Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BH6676

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
AWB 06/3351
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende te kwader trouw bij afboeken van een voorziening

Naar het oordeel van de rechtbank moet belanghebbende gezien zijn beroep (het drijven van een belastingadviespraktijk en administratiekantoor) geweten hebben dat de vrijval van een voorziening in beginsel leidt tot een bedrag aan belastbare winst. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende opzettelijk de vrijval slechts als vermogensmutatie heeft aangegeven, zodat sprake is van kwader trouw en navordering gerechtvaardigd is. De boete wordt gematigd vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende en verder gematigd wegens undue delay.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0612
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3351

Uitspraakdatum: 27 januari 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 121.388, alsmede bij beschikking een boete vastgesteld van € 22.471.

1.2. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 18 mei 2006 de navorderingsaanslag en de boete gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 27 juni 2006, per fax ontvangen bij de rechtbank op diezelfde dag, beroep ingesteld. Belanghebbende heeft tevens beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar tegen de navorderingsaanslag premie arbeidsongeschiktheids¬verzekering zelfstandigen (WAZ) over het jaar 2001 en de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, premie ziekenfondswet en premie WAZ over het jaar 2002. Ter zake van al deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1941, heeft, in elk geval tot en met het jaar 2006, een onderneming gedreven, bestaande uit een belastingadviesbureau en administratiekantoor. Belanghebbende was in elk geval in de jaren 2001 en 2002 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAO-uitkering.

2.2. Belanghebbende stelde jaarlijks zelf de jaarstukken van de onderneming op en vulde zelf zijn aangifte inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen in. In de jaarstukken van het jaar 1994 heeft belanghebbende ten laste van de winst een voorziening gevormd van ? 201.000 in verband met een aansprakelijkheidsclaim van een cliënt ([belanghebbende]) voor vermeend onjuiste advisering. Over de claim is geprocedeerd. Belanghebbende is uiteindelijk in het gelijk gesteld bij uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch van 18 juli 2000.

2.3. In een brief van 22 december 2001 heeft belanghebbende aan de inspecteur onder meer geschreven:

“Bij vonnis van de Rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 29 mei 1998 werd de claim van [belanghebbende] afgewezen. Bij exploot van dagvaarding van 17 augustus 1998 werd door hem hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof. Het Hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank bij zijn arrest van 18 juli 2000.

Derhalve pas in juli 2000 leek de dreiging voorlopig voorbij, zodat de voorziening zou kunnen vrijvallen.

Echter uit dreigementen van [belanghebbende] moest ik opmaken, dat hij in cassatie zou gaan, dan wel een andere procedure zou aanspannen en hetzelfde bedrag zou claimen. Alle kwade kansen op verlies van de procedure lagen nog open. Goed koopmansgebruik rechtvaardigde derhalve de handhaving van de voorziening voor het boekjaar 2000, omdat er nog een reële dreiging bestond. (…)

Vast staat in ieder geval dat de voorziening van ? 201.000,- terecht op de eindbalansen van de jaren 1998, 1999 en 2000 wordt gehandhaafd.”

2.4. In de jaarstukken 2001 heeft belanghebbende de voorziening laten vrijvallen ten gunste van de kapitaalrekening van de onderneming. Het bedrag van ? 201.000 (€ 91.210) heeft hij niet tot de winst gerekend. De inspecteur heeft de aanslag opgelegd conform de aangifte. Met dagtekening 6 mei 2005 heeft de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd waarbij de aangegeven winst is verhoogd met € 91.210. Het bedrag van de navordering is € 44.942. Tevens is een vergrijpboete opgelegd van 50% van de verschuldigde belasting of € 22.471.

2.5. De inspecteur heeft tevens, tot behoud van rechten, bij de aanslagregeling over het jaar 2002 het bedrag van € 91.210 tot de winst gerekend.

2.6. Belanghebbende leeft van een AOW-uitkering en enige winst uit de nog steeds voor zijn rekening gedreven onderneming.

3. Het geschil

3.1. In geschil is of navordering geoorloofd is omdat belanghebbende ter zake van het niet aangeven van het bedrag van € 91.210 te kwader trouw was. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend. Tevens is in geschil of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, van de navorderingsaanslag en de boete.

3.4. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank stelt voorop dat de vrijval van een ten laste van de winst gevormde voorziening, waarvan hier sprake is, in beginsel leidt tot een bedrag aan belastbare winst tot het bedrag van de vrijgevallen voorziening. Dat in dit geval sprake zou zijn van een uitzondering op deze algemene regel is gesteld noch gebleken. Belanghebbende heeft het bedrag van de vrijval derhalve ten onrechte als vermogensmutatie aangegeven. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij met belanghebbende (zie 2.3.) van oordeel is dat de voorziening diende vrij te vallen in 2001 aangezien blijkbaar in dat jaar kwam vast te staan dat belanghebbende niets op de claim van [belanghebbende] behoefde te betalen.

4.2. Van kwade trouw is sprake als belanghebbende de vrijval opzettelijk onjuist heeft aangegeven of belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de aangifte wat betreft de vrijval onjuist was maar zich daardoor niet heeft laten weerhouden de aangifte te doen zoals hij heeft gedaan, en zich aldus willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen.

4.3. Belanghebbende drijft een belastingadviespraktijk en administratiekantoor en maakt zelf de jaarstukken van zijn onderneming op. De rechtbank acht aannemelijk dat belang¬hebbende, gezien zijn beroep, moet hebben geweten wat de fiscale gevolgen waren van de vrijval van de voorziening. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat belanghebbende opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan en dat hij wist dat het bedrag van de vrijgevallen voorziening tot de belastbare winst behoorde. Derhalve is belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw en is navordering mogelijk. Daarvan uitgaande is de juistheid van de aanslag blijkbaar niet in geschil.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht een vergrijpboete heeft opgelegd, nu belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan en het daaraan te wijten is dat bij de primitieve aanslag te weinig belasting is geheven. De rechtbank zal de boete echter matigen in verband met de door belanghebbende onweersproken gestelde financiële omstandigheden van belanghebbende. Uitgaande van de leeftijd van belang¬hebbende, een geringe jaarwinst - de rechtbank gaat er van uit dat de jaarwinst thans niet veel hoger zal zijn dan de winsten over de jaren 2001 en 2002, exclusief de vrijval van de voorziening - en het gegeven dat belanghebbende verder alleen een AOW-uitkering geniet, treft naar het oordeel van de rechtbank een boete van € 22.471 belanghebbende onevenredig zwaar. De rechtbank zal de boete terugbrengen tot € 2.500, welk bedrag de rechtbank passend en geboden acht. Nu de navorderingsaanslag is opgelegd op 6 mei 2005 en de rechtbank meer dan drie jaar daarna uitspraak doet, acht de rechtbank een verdere vermindering van de boete met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn geboden. De boete wordt op deze gronden verminderd tot € 2.000.

4.5. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het beroep gegrond is voor zover het de boete betreft en voor het overige ongegrond.

5. Proceskostenvergoeding

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank beschouwt de beroepen in alle onder 1.3. vermelde beroepschriften als samen¬hangend. De proceskosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 724,50 (1,5 punt voor proceshandelingen (beroepschrift en repliek x € 322) x factor 1 wegens de zwaarte van de zaak x factor 1,5 wegens meer dan 3 samenhangende zaken). Daarvan wordt 1/4e deel of € 182 toegekend in deze zaak.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking;

- vermindert de boete tot € 2.000;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 182, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2009 door mr A.A. den Hartog, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dondorp-Loopstra, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.