] allen gebruik maakten van deze bestelbus.

Voorts werd gebruik gemaakt van een gehuurde witte bestelbus met kenteken [kenteken3]. Uit gegevens van K&K Autoverhuur B.V. is gebleken dat vanaf oktober 2006 door A. [verdachte 2], R. [mededader 1] en M. [mededader 4] bestelbusjes werden gehuurd, waaronder voornoemde witte bus. Ook werd gebruik gemaakt van een Audi A3 met kenteken [kenteken4] op naam van [mededader3, 6, 7]ader3]. Door middel van observaties en plaatsbepalingapparatuur is geconstateerd dat ook deze auto regelmatig op of in de nabije omgeving van de in de zaaksdossiers genoemde locaties is geweest.

Tijdens het onderzoek is op de locaties [adres] 10 te Oudenbosch, [adres] 22 te Breda en [adres] te Roosendaal geobserveerd middels camerabeelden. Uit de verkregen beelden werden de verdachten, [mededader9], [mededader3], [verdachte 2] en [mededader 4] herkend.

Verklaring [mededader 1]

Het bovenstaande wordt op een aantal punten bevestigd door de verklaring van R. [mededader 1]. Hij verklaart dat hij in opdracht van [mededader3] en [mededader7] meermalen grote hoeveelheden chemicaliën heeft opgehaald bij het Belgische bedrijf [naam]. Hierbij maakte hij onder meer gebruik van een groene en een rode volkswagen transporter, die hij op zijn naam had staan. Aanvankelijk werd hij bij deze ritten begeleid door [mededader4] en [mededader7], die dan ook de contante betalingen verrichtten. Daarnaast verklaart hij dat hij drie locaties kent waar hij de chemicaliën heeft gelost, te weten de [adres] in Breda, de [adres] te Oudenbosch en een garagebox in Roosendaal. Hij herkent de hem voorgehouden facturen van [naam] en verklaart daaromtrent dat de stoffen die vermeld staan op de facturen de stoffen zijn die hij heeft opgehaald. In 2006 is hij voor de eerste keer grondstoffen gaan halen en hij heeft dit in totaal zo'n twintig keer gedaan, aldus R. [mededader 1].

Voorts heeft hij, zo blijkt uit het proces-verbaal, M. [mededader 4], [mededader3] en [mededader7] herkend bij een fotoconfrontatie.

De rechtbank acht deze verklaring, anders dan de verdediging, betrouwbaar nu verdachte zichzelf hiermee belast en deze verklaring bovendien in grote lijnen wordt bevestigd door bovenvermelde observaties, door de gegevens van K&K autoverhuur B.V. en door de verklaring van [getuige2] die onder andere verdachten R. [mededader 1] en [mededader4] heeft herkend.

Verklaring [getuige2]

De directeur van [naam] heeft op 29 juli 2008 een verklaring afgelegd, waarin hij aangeeft dat grote hoeveelheden chemicaliën vanaf eind 2006 werden gekocht door meerdere Nederlanders. Na het tonen van een aantal foto’s wordt door [getuige2] verklaard dat hij [mededader 4], [mededader10], [mededader3], [verdachte 2] en [mededader 1] herkent als personen die bij hem op het bedrijf zijn geweest.

Weliswaar heeft [getuige2] niemand herkend op foto’s die hem bij de rechter-commissaris op 14 januari 2009 zijn getoond, maar hij heeft evenmin zijn verklaring van 29 juli 2008 ingetrokken dan wel anderszins daarop teruggekomen. De rechtbank gaat dan ook uit van deze verklaring van [getuige2].

Aangetroffen apparatuur, grondstoffen en sporen van MDMA en DNA

Tijdens doorzoekingen op 29 maart 2008 zijn alle in de zaaksdossiers genoemde locaties doorzocht en hierbij is een groot aantal chemicaliën, vulstoffen en kleurstoffen alsmede apparatuur aangetroffen die aangewend kunnen worden in het productieproces van synthetische drugs. Tevens zijn op deze locaties DNA-sporen aangetroffen alsmede MDMA-sporen. In de woning van Hayat [mededader9], zijnde de zus van verdachte [mededader9], is tevens ruim 7 kilo MDMA aangetroffen.

4.4.2 Voorbereidingshandelingen ex artikel 10a Ow

Voor strafbaarheid op grond van de voorbereidingshandelingen in artikel 10a Ow is vereist dat de dader opzet heeft gehad op het voorbereiden en/of bevorderen van de produktie van synthetische drugs. Dit opzet kan ook in voorwaardelijke zin worden aangenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft een groep personen zich bezig gehouden met het voorbereiden danwel bevorderen van de productie van synthetische drugs. Deze groep bestond uit de volgende personen: [mededader3] [mededader7], [mededader8], [mededader10], M. [mededader 4] en A. [verdachte 2]. De rechtbank baseert zich hierbij onder andere op

- voornoemde verklaringen van [mededader 1] en [getuige2],

- voornoemde processen-verbaal van observaties, camerabeelden en OVC-gesprekken,

- de aangetroffen apparatuur, chemicaliën, grondstoffen,

DNA-sporen en MDMA-sporen op de verschillende locaties,

- de technische onderzoeken,

- de voertuigen waarbij de tenaamstelling regelmatig wisselde tussen de verdachten danwel hun partners of familieleden,

- de tapgesprekken

- verklaringen van en herkenningen door verschillende getuigen.

De verschillende bewijsmiddelen zullen hierna in de afzonderlijke zaaksdossiers worden besproken onder 4.4.4.

De rechtbank leidt uit het geheel van de hierbovengenoemde opsomming en de hierna te noemen bewijsmiddelen af dat de omschreven en bewezenverklaarde handelingen aan alle voornoemde verdachten kunnen worden toegeschreven. Voornoemde groep personen heeft gedurende de periode oktober 2006 tot 29 maart 2008 in wisselende samenstelling nauw en bewust samengewerkt bij het plegen van voornoemde voorbereidingshandelingen.

Door de verdediging is in het algemeen gesteld dat de betrokkenheid en de wetenschap van de verdachten bij de afzonderlijke zaaksdossiers onvoldoende uit de bewijsmiddelen blijkt.

De rechtbank gaat er bij de beoordeling van het bewijs echter vanuit dat alle feiten en omstandigheden die uit het gehele procesdossier naar voren komen, in onderlinge samenhang moeten worden bezien en dus niet, zoals de verdediging heeft bepleit, als volledig los van elkaar staande feiten moeten worden beoordeeld.

De rechtbank leidt dan ook uit het geheel van de onder 4.4.1 genoemde feiten en omstandigheden en de hierna te noemen feiten en omstandigheden onder 4.4.4. af dat verdachten door hun handelen opzet hebben gehad op het voorbereiden danwel het bevorderen van de productie van synthetische drugs.

4.4.3 Criminele organisatie ex artikel 11a Ow

Ten aanzien van de criminele organisatie stelt de rechtbank vast dat uit de jurisprudentie volgt dat voor de bewezenverklaring van ‘een criminele organisatie’ als bedoeld in art. 140 wetboek van strafrecht en de later ingevoerde specialis artikel 11a Opiumwet is vereist dat er sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en één of meerdere andere personen. Het samenwerkingsverband moet een gemeenschappelijk doel hebben en haar deelnemers moeten in dat samenwerkingsverband actief zijn ter verwezenlijking van dat doel. Van een criminele organisatie is eerst sprake wanneer de doelstelling van de organisatie (mede) is het plegen van strafbare feiten. Bovendien moeten betrokkenen weten dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat zowel ten doel had het voorbereiden en bevorderen als het produceren van synthetische drugs. Ten aanzien van de tenlastegelegde “softdrugstak” van de organisatie is voor de rechtbank onvoldoende inzichtelijk geworden of er sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, wat het aandeel van de afzonderlijke verdachten is geweest en of er sprake is geweest van een zekere organisatiegraad. De rechtbank acht dit gedeelte van de tenlastelegging dan ook niet bewezen en zal de verdachten hiervan vrijspreken.

Alvorens de rechtbank overgaat tot het bespreken van de rol van de verschillende verdachten binnen de criminele organisatie zal de rechtbank eerst in grote lijnen de werkwijze van het samenwerkingsverband uiteen zetten zoals dit blijkt uit de bewijsmiddelen.

De rechtbank leidt het hierna volgende af uit het volledige procesdossier Azuriet en meer specifiek het overzichtsproces-verbaal (zaaksdossier 19) met betrekking tot artikel 11a Opiumwet juncto artikel 140 wetboek van strafrecht. Tevens verwijst zij naar de hierna uitgewerkte bewijsmiddelen in de afzonderlijke zaaksdossiers.

De werkwijze van de organisatie in het algemeen en het doel/oogmerk van de organisatie

Aankoop grondstoffen

Tussen november 2006 en juli 2007 werden grote hoeveelheden chemicaliën (onder meer zoutzuur, aceton, methanol en caustic soda) gekocht bij [naam] BVBA in Brugge (België), tot een totaal aankoopbedrag van ruim € 21.000,=. Deze chemicaliën kunnen worden gebruikt als grondstoffen voor de productie van synthetische harddrugs.

Bij de aankoop van deze chemicaliën werd gebruikt gemaakt van de bedrijfsnaam NV [naam] Harelbeke (België), waarvan later bleek dat het een bedrijf in aardappelproducten was dat normaliter geen enkel zakelijk contact met [naam] had. Door gebruik te maken van deze handelsnaam probeerden de verdachten blijkbaar hun eigen identiteit te verhullen.

Transport

De leden van de organisatie maakten gebruik van gehuurde en eigen voertuigen om de chemicaliën op te gaan halen. Uit bescheiden van het autoverhuurbedrijf K&K blijkt dat reeds in oktober 2006 voertuigen werden gehuurd door in ieder geval één lid van de organisatie. Opvallend is dat de tenaamstelling van de eigen voertuigen steeds wisselde tussen leden van de organisatie danwel hun partner of familieleden. Vervolgens zijn enkele van deze voertuigen gedurende het opsporingsonderzoek veelvuldig op vrijwel alle locaties gezien waar later apparatuur, chemicaliën, MDMA-sporen en DNA-sporen zijn aangetroffen. Hierbij wijst de rechtbank met name op de groene volkswagen transporter [kenteken1] op naam van [naam], de vriendin van verdachte [verdachte 2] alsmede de Audi A3 [kenteken4] op naam van [mededader3]. Tevens is een rode VW Transporter gezien die ook door bijvoorbeeld [mededader8] werd gebruikt. Tevens is gebleken uit verklaringen dat verschillende leden van de organisatie gebruik maakten van de groene vw transporter en van de Audi A3 .

Locaties

De organisatie maakte gebruik van vele locaties. Uit de observaties is gebleken dat garageboxen en loodsen werden gehuurd waar de opslag van de grondstoffen plaatsvond . Nu in deze locaties niet alleen de grondstoffen, de apparatuur, vulmiddelen, kleurstoffen maar ook sporen van eindproduct te weten MDMA is aangetroffen gaat de rechtbank er vanuit dat op de verschillende locaties tevens MDMA is geproduceerd. De huur van de garageboxen of loodsen werd veelal geregeld door de broers [voornaam], [voornaam] en [mededader8]. Bij de loods aan de [adres] en de garage aan de [adres] werd gebruik gemaakt van andere personen die de locatie huurden. Uit de bewijsmiddelen bij de verschillende zaaksdossiers blijkt echter dat het gebruik van deze locaties bij de organisatie lag. De garage aan de [adres] was een algemene ontmoetingsplaats voor de leden van de organisatie. Uit de verschillende verklaringen is gebleken dat [mededader3,7,8] en M. [mededader 4] en [verdachte 2] hier een aantal malen per week bijeen kwamen in een ruimte die niet toegankelijk was voor het publiek. Tevens heeft [mededader3] goederen laten opslaan in het achterste deel van de loods . Uit al deze bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de organisatie de beschikking had en gebruik maakte van ook deze garage en dat de daar in de verborgen ruimte aangetroffen chemicaliën, apparaten en overige inbeslaggenomen voorwerpen in gebruik waren bij de organisatie.

Hardware

De hardware voor de productie van synthetische drugs is onder andere besteld bij en geleverd door de firma Wico. Door [mededader3] en [mededader7] zijn een 5-tal maal bestellingen gedaan die zagen op het vervaardigen van goederen die gebruikt konden worden bij de productie van synthetische drugs. In dit verband wijst de rechtbank op de verklaring van mede verdachte Van Ham die heeft verklaard dat hij ketels, exchangers, jacketleidingen en centrifuges heeft vervaardigd. Hierbij werden gedetailleerde omschrijvingen gegeven en werd zelfs een voorbeeldketel getoond teneinde de geschikte apparatuur voor het productieproces te verkrijgen.

Conclusie

Uit de vele tap- en OVC-gesprekken en observaties blijkt de onderlinge samenwerking van de leden van de organisatie. Niet alleen zijn zij regelmatig in wisselende samenstellingen gesignaleerd bij de verschillende locaties ook hebben zij veelvuldig afgesproken bij de genoemde locaties of hebben zij over deze locaties gesproken. Voorts zijn bij de fouillering van de aangehouden verdachten [mededader 4] en [mededader10] twee briefjes aangetroffen en in beslag genomen. Deze twee briefjes bevatten identieke woorden als “Petje, Sjaakie, Plito, Kale, Konijn, Banaan en Jantje”. Uit de tapgesprekken blijkt dat door de verdachten onderling de hiervoor genoemde woorden gebezigd werden. Voor het gebruik van deze woorden en het bezit van deze briefjes zijn door de verdachten geen verklaringen gegeven.

Gelet op hetgeen hierboven door de rechtbank is aangegeven met betrekking tot de aankoop van de grondstoffen, de wijze van transport, het gebruik van de locaties en de hardware is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een duurzaam samenwerkingsverband tussen de verschillende verdachten. De organisatie hield zich bezig met het gehele proces rondom de vervaardiging van synthetische drugs. Dat er niet alleen sprake is geweest van voorbereidingshandelingen maar tevens van productie van synthetische drugs wordt ondersteund door het aantreffen van de vele MDMA-sporen op de verschillende locaties maar vindt tevens bevestiging in het aantreffen van ruim 7 kilo MDMA in de woning van Hayat [mededader9], de zus van verdachte [mededader9] . De professionaliteit van de organisatie blijkt onder andere uit de hoeveelheid locaties die werden gebruikt, uit het feit dat gebruik werd gemaakt van verrijdbare apparatuur ten behoeve van de productie van synthetische harddrugs alsmede uit de grote hoeveelheden chemicaliën en andere grondstoffen die zijn aangetroffen op de verschillende locaties. Deze grote hoeveelheden chemicaliën en grondstoffen rechtvaardigen tevens de conclusie dat er sprake is geweest van een langdurig en grootschalig productieproces.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van een criminele organisatie die tot doel had zowel het voorbereiden en bevorderen van de productie van synthetische drugs als de productie zelf.

De organisatie bestond naar het oordeel van de rechtbank uit de volgende personen: [mededader3], [mededader3], [mededader10], [mededader8], [verdachte 2], [mededader 4], [mededader9] en [mededader 1]. De rechtbank zal de rol van elke afzonderlijke verdachte in de organisatie bespreken.

De rol van de afzonderlijke verdachten binnen de organisatie

De verdachten B. en [mededader3]

De broers B. en [mededader3] hebben binnen de organisatie een centrale rol gespeeld. Uit met name de verklaring van medeverdachte [mededader 1], deels ondersteund door de verklaring van [getuige2] blijkt dat zij de opdrachten gaven tot de aankoop van de grondstoffen en dat zij hiervoor de betalingen verrichten. [mededader7] heeft in de beginperiode [mededader 1] begeleid bij zijn ritjes naar België totdat hij het vertrouwen had gewonnen en alleen mocht gaan. Voorts beschikten zij over de locaties waar grondstoffen en apparatuur zijn aangetroffen waarmee synthetische drugs geproduceerd konden worden danwel waar de grondstoffen lagen opgeslagen. Zoals hierboven reeds aangegeven zijn in deze locaties tevens sporen van MDMA en DNA-sporen van [mededader3] aangetroffen. Ter illustratie hiervan wijst de rechtbank op het feit dat [mededader3] beschikte over de sleutels van de loods aan de [adres] te Roosendaal en de [adres]. Uit de verklaring van [mededader 1] blijkt voorts dat ook medeverdachte [mededader 4] werd aangestuurd door deze broers. Voorts hebben B. en [mededader3] hardware (waaronder ketels en centrifuges) besteld bij het bedrijf Wico. Zij hielden zich derhalve zowel bezig met het regelen van de benodigde hardware als de grondstoffen als de locaties waar de drugs konden worden geproduceerd. Dat deze beide verdachten een centrale rol in de organisatie hebben gespeeld wordt ten slotte ondersteund door de verschillende tapgesprekken, OVC-gesprekken, observaties en plaatsbepalingapparatuur. Zie hiertoe de hierna te noemen afzonderlijke zaaksdossiers.

De verdachte [mededader10]

Na de hiervoor besproken broers moet naar het oordeel van de rechtbank de verdachte [mededader10] gezien worden als belangrijkste schakel in de organisatie.

Bij zijn aanhouding had [mededader10] de sleutel van de vrachtauto met de tabletteermachine en de sleutel van de toegangsdeur van de loods [adres] te Roosendaal op zak. Daarnaast beschikte hij over de afstandsbediening van de toegangspoort en sleutels van de garagedeur van de locatie [adres] in Roosendaal alsmede over de sleutels van de daar aangetroffen witte bedrijfswagen waarin sporen van MDMA zijn gevonden. . De garagebox aan [adres] in Oudenbosch werd door hem gehuurd. De rechtbank leidt hieruit af dat [mededader10] vrijelijk kon beschikken over voornoemde locaties.

[mededader10] is voorts door de getuige [getuige2] herkend als één van de verdachten die wel eens bij hem op het bedrijf is geweest om chemicaliën op te halen.

Ten slotte zijn op diverse locaties op peuken en mondkapjes DNA-sporen van [mededader10] aangetroffen.

Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat [mededader10] zich actief heeft beziggehouden met de huur van locaties en met het productieproces van synthetische drugs.

De verdachte [mededader8]

[mededader8] was vrijwel dagelijks te vinden in de garage aan de [adres]. . Ook maakte hij gebruik van de VW Transporter [kenteken1] die regelmatig gezien werd bij deze locatie. Daarnaast huurde [mededader8] de garageboxen aan de [adres] Roosendaal en [adres] Oudenbosch . Voorts, zo blijkt uit de verklaring van [getuige1], heeft hij de sleutel van de [adres] te Roosendaal onder zich gehad en wetenschap en zeggenschap over de daar gestalde vrachtwagen. Uit dit alles blijkt van de betrokkenheid van [mededader8] bij de huur van enkele locaties en dat hij hiertoe vrije toegang en zeggenschap had. Ten slotte zijn er een aantal opgenomen vertrouwelijke communicatiegesprekken ten aanzien van zaaksdossier 17, waaruit naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan worden afgeleid dan dat daarin wordt gesproken over de inbraak die in een box aan [adres] 1 te Oudenbosch heeft plaatsgevonden. De gesprekken hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [mededader7]. De witte bus die in een van de boxen aldaar is aangetroffen is bovendien later ten aanzien van zaaksdossier 11 ook aangetroffen met goederen en stoffen die gerelateerd kunnen worden aan de productie van synthetische harddrugs.

De verdachten H. [mededader9], A. [verdachte 2] en M. [mededader 4]

Binnen de organisatie zijn tevens actief geweest de verdachten [mededader 4], [verdachte 2] en [mededader9].

Uit de verklaring van [mededader 1] blijkt dat hij in opdracht van [mededader3] en [mededader7] vanaf november 2006 chemicaliën gekocht heeft bij het bedrijf [naam]. [mededader 4] begeleidde aanvankelijk [mededader 1] bij het ophalen van de chemicaliën bij [naam] en regelde daar ook de betalingen. Zowel [mededader 4] als [verdachte 2] zijn herkend door de getuige [getuige2].

Voorts zijn [verdachte 2] en [mededader 4] bij meerdere loodsen en garageboxen gesignaleerd , zijn er camerabeelden van hen en is hun DNA aangetroffen op verschillende locaties. In deze loodsen en garageboxen is een grote hoeveelheid apparatuur, grondstoffen alsmede MDMA sporen aangetroffen. Tevens is gebleken dat [mededader 4] en [verdachte 2] zeer regelmatig samen met [mededader3,7,8] aanwezig waren op de [adres].

De Volkswagen Transporter [kenteken1] op naam van [naam], de partner van [verdachte 2], is gesignaleerd op alle voor het onderzoek relevante locaties. Voorts heeft hij ook andere voertuigen op zijn naam gehad, waaronder een witte bedrijfswagen van het merk Volkswagen met het kenteken [kenteken5] waarin sporen van MDMA zijn aangetroffen. Een aantal van deze voertuigen is gebruikt voor het vervoer van de chemicaliën. Ten slotte heeft verdachte de Mercedes met kenteken [kenteken6] op zijn naam gehad, waarin een tabletteerinrichting is aangetroffen.

Gelet op het bovenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [verdachte 2] en [mededader 4] betrokken zijn geweest vanaf het ophalen van de chemicaliën in België tot en met het regelen van de vervoermiddelen en de opslag van grondstoffen en apparatuur en de locaties. Zij hebben hiermee een wezenlijke rol gespeeld in de criminele organisatie.

[mededader9] heeft een grote hoeveelheid apparatuur voorhanden gehad alsmede ruim 7 kilo MDMA in de woning aan de [adres]. Deze woning, die op naam staat van de zus van [mededader9] wordt tevens gebruikt door [mededader9]. Volgens de verklaring van Hayat [mededader9] zijn ook B. en [mededader3] daar kort voor de doorzoeking gesignaleerd en heeft [mededader9] voornoemde hoeveelheid MDMA voor de broers bewaard. [mededader9] heeft kleurstoffen geregeld bij [naam] en op zijn werkplek is een briefje aangetroffen waarop het eerste deel van het productieproces van synthetische drugs stond beschreven. Voorts is [mededader9] gesignaleerd bij een van de andere locaties te weten de [adres]. Gelet op het bovenstaande concludeert de rechtbank dat er kennelijk tussen [mededader9] en de overige leden van de organisatie een vertrouwensband bestond waardoor aan hem 7 kilo MDMA werd toevertrouwd. In combinatie met de aangetroffen goederen en de overige hiervoor genoemde feiten en omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat ook [mededader9] een wezenlijke rol heeft gespeeld in de organisatie.

De verdachte [mededader 1]

[mededader 1] heeft zelf in zijn verklaringen bij de politie openheid van zaken gegeven over de rol die hij heeft gespeeld. [mededader 1] heeft verschillende voertuigen op zijn naam gehad en is in opdracht van de verdachten [voornaam] en [mededader 3] (1983) meermalen naar [naam] gereden om chemicaliën op te halen. Deze chemicaliën heeft hij vervolgens afgeleverd bij verschillende loodsen en/of garageboxen. [mededader 1] heeft door zijn handelen een rol gehad in het logistieke proces.

Wetenschap bij de verdachten

Gelet op hetgeen reeds onder 4.4.2 is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat alle verdachten wetenschap hebben gehad van de strafbare voorbereidingshandelingen ex artikel 10a Opiumwet. Op grond van de hierboven geconstateerde feiten en handelingen van verdachten, in onderlinge samenhang bezien en blijkend uit het hierboven omschrevene alsmede uit de uitgewerkte bewijsmiddelen in de hierna te noemen zaaksdossiers onder 4.4.4. staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachten het oogmerk hadden tot het plegen van die voorbereidingshandelingen alsmede tot het produceren van synthetische drugs.

Bewezenverklaring

Gelet op al hetgeen hiervoor is vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van verdachte is voldaan aan alle wettelijke vereisten die artikel 140 van het wetboek van strafrecht juncto artikel 11a van de Opiumwet stelt om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid en 10a van de Opiumwet.

4.4.4 Bewijsmiddelen

Zaaksdossier 1: [adres]

Bij een doorzoeking op 29 maart 2008 zijn in dit pand verschillende goederen en stoffen aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan de productie van synthetische drugs, te weten een vrachtauto met in de laadruimte een tabletteermachine (Mercedes [kenteken6]), destillatieketels, kristallisatieketels, zeven, kleurstoffen, kuipen, tonnen talkpoeder, lactose, sporttassen, een aantal pillen en poeder bevattende MDMA, centrifuges met aan de binnenzijde MDMA, door de hele ruimte verspreid XTC-pillen en een stofzuiger met in de stofzuigerzak onder andere 125 XTC-pillen en poeder bevattende MDMA.

Het pand [adres] stond oorspronkelijk op naam van [voornaam] [getuige1]. Volgens getuige [getuige5] wilde [verdachte 2] de huur van dit pand overnemen van garage [getuige1]. [getuige1] heeft aangegeven dat hij in januari 2008 een set sleutels aan [mededader 3] (1983) heeft gegeven en dat Twanneke weliswaar de nieuwe huurder zou worden maar dat [mededader 3] (1983) er steeds tussen zat. Deze Twanneke en [voornaam] (1983) hebben volgens [getuige1] samen in de loods [adres] gewerkt.

Aan getuige [getuige1] is een fotokopie van de identiteitskaart van [verdachte 2] getoond. [getuige1] heeft verklaard dat dit de persoon is die hij bedoelt met Twanneke. In tapgesprekken wordt [verdachte 2] steeds Twan/Twanneke genoemd door onder andere [mededader3]. Voorts heeft [verdachte 2] verklaard dat hij de enige gebruiker van het mobiele nummer 06-[gsm-nummer] is.

[mededader 3] (1983) heeft bij zijn aanhouding de sleutel van de loods [adres] te Roosendaal onder zich.

De Volkswagen Transporter [kenteken1] is in de periode van 8 december 2007 tot en met tot 29 maart 2008 meerdere keren in de omgeving van de [adres] locatie geweest.

De Audi A3 [kenteken4] is gebruikt door [mededader 3] (1983), [mededader8] en Bouhdaid. Dit voertuig is op 28 januari 2008 en op 4, 6 en 12 maart 2008 in de directe omgeving van deze locatie geweest.

De Mercedes [kenteken6] waarin de hiervoor genoemde mobiele tabletteermachine en de resten verdovende middelen werden aangetroffen stond op naam van [verdachte 2].

De vloer van de laadruimte van deze vrachtauto was recent uitgezogen gelet op de laag poeder onder de pallet waar de tabletteermachine op stond en de resten poeder die zich langs de wand onder de geribbelde geluidsisolatiematten bevond. Achter de vrachtauto stond een tafeltje met daarop een stofzuiger. De stofzuigerzak werd nader onderzocht en daarin werden aangetroffen (naast eerdergenoemde XTC-pillen en MDMA-poeder) diverse sigarettenpeuken. Door [verbalisant8] werd gesteld dat gelet op de overeenkomst in logo, kleur en afmetingen van de in de stofzuigerzak aangetroffen MDMA bevattende pillen deze zeer waarschijnlijk afkomstig waren uit de recent schoongemaakte laadruimte van de voornoemde vrachtauto.

In deze Mercedes zijn verder ook meerdere sigarettenpeuken aangetroffen, die bemonsterd zijn op DNA. Deze sporen hebben de inbeslagnamecodes A.01.01.001, A.01.01.002 en A.01.01.003 meegekregen. Deze sporendragers kregen respectievelijk de identificatienummers CKA651, CKA652 en CKA653. Deze nummers zijn vervolgens omgenummerd naar de nummers AABH9756NL#1, AABH9757NL#1 en AABH9758NL#1 en AABH9768NL#1. Met betrekking tot deze spoornummers heeft het NFI in een rapport opgenomen dat het DNA van [mededader 3] (1976) en [mededader 4] afkomstig kan zijn.

[voornaam] [mededader7] heeft bij zijn aanhouding tevens de sleutel van de vrachtauto met de tabletteermachine en de sleutel van de toegangsdeur van de loods [adres] te Roosendaal onder zich. Bovendien draagt hij kleding die overeenkomt met de kleding van de man met een Noord-Afrikaans uiterlijk die op 28 maart 2008 de deur van deze loods afsluit en de deurknop afveegt.

De rechtbank heeft uit enkele telefoongesprekken en sms-berichten tussen een persoon en [mededader3] afgeleid dat zij elkaar op 15 maart 2008 rond 06:00 uur in de ochtend zouden treffen. Op zaterdag 15 maart 2008 omstreeks 06:08 uur werd door opsporingsambtenaren gezien dat een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken10] op naam van [mededader9] met twee personen vanuit Oudenbosch richting Roosendaal reed. Vervolgens werd gezien dat de Volkswagen Polo naar een industrieterrein, gelegen op de [adres], reed. Omstreeks 14:34 uur werd gezien dat een lichtgekleurde Volkswagen Polo vertrok van het perceel gelegen aan de [adres] De bestuurder van dit voertuig werd herkend als [mededader9].

Gelet op voornoemde gang van zaken kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat het hier om [mededader7] en [mededader9] is gegaan. Nu uit observaties niet is gebleken dat er in de tijd gelegen tussen 06:08 uur en 14:34 uur een persoon de locatie [adres] heeft verlaten, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [mededader3] en [mededader9] in de tussenliggende tijd op deze locatie aanwezig zijn geweest.

Zaaksdossier 3: [adres]

Op 29 maart 2008 worden in een loods aan de [adres]) [mededader 3] (1983), [voornaam] [mededader7], Azdin [mededader5] en Moussa [mededader 4] als verdachten aangehouden.

Op 29 maart 2008 vindt er een doorzoeking plaats van het bedrijfspand aan de [adres]. Tijdens die doorzoekingen worden schriftelijke bescheiden, mobiele telefoons, een groene VW Transporter met kenteken [kenteken1] en een Mercedes met kenteken [kenteken7] in beslag genomen. In beide voertuigen worden goederen aangetroffen die gerelateerd konden worden aan de productie van synthetische drugs.

Tijdens het onderzoek van de Mercedes wordt een doos met plastic zakken met poederresten en een zakje met wit poeder aangetroffen. Dit poeder wordt bemonsterd en voorzien van het nummer C.03.7.20-01. Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna NFI) heeft in een rapport opgemerkt dat het wit poeder lactose betrof. De rechtbank stelt vast dat verbalisanten hebben opgemerkt dat lactose een stof is die als hulpstof wordt gebruikt in XTC-pillen en bij het tabletteren van deze pillen.

In de Mercedes is tevens een potje aangetroffen, welke was gevuld met rood poeder. Dit poeder is bemonsterd onder het nummer C.03.7.1.2.9. Het NFI heeft echter vastgesteld dat het geen verdovend middel was. Wel hebben verbalisanten opgemerkt dat tijdens het productieproces van synthetische drugs gebruik wordt gemaakt kleurstoffen om XTC-pillen van een kleur te voorzien.

[mededader 3] (1983) heeft in een gesprek met een verbalisant aangegeven dat de auto waarin hij reed op de dag van de aanhouding van Moussa was. De verbalisant heeft geconstateerd dat de auto, een Mercedes met kenteken [kenteken7], op naam van Moussa [mededader 4] staat.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ook de VW Transporter is onderzocht op sporen. In deze bestelbus is een cementmolen aangetroffen, waarop enkele sporen zijn veiliggesteld en voorzien van de nummers C.03.6.1.6.1 –SIN AAAD0302NL, C.03.6.1.6.2 –SIN AAAD0303NL en C.03.6.1.6.3 –SIN AAAD0304NL. Er werd een positieve indicatie van de aanwezigheid van MDMA verkregen.

In de VW Transporter is tevens een mondkapje aangetroffen en veiliggesteld onder nummer C.BZA.09. Uit het rapport van het NFI is gebleken dat de vlekjes die op het mondkapje zaten MDMA bevatten.

In de VW Transporter zijn verder ook 2 sigarettenpeuken aangetroffen, die bemonsterd zijn op DNA. Deze sporen hebben de nummers FBA261 en FBA262 meegekregen. Op 30 maart 2008 vindt er wederom een doorzoeking plaats van [adres]. Aan de achterzijde van het pand wordt vervolgens een verborgen ruimte ontdekt. In die ruimte wordt een grote hoeveelheid chemicaliën verpakt in jerrycans aangetroffen. Het gaat dan om ongeveer 2900 liter aceton, mierenzuur, zoutzuur en formamide. De bestickering van de jerrycans is identiek aan de stickers die worden aangetroffen bij een doorzoeking [adres]ragebox aan de [adres].

In de verborgen ruimte worden ook een aantal sigarettenpeuken aangetroffen. Deze zijn eveneens op DNA bemonsterd onder de nummers BQA429 en BQA433. Deze nummers en de nummers die aan de sigarettenpeuken die in de VW Transporter zijn aangetroffen, zijn vervolgens omgenummerd naar de nummers AABH9764NL#1, AABH9765NL#1, AABH9766NL#1 en AABH9768NL#1. Met betrekking tot deze spoornummers heeft het NFI in een rapport opgenomen dat het DNA van [mededader 3] (1976) afkomstig kan zijn.

Uit een observatie op 6 november 2007 blijkt dat [mededader8] in Peugeot met kenteken [kenteken8] over de [adres] rijdt en vervolgens het bedrijf binnen gaat.

Ook [mededader3] wordt gezien. Hij rijdt in een VW golf kenteken [kenteken9] eveneens over de Industrieweg te Oudenbosch en parkeert zijn auto en gaat binnen het bedrijf dat gevestigd is aan de [adres].

Ook op die dag wordt gezien dat er een persoon rijdt in een VW Polo met het kenteken [kenteken10] over de industrieweg te Oudenbosch. Deze persoon parkeert de auto bij het bedrijf aan de [adres] en gaat het bedrijf binnen. De VW Polo met kenteken [kenteken10] staat volgens verbalisanten op naam van Hakim [mededader9]. Gezien wordt dat [mededader3] meerdere keren kort achter elkaar van de [adres] vertrekt naar garagebox [adres] 10 te Oudenbosch om vervolgens weer terug te keren naar Car Palace.

Op 9 januari 2008 heeft er observatie plaatsgevonden waarbij gezien is dat [mededader 3] (1983) wordt gezien als bestuurder van een Audi A3 met kenteken [kenteken4]. Vervolgens wordt gezien dat deze auto geparkeerd staat bij de [adres].

Tijdens een observatie op 18 maart 2008 wordt [mededader3] gezien als bestuurder van een VW Golf met kenteken [kenteken9], terwijl hij rijdt over de [adres] in Oudenbosch. Later wordt de auto gezien voor het pand [adres].

De rechtbank stelt voorts vast dat het zaaksdossier een flink aantal tapgesprekken bevat, waarin onder andere [mededader8] en [mededader3] voorkomen. Deze gesprekken gaan veelal over de garage. Ook is er een gesprek tussen [mededader4] en [mededader3] getapt, waarin [mededader 4] aangeeft in de garage te zijn. De getapte gesprekken beslaan een periode van 17 november 2007 tot 26 maart 2008. Op 8 februari 2008 wordt een opmerkelijk gesprek tussen [mededader3] en een ander persoon getapt. Zij hebben het in dat gesprek over de Turk die de huur drie maanden niet betaald heeft. Getuige [getuige6], de verhuurder van het pand aan de [adres] heeft verklaard dat vanaf december 2007 tot 21 februari 2008 door Autohuis Brabant geen huur was betaald. Vanaf 1 november 2007 was Autohuis Brabant inderdaad gevestigd op [adres]. De bedrijfsvoerder op dat moment [getuige3]]

Getuige [getuige7] heeft verklaard over een bestelling door een persoon van 6 slaapkamers. De slaapkamers moesten afgeleverd worden aan de [adres]. Getuige [getuige7] is een aantal foto’s getoond. Hij heeft daarbij [mededader 3] (1983) aangewezen als de persoon die de slaapkamers heeft besteld.

Bij de fouillering van [mededader 3] (1983) zijn sleutels aangetroffen waarmee de sloten van de toegangsdeur van [adres] te openen waren.

[mededader5] heeft verklaard dat hij vanaf november 2007 zwart werkte in het bedrijf aan de [adres]. Daar heeft hij in ieder geval gezien dat [voornaam] en [mededader3] kwamen en naar de ruimte boven het garagebedrijf gingen. In die ruimte mochten normale klanten van het bedrijf niet komen. Ook [mededader8] kwam wel eens in het bedrijf. Op de dag van zijn aanhouding stond er een groene VW busje. Volgens [mededader5] reed iedereen in dat busje.

In hetzelfde verhoor verklaart [mededader5] dat hij als enige gebruikt maakt van een mobiele telefoon met het telefoonnummer 06-34119023. Uit tapgesprekken blijkt dat hij met een ander spreekt over het naar de kapper gaan. Voorts wordt duidelijk dat [mededader5] in gesprekken opdrachten krijgt om bepaalde dingen te doen. Zo moet hij buiten moet gaan kijken omdat er een man staat. Ook moet hij chips gaan halen, waarna verdachte wordt uitgescholden, omdat hij het kennelijk niet goed gedaan heeft.

De huurder van het pand aan de [adres], [getuige3], heeft verklaard dat [mededader8] dagelijks in het pand was. [mededader3] kent hij ook. Hij weet dat zij en anderen om hen heen gebruik maakten van een groen VW Transporter. De naam [voornaam] zegt hem wel iets en verder kent hij ook een persoon genaamd Moussa. [voornaam], [mededader8], [voornaam] en Moussa kwamen enkele dagen in de week in zijn bedrijf en dan gingen ze boven zitten.

Ook [getuige1] noemt deze namen. Hij heeft het voorts over een “Twanneke”. [getuige1] wordt een foto getoond van [verdachte 2] en hij verklaart vervolgens dat dat “Twanneke” is. [getuige1] heeft voorts met betrekking tot de garage aan de [adres] verklaard dat als [voornaam], [voornaam], Moussa, [mededader8] en Twanneke binnen waren, de deur altijd dicht moest. De Marokkanen waren er volgens hem dagelijks. Ten slotte verklaart [getuige1] ook over een keer dat hij [mededader 3] (1983) tot zijn verrassing ’s avonds in het bedrijf aan de [adres] aantrof. Voorts heeft hij over de groene VW Transporter verklaard dat deze door [voornaam] of [voornaam] gebracht was.

[mededader6] heeft eveneens verklaard dat de broers [voornaam], [mededader8] en [voornaam] veelvuldig in het bedrijf aan de [adres] kwamen, waarbij zij gebruik maakten van een groene VW Transporter. Volgens [mededader6] was [mededader8] in het bezit van een sleutel. Hij heeft wel eens gezien dat er een rode VW Transporter in het achterste gedeelte stond. Ook Moussa en Twanneke waren er wel eens, waarbij Twanneke wel eens met een groene VW Transporter kwam.

[getuige4] heeft verklaard dat twee mannen gebruik maakten van de groene VW Transporter.

Hij heeft deze mannen middels een spiegelconfrontatie herkend. Het betrof [mededader 3] (1983) en [mededader 4].

[verdachte 2] heeft in een verklaring aangegeven dat hij een VW Transporter en een Mercedes bakwagen op zijn naam heeft staan. Deze voertuigen zou hij hebben gestald in het bedrijf aan de [adres]. Hij heeft voorts verklaard dat hij alleen gebruik maakt van een mobiele telefoon met het telefoonnummer 06-[gsm-nummer] en dat hij de telefoon met dit nummer al een paar jaar heeft.

Zaaksdossier 5: [adres] 7 te Oudenbosch

Tijdens de doorzoeking op dit adres op 29 maart 2008 werden onder andere de navolgende goederen in beslag genomen: stempels voor een tabletteermachine met logo AP, een mondkapje, een sealmachine, een drukvat (bestemd voor de vervaardiging van synthetische drugs, in een metalen kist op wielen), een motor voor een drukvat, een navigatiesysteem Tom Tom, circa 7160 gram MDMA , zakjes met blauwe kleurstof (afkomstig van het bedrijf [naam]) en een plastic zak met afval, waaronder gripzakjes, tiewraps, handschoenen en enkele pillen voorzien van AP-logo.

De Audi A3 [kenteken4] is op 20 en 22 november 2007, op 5 en 16 december 2007 en op 31 januari 2008 en 10 februari 2008 in de directe omgeving van deze locatie geweest.

Ten tijde van deze bevindingen stond dit voertuig op naam van [mededader 3] (1983).

De VW Transporter [kenteken1] bevond zich op 2 en 26 maart 2008 in de directe omgeving van de [adres].

Eén van de “recente bestemmingen” in de Tom Tom, die werd aangetroffen in de Volkswagen Polo [kenteken10] op naam van [mededader9] – waarin overigens de aanwezigheid van MDMA werd aangetoond – was het adres [adres] te ‘s-Hertogenbosch. Dit betreft het adres van het bedrijf [naam]. Het adres [adres] 41 te Oudenbosch dat in het navigatieapparaat was ingevoerd als “thuis” is de ouderlijke woning van [mededader9].

Getuige [getuige8] is mede-eigenaar van [naam]. Volgens hem zijn er op 27 november 2007 vier blauwe zakjes kleurstof verkocht aan [mededader9].

In een sms-bericht aan [mededader3] wordt vermeld “heb die blauwe bal gehaald”. In een later sms-bericht gaat het over “op de plank ligt ook nog een blauwe zak chips die je nodig zult hebben”. Tijdens de doorzoeking werden er zakjes met blauwe kleurstof, afkomstig van [naam], aangetroffen in de televisiekast in deze woning.

Op de [adres] 7 stond de zus van [mededader9] ingeschreven. Deze Hayat [mededader9] heeft gezien dat een week voor de inval de broers [voornaam] en [voornaam] de woning [adres] 7 te Oudenbosch binnengingen. Voorts heeft zij verklaard dat [mededader9] tegen haar heeft gezegd dat hij de spullen moest bewaren voor [voornaam] (1983) en [voornaam]. [mededader9] had sinds 3 oktober 2007 een sleutel van haar woning. Zelf verbleef zij elders.

Zaaksdossier 7: [adres] 10 te Oudenbosch

Op 29 maart 2008 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de garagebox aan de [adres] 10 te Oudenbosch. De navolgende goederen werden in beslag genomen: een jerrycan, 4 propaan gasflessen, messen uit een maalmachine, een weegschaal, een kartonnen doos met twee vuilniszakken met wit poeder, 3 maatbekers, 2 gardes, een maatschep, 2 ph testers, een doos met wit poeder, een gelaatsmasker, 6 tonnen, 2 speciekuipen, 2 isolatieslangen, vacuümzakken, afdekfolie, een koolstoffilter en een persapparaat. Het LFO heeft monsters genomen uit een jerrycan, brokjes vanaf messen van een maalmachine en van wit poeder van twee vuilniszakken. Het NFI heeft deze monsters onderzocht en geconcludeerd dat het monster bruine vloeistof uit de jerrycan MDMA en PMK bevat en dat het monster beige brokjes van de messen van de maalmachine MDMA bevat.

Deze garagebox werd gehuurd door de vader van [mededader3,7,8].

De VW Transporter VP-ZG-94 werd tijdens een observatie op 15 juni 2007 gezien bij [naam] te Brugge. Daar werd een hoeveelheid zoutzuur opgehaald. Vervolgens reed het voertuig naar een garagecomplex aan de [adres] tussen de percelen 117 en 119. De bestuurder was druk doende tussen één van de garageboxen en het voertuig. Hierna reed de VW Transporter richting Roosendaal en maakte hij contact met de bestuurder van een personenauto, merk Audi, type A3, met kenteken [kenteken11], ten name van Moussa [mededader 4]. Enige tijd later reden beide voertuigen de [adres] in. De Transporter werd vervolgens waargenomen bij een pleintje met garageboxen aan de [adres] 13 t/m 23 te Oudenbosch, alwaar enkele minuten later ook de voornoemde Audi A3 werd waargenomen.

Vrijwel direct hierna vertrok van hetzelfde pleintje een groene Peugeot 206, kenteken [kenteken8], ten name van [verdachte 2]. Ongeveer 10 minuten nadat de Transporter voor de eerste maal op het pleintje werd gezien, werd waargenomen dat de Transporter niet meer op dit pleintje stond, terwijl deze de wijk niet was uitgereden.

Op 28 juli 2007 werd waargenomen dat een nn-man de kanteldeur van de garagebox opende en dat in de garagebox een groene Volkswagen Transporter [kenteken1] geparkeerd stond. Deze reed vervolgens weg, gevolgd door een donkerkleurige Peugeot 106.

Op 29 juli 2007 werd waargenomen dat een Fiat Bravo [kenteken12] bij de garagebox arriveerde. De bestuurder opende vervolgens de kantelpoort. Het kenteken van dit voertuig is afgegeven op naam van [mededader8]. Enige tijd later arriveerde een groene Peugeot 106 met kenteken [kenteken8]. Dit voertuig staat op naam van [verdachte 2].

Op 31 juli 2007 werd de auto van [mededader8] wederom gezien bij deze garagebox. Ook arriveerde een zwarte Peugeot 106 [kenteken13] bij de garagebox. Het kenteken van dit voertuig is in 2007 drie keer van tenaamgestelde veranderd, maar stond steeds op naam van een persoon die in relationeel opzicht verbonden was met de [mededader3,7,8]: eerst de vrouw van [mededader 3], vervolgens de zus van [mededader8], [voornaam] en [mededader3] en ten slotte op naam van [verdachte 2].

Op 1 augustus 2007 werden de groene VW Transporter [kenteken1], de rode Peugeot 106 [kenteken14] en de groene Peugeot 106 [kenteken8] waargenomen bij de garagebox. De twee laatstgenoemde kentekens zijn afgegeven op naam van [verdachte 2].

Eén van de mannen op de foto’s van 1 augustus 2007 is geïdentificeerd als [verdachte 2].

De man op de foto’s van 29 en 31 juli 2007 is geïdentificeerd als [mededader 4]. Tevens is op foto’s van diezelfde dagen geïdentificeerd de [mededader3].

De getuige en tevens medeverdachte [mededader 1] moest onder andere in deze garagebox busjes met chemicaliën wegzetten. Die chemicaliën had hij in opdracht van [voornaam] (1983) en [mededader3] bij [naam] in België gehaald.

Voorts heeft [mededader 1] [mededader 4] aangewezen als één van de verdachten die zich bezighield met het transport van de chemicaliën.

Zaak 9 [adres] 117-119 Roosendaal

In de garagebox gelegen op dit terrein vond een doorzoeking plaats op 29 maart 2008, waarbij de volgende goederen werden aangetroffen: een RVS-ketel voor de vervaardiging van synthetische drugs, een loogdoseerder, een verwarmingsmantel en een vacuümpomp. Daarnaast werd en een jerrycan van 5 liter aangetroffen, welke half was gevuld met een vloeistof die sterk rook naar BMK (grondstof die wordt gebruikt voor de productie van amfetamine). Van deze vloeistof is een monster genomen dat het nummer I 007 A heeft meegekregen. Dit monster is vervolgens geanalyseerd door het NFI, waarbij werd vastgesteld dat het vloeistof inderdaad BMK bevatte.

De chemicaliënstickers die werden gezien zijn identiek aan de bestickering van de jerrycans die werden aangetroffen in de verborgen ruimte van de [adres]. Tevens is er een vat aangetroffen dat identiek is aan vaten die zijn gevonden in de verborgen ruimte aan de [adres].

Verbalisanten hebben geconstateerd dat de RVS-ketel in de garage sterk gelijkend is op de RVS-ketel die op de [adres] 7 te Oudenbosch is aangetroffen. De onderdelen die bij de [adres] 7 worden gevonden blijken exact te passen op de ketel die op de [adres] wordt aangetroffen.

De VW Transporter VP-ZG-94 is tijdens een observatie op 15 juni 2007 gezien bij BeVePe in Brugge, alwaar een lading zoutzuur werd opgehaald. Vervolgens ging dit voertuig naar de [adres] in Roosendaal, alwaar een hoop bedrijvigheid wordt waargenomen. Later maakt de bestuurder van dit voertuig contact met de bestuurder van de Audi A3 [kenteken11], op naam van verdachte [mededader 4].

De VW Transporter [kenteken1] is op 18 en 28 februari 2008 en op 2 en 26 maart 2008 in de directe omgeving van deze locatie geweest.

Verdachte [mededader6] heeft verklaard dat hij de huurder van deze garagebox was, maar dat hij deze had onderverhuurd aan [mededader8].

Ten slotte heeft de verdachte [mededader 1] verklaard dat hij verschillende keren chemicaliën heeft gehaald bij BeVePe in België en dat hij deze vervolgens naar de garagebox aan de [adres] 117-119 in Roosendaal heeft gebracht. De opdrachten hiertoe ontving [mededader 1] van [voornaam] (1983) en [mededader3].

Zaaksdossier 10: [adres] 22 te Breda

Bij de doorzoeking op 29 maart 2008 zijn de navolgende goederen in beslag genomen: twee paar handschoenen, een veiligheidsbril, drie mondkapjes (twee gebruikt en één nieuw), 49 lege vaten, 40 gevulde vaten (bruto +/- 26,5 kilo), 35 zakken caustic soda, 115 zakken caustic soda (vol netto 25 kilo) en een sleutel en cilinderslot van de garagepoort.

De aangetroffen mondkapjes zijn bemonsterd en veiliggesteld onder de nummers CKA661 en CKA662. Eén van de gebruikte mondkapjes (CKA661) bevatte DNA van [voornaam] [mededader7]. Een ander mondkapje (CKA662) bevatte DNA van [verdachte 2] , die tevens huurder was van deze garagebox. Bovendien is [verdachte 2] bij een observatie bij deze garagebox herkend en zijn er onder [verdachte 2] en [mededader 4] sleutels/sleutelbossen in beslag genomen die waarschijnlijk te herleiden zijn naar deze locatie.

De VW Transporter [kenteken1] is op 30 november 2007, 23 januari 2008 en 2 maart 2008 in de directe omgeving van deze locatie geweest.

[mededader 1] heeft verklaard dat hij in opdracht van [voornaam] (1983) en [mededader3] chemicaliën heeft gehaald in België en dat hij deze chemicaliën onder andere naar de [adres] 22 in Breda heeft gebracht.

Zaaksdossier 11: [adres] te Roosendaal

Voornoemde VW Transporter met kentekennummer [kenteken1] is voorzien van plaatsbepalingsapparatuur. Geconstateerd werd dat dit voertuig in oktober en december 2007 en in de periode januari tot en met maart 2008 regelmatig in de directe omgeving van de locatie [adres] te Roosendaal heeft bevonden. In de periode november tot en met december 2007 is een Audi A3 met kentekennummer [kenteken4] , op naam van [mededader 3] (geboren in 1983) , meermalen in de directe omgeving van voornoemde locatie geweest.

Tijdens het onderzoek zijn er observaties geweest door middel van een cameraopstelling. Uit deze beelden is gebleken dat op 29 maart 2008 de groene VW Transporter met kenteken [kenteken1] het terrein oprijdt en stopt voor onder andere garagebox vijf. Vanuit die bus wordt een voorwerp garagebox 5 in gedragen.

Op 30 maart 2008 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden van deze garagebox, waarbij een witte VW bedrijfswagen met het kenteken [kenteken5] wordt aangetroffen. Voorts werden er goederen en stoffen, zoals 5 gasflessen monomethylamine, stempels, een jerrycan met formamide, een vacuüm sealapparaat, metalen steunen voor rondbodemkolven, een glazen koeler en een grote hoeveelheid lactose, aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan de productie van synthetische harddrugs.

De in de garagebox aangetroffen VW bedrijfswagen is aan een nader onderzoek onderworpen, waarbij een aantal sporen zijn afgenomen. Deze sporen zijn genummerd K01 (monster wit poeder van de vloer busje), K16 (monster wit poeder uit doos met 20,7 kilo bruto), K29 (monster vloeistof uit jerrycan met 20 liter vloeistof), K33 (monster roze poeder uit sealmachine) en K34(monster roze poeder uit een ander sealmachine). Voorts is gerelateerd dat met de 300 kilo aangetroffen hoeveelheid lactose, ongeveer 450 kilo aan MDMA bevattende pillen kunnen worden geproduceerd. Dit zou neer komen op ongeveer 1,5 miljoen XTC-pillen.

De genoemde sporen zijn vervolgens onderzocht door het NFI en gebleken is dat de sporen K01 en K16 lactose bevatten. Het spoor K29 bevat formamide en de sporen K33 en K34 bevatten MDMA.

De verhuurder van de garagebox heeft verklaard dat hij die sinds 1 november 2004 verhuurde aan ene “Riaz”. Het nummer dat die “Riaz” daarbij opgaf was 06-[gsmnummer] De verbalisanten hebben opgemerkt dat dit telefoonnummer in gebruik is bij [naam echtgenote], zijnde de echtgenote van verdachte en zus van [mededader 3] (1983), [mededader3] en [mededader8].

Verdachte heeft verklaard dat hij de garagebox inderdaad heeft gehuurd, maar vervolgens na 5 of 6 maanden onderverhuurd heeft aan een jongen die hij kent als Hakim uit Etten-Leur. Een achternaam van deze Hakim was hem onbekend. Verdachte zou een sleutel en de afstandsbediening van de toegangspoort aan deze Hakim hebben gegeven. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij gebruik maakt van een mobiele telefoon met een pre-paidnummer en dat hij dit nummer 2 jaar continu in zijn bezit heeft gehad. Verdachte heeft verder verklaard dat hij [mededader3] kent als een zwager van hem, maar dat hij verder geen contact heeft met hem. Over [mededader8] en [mededader 3] wil hij niets zeggen.

Tijdens een tweede verhoor wordt door de verbalisanten aan verdachte aangegeven dat zijn stem in tapgesprekken is herkend als gebruiker van het telefoonnummer 06-[gesmnummer]. De tapgesprekken betreffen gesprekken tussen Rais en [voornaam] en [mededader8]. In deze gesprekken wordt heimelijk en versluierd gesproken. Zo worden de termen “een goed/mooie vrouw”, “vis”, “mint” en “linzen” gebruikt in de gesprekken. Bovendien hebben ze het over hoeveelheden en gewichtsmaten. Bij [voornaam] [mededader7] en [mededader 4] zijn briefjes aangetroffen waar het woord “vis” in ieder geval op terug komt.

Verdachte wordt met deze gesprekken geconfronteerd. Ten aanzien van de meeste gesprekken wil verdachte geen antwoord geven, maar bij één gesprek tussen hem en [mededader3], geeft hij wel inhoudelijk antwoord, waaruit blijkt dat hij zich dit gesprek kan herinneren.

Bij de fouillering van [voornaam] [mededader7] werd een afstandsbediening en een aantal sleutels aangetroffen. De afstandsbediening bleek te horen bij het toegangshek van het perceel waarop de garagebox zich bevond. Met een van de sleutels kon de garagebox worden geopend en een andere sleutel bleek te behoren bij de in de garagebox aangetroffen VW bedrijfsbus met het kenteken [kenteken5].

In de VW bedrijfsbus worden ook een aantal sigarettenpeuken aangetroffen. Deze zijn op DNA bemonsterd met onder andere het nummer BQA421. Dit nummer is vervolgens omgenummerd naar het nummer AABH9770NL#1. Met betrekking tot deze spoornummers heeft het NFI in een rapport opgenomen dat het spoor DNA-nevenprofiel bevat dat van [voornaam] [mededader7] afkomstig kan zijn.

Zaakdossier 15: [adres]

Voornoemde VW Transporter met kentekennummer [kenteken1] is voorzien van plaatsbepalingsapparatuur. Geconstateerd werd dat dit voertuig zich in de periode van 6 november 2007 tot en met 26 maart 2008 regelmatig op dan wel in de directe omgeving van het pa[adres] heeft bevonden. Ditzelfde geldt voor een Audi A3 met kentekennummer [kenteken4] , op naam van [mededader 3] (geboren in 1983).

Ten aanzien van de VW Transporter wordt geconstateerd dat dit voertuig voor het eerst in het dossier wordt gesignaleerd op 21 mei 2007 in verband met het vervoeren van grondstoffen die gebruikt kunnen worden ten behoeve van de productie van synthetische harddrugs.

Het pa[adres] wordt volgens getuige [getuige9] aan de eigenaren van het bedrijf WICO, te weten [mededader12], verhuurd en de naast dit pand gelegen garagebox wordt aan [voornaam] [mededader7] verhuurd. De huur van de garagebox werd aan WICO betaald en de eigenaren van dit bedrijf zorgden ervoor dat het geld bij de verhuurders kwam.

Bij een doorzoeking in de garagebox naast het pand aan [adres] te Oudenbosch werd in een verborgen ruimte een nieuwe RVS-ketel en koeler alsmede 5 waterstofgasflessen en sporen van MDMA aangetroffen. Bovendien werd een metalen koelkast met daarin een MDMA-afscheider aangetroffen. Op die MDMA-afscheider zijn sporen van MDMA aangetroffen.

De eigenaren van WICO, [mededader12], hebben tijdens een meervoudige fotoconfrontatie [mededader 3] (geboren in 1983) herkend als één van de huurders van de garagebox. Tevens wordt [mededader3] door [mededader12] middels een fotoconfrontatie herkend.

De rechtbank stelt vast [mededader12] ten overstaan van de politie heeft verklaard dat het bedrijf WICO door de huurders van de naastgelegen garagebox is benaderd om bepaalde goederen te fabriceren. Er is sprake geweest van 5 bestellingen, waarbij in ieder geval 4 keer geleverd is. De goederen zouden bij de vierde levering onder andere ketels, exchangers en jacketleidingen betreffen.

Tijdens het verhoor [mededader12] zijn hem foto’s getoond van ketels met toebehoren die in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek zijn aangetroffen in een amfetaminelaboratorium in Prinsenbeek. Deze foto’s zijn [mededader12] getoond omdat de ketels met toebehoren dezelfde uiterlijke kenmerken hadden als de in beslag genomen voorwerpen in de garagebox, gelegen op het perceel [adres]. [mededader12] vervolgens een aantal ketels en een exchanger herkend als voorwerpen die door hem gemaakt waren.

Op 1 april 2008 heeft er een sporenonderzoek plaatsgevonden, waarbij een mondkapje aangetroffen welke is bemonsterd en veiliggesteld onder nummer BQA416. Het mondkapje is vervolgens getest en bleek MDMA te bevatten. Tevens bleek er DNA van [mededader 3] (1983) op het mondkapje te zitten.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op tijdstip(pen) in de periode van 1 augustus

2006 tot en met 29 maart 2008 te Oudenbosch, gemeente Halderberge, en

Roosendaal en Breda om tezamen en in vereniging

met anderen, een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden,

bewerken, verwerken, vervoeren van hoeveelhed(en)

van een materiaal bevattende MDMA zijnde (een) middel vermeld op

de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,

- zich of een ander gelegenheid en middelen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en

- voorwerp(en) en vervoermiddel(en) en

stof(fen) voorhanden heeft gehad waarvan hij wist, dat zij

bestemd waren tot het plegen van die feit(en),

immers hebben hij en/of één van zijn, verdachtes, mededaders

opzettelijk daartoe:

- meerdere, vervoermiddel(en) gehuurd en geregeld en ter

beschikking gesteld en

- meerdere, garagebox(en) en loods(en) gehuurd of geregeld en

- chemicaliën (waaronder aceton en/of benzylmethylketon (BMK) en/of formamide

en/of methanol en/of mierenzuur en/of monomethylamine en/of natriumhydroxide

en/of zoutzuur en/of zwavelzuur) en/of caustic soda en/of vulmiddel(en)

(waaronder lactose) en/of kleurstof(fen) besteld en vervoerd en

opgeslagen en voorhanden gehad en

- (een) tabletteermachine/tabletteerinrichting en/of stempel

en

- drukvat(en) en/of verwarmingsmantel(s) en/of een vacuumpomp

en/of een loogdoseerder en/of andere apparatuur ten behoeve van de productie

van synthetysche drugs besteld en laten maken en/of gekocht en voorhanden gehad.

2.

in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 29 maart 2008 te

Oudenbosch, gemeente Halderberge, en Roosendaal en Breda heeft deelgenomen aan een organisatie, welke gevormd werd door hem,

verdachte en S. Bouali (geboren 1983) en S. Bouali (geboren 1976) en

M. [mededader 4] en [mededader7] en [mededader8] en een of meer andere personen,

welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in

artikel 10, derde, vierde lid, 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op waarbij de rechtbank opmerkt dat sprake is van samenloop in de zin van artikel 55 van het wetboek van strafrecht.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring volstaan kan worden met een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd doorgebracht in voorarrest.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachten hebben zich zowel schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet als aan de productie van MDMA, dit alles in georganiseerd verband. De organisatie heeft langdurig en op grote schaal geproduceerd. Er was sprake van een professionele werkwijze die onder andere bleek uit de grote hoeveelheid locaties, uit de wisselende tenaamstellingen van de verschillende voertuigen, uit de verrijdbare productie-installaties alsmede uit de grote hoeveelheid aangetroffen chemicaliën en apparatuur. De organisatie heeft het gehele productieproces in eigen beheer gehad, van het ophalen van de grondstoffen tot aan het produceren van de MDMA.

De rechtbank rekent dit verdachten zwaar aan.

De productie van en handel in synthetische harddrugs dient krachtig te worden bestreden in verband met de schadelijkheid voor de volksgezondheid. Het gebruik van deze harddrugs brengt immers gezondheidsrisico's mee zoals de mogelijkheid van blijvende schade aan het centrale zenuwstelsel.

Naast het gevaar voor de volksgezondheid schuilt in de productie van synthetische harddrugs gevaar voor schade aan het milieu, veroorzaakt door dumpingen van vrijkomende chemische afvalstoffen en op het ontploffingsgevaar dat bij de productie van dergelijke drugs aanwezig is.

De rechtbank heeft specifiek gekeken naar de rol die verdachte bij de afzonderlijke feiten en de criminele organisatie in zijn totaliteit heeft gespeeld. Hierbij heeft de rechtbank de rol van verdachten [verdachte 2] en [mededader 4] gelijkwaardig geacht en zal hen derhalve een gelijke gevangenisstraf opleggen. Hiermee is de rechtbank weliswaar boven de eis van de officier van justitie uitgegaan maar in het licht van het hiervoor overwogene ziet de rechtbank geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar noodzakelijk is.

7 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat de strafbare feiten zijn begaan met behulp van dit voorwerp.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 47, 55, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a, 11a, 13 en 14 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, tezamen en in vereniging met anderen voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd, in eendaadse samenloop gepleegd met:

feit 2: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10a eerste lid van de Opiumwet;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de bestelauto, merk Mercedes met kenteken [kenteken6].

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Tempelaar en mr. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten en mr. Tafazzul, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 maart 2009.

Mr. Alferink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus

2006 tot en met 29 maart 2008 te Oudenbosch, gemeente Halderberge, en/of

Roosendaal en/of Breda en/of elders in Nederland om tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, een feit, bedoeld in het vierde of

vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden,

bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen

en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en)

van een materiaal bevattende MDMA en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) van een

materiaal bevattende amfetamine, (telkens) zijnde (een) middel(len) vermeld op

de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- (telkens) zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- (telkens) (een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een)

stof(fen) en/of gelden en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft

gehad waarvan hij wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat zij

bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben hij en/of zijn, verdachtes, mededaders (telkens)

opzettelijk daartoe:

- meerdere, althans een, vervoermiddel(en) gehuurd en/of geregeld en/of ter

beschikking gesteld en/of

- meerdere, althans een, garagebox(en) en/of loods(en) en/of bedrijfsruimte(s)

gehuurd en/of geregeld en/of ter beschikking gesteld en/of

- chemicaliën (waaronder aceton en/of benzylmethylketon (BMK) en/of formamide

en/of methanol en/of mierenzuur en/of monomethylamine en/of natriumhydroxide

en/of zoutzuur en/of zwavelzuur) en/of caustic soda en/of vulmiddel(en)

(waaronder lactose) en/of kleurstof(fen) besteld en/of vervoerd en/of

opgeslagen en/of voorhanden gehad en/of

- (een) tabletteermachine(s)/tabletteerinrichting(en) en/of (een) stempel(s)

en/of

- (een) drukvat(en) en/of (een) verwarmingsmantel(s) en/of een vacuumpomp

en/of een loogdoseerder en/of andere apparatuur ten behoeve van de productie

van synthetysche drugs besteld en/of laten maken en/of gekocht en/of ter

beschikking gesteld en/of voorhanden gehad; (zaaksdossiers 1, 3, 5, 7, 9, 10, 11, 15)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 29 maart 2008 te

Oudenbosch, gemeente Halderberge, en/of Roosendaal en/of Breda en/of elders in

Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke gevormd werd door hem,

verdachte en/of S. Bouali (geboren 1983) en/of S. Bouali (geboren 1976) en/of

M. [mededader 4] en/of [mededader7] en/of [mededader8] en/of een of meer andere personen,

welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in

artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, en/of 11, derde,

vierde en vijfde lid van de Opiumwet; (zaaksdossier 19)

art 11a lid 1 Opiumwet