Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BH5390

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
09/730
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Gelet op artikel 45, eerste lid, van de Woningwet dient in een bouwvergunning die na toepassing van artikel 17 van de WRO wordt verleend, een instandhoudingstermijn te worden gesteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat een dergelijke instandhoudingstermijn in de bouwvergunning ontbreekt. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat onvoldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden zijn op grond waarvan moet worden aangenomen dat het bouwwerk niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Voorts wordt de bouwvergunning en tijdelijke vrijstelling geschorst tot zes weken na de verzending van de nieuwe beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 09 / 730 WRO VV en 09 / 731 WRO

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[3 verzoekers]

Gevestigd/wonende te Zevenbergen, verzoekers,

gemachtigde mr. H.P.J.G. Berkers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 februari 2009 (bestreden besluit), inzake een bouwvergunning en vrijstelling van het bestemmingsplan voor een tijdelijk onderwijsgebouw op het perceel [adres perceel] (het evenemententerrein) te Zevenbergen.

Tevens hebben zij op 17 februari 2009 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 2 maart 2009, waarbij namens verzoekers aanwezig waren [voorzitter verzoeker 1] en de gemachtigde en namens verweerder mr. [woordvoerders gemeente]. Namens vergunninghouder (de gemeente Moerdijk) was aanwezig [woordvoerders vergunninghouder] (directrice van basisschool [naam basisschool]) en [woordvoerder vergunninghouder].

De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting gesloten en (na verdaging) op 9 maart 2009 mondeling uitspraak gedaan.

2. Beoordeling

Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat weliswaar met gebruikmaking van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een tijdelijke vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend, maar dat onvoldoende vaststaat dat het onderwijsgebouw niet langer dan tot vijf jaar na de verlening van de vrijstelling zal blijven bestaan. Voorts hebben verzoekers aangevoerd dat de keuze van verweerder voor plaatsing van het onderwijsgebouw op het evenemententerrein onvoldoende is onderbouwd, mede omdat de alternatieve locatie voor de school (de zogenaamde [naam locatie]) geschikter lijkt te zijn dan de thans gekozen locatie. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de bouwvergunning met vrijstelling te schorsen.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom zal, op grond van artikel 8:86 van de Awb, tevens onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat het spoedeisend belang bij verzoekers ontbreekt, nu eerst over enkele weken (rond eind maart 2009) een aanvang zal worden gemaakt met de bouwwerkzaamheden. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat verzoekers thans een spoedeisend belang hebben bij een oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en dat zij daarvoor niet behoeven te wachten tot de onomkeerbare gevolgen van het besluit daadwerkelijk dreigen in te treden.

Met verzoekers is de voorzieningenrechter van oordeel dat in het onderhavige geval dient vast te staan dat het beoogde bouwwerk niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven. Daarbij speelt een rol dat verweerder het (maatschappelijk) belang van een onderwijsgebouw hier laat prevaleren boven de aantasting van het woongenot van verzoekers, mede omdat die aantasting van tijdelijke aard is en na realisering van een permanent onderwijsgebouw elders in Zevenbergen het evenemententerrein weer zijn huidige bestemming en inrichting krijgt.

Gelet op artikel 45, eerste lid van de Woningwet dient in een bouwvergunning die na toepassing van artikel 17 van de WRO wordt verleend, een instandhoudingstermijn te worden gesteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat een dergelijke instandhoudingstermijn in de bouwvergunning ontbreekt. Dat in de bouwvergunning wordt gesteld dat die overeenkomstig de aanvraag voor een tijdelijk onderwijsgebouw wordt verleend, maakt dit niet anders nu slechts het verstrijken van een in de vergunning opgenomen instandhoudingstermijn kan leiden tot het rechtsgevolg uit artikel 46, zesde lid van de Woningwet dat de gemeente als vergunninghouder verplicht is (na aanzegging door verweerder) om het gebouw te slopen.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat onvoldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden zijn op grond waarvan moet worden aangenomen dat het bouwwerk niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven. In de bruikleenovereenkomst tussen het schoolbestuur en vergunninghouder is immers slechts verzekerd dat dit schoolbestuur het gebouw niet langer dan tot 10 oktober 2013 zal gebruiken. Dat betekent nog niet dat de sloop van het gebouw hiermee is gegarandeerd.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard en het verzoek wordt toegewezen, dient in beide zaken het griffierecht aan verzoekers te worden vergoed. Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoekers, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst de bouwvergunning en tijdelijke vrijstelling tot zes weken na de verzending van de nieuwe beslissing op bezwaar;

gelast dat de gemeente Moerdijk aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht van € 594,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Moerdijk.

Dit proces verbaal is opgemaakt op 9 maart 2009.

mr. M.A. de Rooij, griffier mr. Th. Peters, rechter,

Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij op het beroep is beslist, kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's Gravenhage. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Tegen de uitspraak inzake de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.