Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BH4453

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
159774 HAZA 06-767
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap waarin een ontbonden maatschap is begrepen. De beslissingen genomen in een eerder arbitraal vonnis zijn uitgangspunt in de procedure. Moet als waarderingsgrondslag de waarde in het economisch verkeer bij voortgezette bedrijfsuitoefening of de vrije onderhandse verkoopwaarde worden genomen? De stille reserves zijn reeds begrepen in de taxatiewaarde naar vrije onderhandse verkoopwaarde. Onteigeningsvergoeding. Geen verrekening van meerarbeid bij arbeidsongeschiktheid van de ander maat op grond van het maatschapscontract. Ingangsdatum wettelijke rente is de datum van verdeling. Peildatum en latente belastingclaim van levensverzekering en lijfrentepolis. Vergoeding van in gemeenschappelijk vermogen gestoken privevermogen dat door schenking en nalatenschap is verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

Team handelsrecht

zaaknummer / rolnummer: 159774 / HA ZA 06-767

Vonnis van 25 februari 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Tilburg,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.M. Molkenboer,

tegen

[gedaagde],

wonende te Tilburg,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. L.J.G. de Haas.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident van 24 oktober 2007 en de daarin genoemde stukken.

2. Het geschil

In conventie

2.1. De vrouw vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

- te bepalen dat de man aan de vrouw binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een nader voorschot op de boedelscheiding dient te betalen van EUR 825.000,00

- te bepalen dat alle tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behorende vermogensbestanddelen dienen te worden getaxeerd tegen de onderhandse vrije verkoopwaarde van de diverse vermogensbestanddelen per datum taxatie, kosten rechtens.

In reconventie

2.2. De man verzoekt, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, met inachtneming van hetgeen hij heeft aangegeven, de verdeling vast te stellen van de per 22 september 1999 ontbonden huwelijksgemeenschap, met bepaling dat de man hetgeen hij krachtens overbedeling aan de vrouw verschuldigd zal zijn in nader te bepalen termijnen aan de vrouw mag voldoen, kosten rechtens.

3. De beoordeling

In conventie en in reconventie

3.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van de overgelegde producties het volgende vast:

- Partijen zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen van 5 oktober 1972 tot 22 september 1999.

- De tussen partijen op 5 november 1991 gesloten maatschapovereenkomst is bij arbitraal vonnis van 4 maart 2005 ontbonden per 31 december 2004. Daarbij is onder meer bepaald dat de man gerechtigd is tot voortzetting van het bedrijf en dat hij medewerking dient te verlenen aan het scheiden en delen van het maatschapvermogen onder uitkering van het aan de vrouw toekomende bedrag uiterlijk per 30 juni 2005.

- Bij arbitraal vonnis in kort geding van 16 februari 2006 is de man veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van EUR 175.000,00 te voldoen ter zake voorschot op de afwikkeling van de ontbonden maatschap.

- Bij incidenteel vonnis van 25 april 2007 is de man veroordeeld tot betaling van EUR 200.000,00 ter zake voorschot aan de vrouw.

- De heer R. Muilenberg van ZLTO heeft, in opdracht van partijen gezamenlijk, de onroerende goederen van de onderneming gewaardeerd tegen de waarde in het economisch verkeer bij voortgezette agrarische bedrijfsuitoefening en de cultuurgrond gewaardeerd tegen de waarde in verpachte staat en dit tezamen getaxeerd op EUR 902.018,00 per 31 december 2004.

- De kantonrechter heeft bij beschikking van 2 oktober 2006 drie taxateurs benoemd teneinde de vrije onderhands verkoopwaarde van de pluimveerechten, de voorraad plantopstanden, boomkwekerij, het niet gebruiksvee en overige voorraden, de inventaris goederen en machines alsmede de transportmiddelen van het bedrijf van de ontbonden maatschap van partijen (hierna: de roerende zaken) bindend vast te stellen.

- Deze taxateurs hebben hun rapportage uitgebracht op 25 september 2007. Zij hebben de plantopstand gewaardeerd op EUR 563.182,00, de mestproductierechten op EUR 126.720,00 en de roerende zaken op EUR 131.994,00.

- Conform hetgeen partijen ter terechtzitting van de voorzieningenrechter van 15 augustus 2006 zijn overeengekomen heeft ABAB in juni 2007 de jaarstukken 2004 van de maatschap opgesteld.

- Partijen zijn overeengekomen dat de verdeling van het maatschapvermogen voor zover hierover nog niet is beslist bij arbitraal vonnis, in afwijking van de arbitrageclausule in de maatschapovereenkomst zal worden voorgelegd aan deze rechtbank.

In conventie

3.2. Taxatie en voorschot

De vrouw vordert in conventie veroordeling van de man tot betaling van een voorschot op de boedelverdeling en bepaling dat de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen van partijen dienen te worden getaxeerd. Deze laatste vordering zal worden afgewezen, aangezien door de taxatie door ZLTO en de door de kantonrechter benoemde taxateurs geen nadere taxatie van vermogensbestanddelen meer nodig is. Ook voor het toewijzen van een voorschot ziet de rechtbank geen aanleiding, aangezien bij dit vonnis op de reconventionele vordering van de man vaststelling van de verdeling zal plaatsvinden.

In reconventie

3.3. De rechtbank zal de tot de gemeenschap van goederen behorende bestanddelen per onderdeel bespreken.

3.4. De ontbonden maatschap

3.4.1. Tussen partijen is in geschil of het maatschapvermogen al tussen partijen is verdeeld of dat dit nog conform het arbitraal vonnis aan de man dient te worden toegescheiden. Anders dan de vrouw heeft aangevoerd is het maatschapvermogen naar het oordeel van de rechtbank niet reeds aan de man toegescheiden. Een verklaring voor recht dat de maatschap door de man mag worden voortgezet kan immers niet op één lijn worden gesteld met toescheiding, zodat de man recht en belang heeft bij deze vordering. De rechtbank zal dan ook conform het arbitraal vonnis het maatschapvermogen aan de man toedelen en hem veroordelen tot het betalen van een overbedelingsvergoeding aan de vrouw, met dien verstande dat de wettelijke rente ingaat vanaf de datum van verdeling, zijnde de datum van dit vonnis. Voor de vaststelling van de hoogte van deze vergoeding is het volgende van belang.

3.4.2. De man stelt zich op het standpunt dat moet worden afgeweken van de bij arbitraal vonnis genomen beslissing dat partijen thans dienen af te rekenen op basis van de waarde van de onderneming bij voortgezette bedrijfsuitoefening en dat de man bij bedrijfsbeëindiging of per december 2014 alsnog het verschil tussen de waarde van de bedrijfsonderdelen in het economisch verkeer en voornoemde waarde bij voortgezette bedrijfsuitoefening aan de vrouw dient uit te keren. Hij voert daartoe aan dat hij gelet op deze toekomstige claim van de vrouw nu geen externe financiering kan verkrijgen. De man acht het noodzakelijk dat partijen al op dit moment algeheel afrekenen op basis van de onderhandse vrije verkoopwaarde, waarvoor hij wel financiering kan verkrijgen.

3.4.3. De vrouw verzet zich tegen dit standpunt van de man. Zij wenst vast te houden aan de bij arbitraal vonnis gegeven beslissing, omdat deze beslissing weloverwogen is genomen. De stelling van de man dat hij geen financiering kan verkrijgen voor de lagere waarde van de onderneming bij voortgezette bedrijfsuitoefening en wel voor de hogere waarde bij onderhandse vrije verkoop, acht de vrouw zeer onwaarschijnlijk en dient volgens haar bovendien voor zijn rekening en risico te komen.

3.4.4. De rechtbank stelt voorop dat partijen conform de maatschapovereenkomst hun geschil over de beëindiging van de maatschap aan een scheidsgerecht van drie arbiters hebben voorgelegd. Aangezien zij geen arbitraal hoger beroep zijn overeengekomen, is het op 4 maart 2005 tussen hen gewezen arbitraal vonnis op grond van artikel 1059 Rv in kracht van gewijsde gegaan. Dit brengt mee dat de in het arbitraal vonnis gegeven beslissingen in het onderhavige geding voor partijen bindend en voor de rechtbank uitgangspunt zijn. Nu het arbitraal vonnis duidelijk is over de wijze waarop partijen de waarde van de onderneming met elkaar dienen af te rekenen, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor afwijking van deze beslissing. Overigens ziet de rechtbank ook in het standpunt van de man dat hij in deze situatie geen financiering kan verkrijgen, geen aanleiding om anders te beslissen. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat dit voor rekening en risico van de man dient te komen.

Vermogensbestanddelen van de onderneming

Onroerende zaken

3.4.5. Partijen hebben ter terechtzitting aangegeven dat geen discussie bestaat omtrent de taxatie van ZLTO van de onroerende tot de onderneming behorende zaken op een bedrag van EUR 902.018,00, zodat hiervan kan worden uitgegaan.

3.4.6. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de stille reserve (taxatiewaarde verminderd met de boekwaarde) van het onroerend goed ter hoogte van EUR 568.993,00 (zie de brief gemarkeerd met “A” van mr. Molkenboer van 27 september 2007) per 31 december 2004 tussen partijen bij helfte moeten worden gedeeld.

3.4.7. De rechtbank volgt de vrouw niet in dit standpunt. Uitgangspunt van de tussen partijen te verdelen waarde per 31 december 2004 is de door ZLTO getaxeerde waarde van de onroerende goederen van de onderneming in het economisch verkeer bij voortgezette bedrijfsuitoefening. Immers, wanneer uiterlijk in 2014 of bij beëindiging van de onderneming alsnog tussen partijen wordt afgerekend met als uitgangspunt de vrije verkoopwaarde van de onroerende goederen, dan zullen de stille reserves in de dan vast te stellen taxatiewaarde zijn begrepen.

Roerende zaken

3.4.8. De man stelt zich op het standpunt dat de tot de onderneming behorende roerende zaken niet kunnen worden afgerekend naar de vrije verkoopwaarde zoals de door de kantonrechter benoemde taxateurs (hierna DLV) hebben vastgesteld. Deze vrije onderhandse verkoopwaarde van EUR 821.896,00 zal de continuïteit van de onderneming in gevaar brengen, omdat de man niet in staat is het aan de vrouw te betalen bedrag te financieren. De man doet een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid die in acht moeten worden genomen bij de verdeling. Volgens de man is het niet redelijk indien de vrouw de helft van de vrije verkoopwaarde ontvangt en hij enkel de liquidatieopbrengst. Daarnaast stelt de man dat de waarderingsgrondslag van de plantopstanden niet juist is en dat nog rekening moet worden gehouden met de boeterente die de man verschuldigd is bij het oversluiten van de financiering bij Delta Lloyd.

3.4.9. De vrouw verwijst naar het arbitrale vonnis in kort geding van 16 februari 2006 waarin is aangegeven dat van haar niet kan worden verwacht dat zij de onderneming blijft meefinancieren. Daarnaast hebben de arbiters bepaald dat het feit dat de man niet in staat blijkt te zijn om het thans aan de vrouw toekomende aandeel te financieren voor zijn rekening en risico komt. Het beroep op de boeterente doet de man volgens de vrouw te laat in de procedure, zodat zij hierop niet adequaat kan reageren.

3.4.10. Hoewel de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4.4. is overwogen over de waarderingsgrondslag, van oordeel is dat thans niet naar de vrije onderhandse verkoopwaarde getaxeerd dient te worden, dient voor wat betreft de roerende zaken daarop een uitzondering te worden gemaakt, in verband met de processuele houding van de man. Immers, de man heeft zelf bij het verzoek tot benoeming van deskundigen verzocht om deze waarderingsgrondslag tot uitgangspunt te nemen. Het zou in strijd zijn met de goede procesorde om thans dat uitgangspunt te verlaten en een nieuwe taxatie te gelasten. Bovendien heeft de man zijn stelling dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt, onvoldoende geadstrueerd. De kantonrechter heeft bij beschikking van 2 oktober 2006 drie taxateurs benoemd met de opdracht de vrije onderhandse verkoopwaarde van de roerende zaken bindend vast te stellen. Zoals reeds bij incidenteel vonnis van 24 oktober 2007 is bepaald, kan de rechtbank hieromtrent niet opnieuw oordelen. Als uitgangspunt voor de verdeling dient dan ook te gelden de door de taxateurs vastgestelde vrije onderhandse verkoopwaarde van de roerende zaken. Daarbij merkt de rechtbank op dat dit meebrengt dat partijen ten aanzien van deze goederen op dit moment definitief met elkaar afrekenen. Het moet in strijd met de ratio van de in het arbitraal vonnis van 4 maart 2005 opgenomen beslissing omtrent de uitgestelde verrekening worden geacht indien partijen bij beëindiging van de onderneming of in 2014 het verschil tussen de naar die datum vast te stellen vrije onderhandse verkoopwaarde van de roerende zaken en de thans vastgestelde waarde opnieuw met elkaar zouden moeten verrekenen. Dit onderdeel van de arbitrale beslissing is immers gebaseerd op de te verwachten onteigening van de onroerende zaken door de gemeente Tilburg en daarmee gepaard gaande waardestijging die de man in de toekomst alsnog met de vrouw dient te verrekenen, terwijl dit ten aanzien van de roerende zaken niet aan de orde is.

3.4.11. De man heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de boeterente die hij verschuldigd zal zijn bij het oversluiten van de financiering indien hij het aandeel van de vrouw dient uit te keren. De rechtbank is, evenals de arbiters in het vonnis in kort geding van 16 februari 2006 onder 11. hebben overwogen, van oordeel dat de mogelijkheden die de man heeft om de voortzetting van de onderneming te financieren en de consequenties van de keuzes die hij hierbij maakt, voor zijn rekening en risico dienen te komen. Deze stelling van de man zal derhalve worden gepasseerd.

3.4.12. Het voorgaande brengt mee dat als uitgangspunt voor de verdeling geldt de vrije verkoopwaarde van de roerende zaken ter hoogte van EUR 821.896,00.

3.4.13. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat de stille reserve van deze goederen tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld. De taxateurs hebben getaxeerd naar de vrije verkoopwaarde van de roerende zaken. Deze wijze van taxeren brengt mee dat ook de stille reserves in deze vermogensbestanddelen tot uitdrukking zijn gebracht in de door de taxateurs vastgestelde vrije verkoopwaarde. De man zal dan ook een bedrag van EUR 410.948,00 aan de vrouw dienen te voldoen ter zake de roerende zaken.

Winst van de onderneming over de periode 2000 tot 2004

3.4.14. De man stelt zich op het standpunt dat de onverdeelde winst van de maatschap over de periode 2000 tot 2004 ter hoogte van EUR 508.247,00 pas tussen partijen kan worden verdeeld nadat daarop een bedrag in mindering is gebracht ter zake de door de man verrichtte meerarbeid in deze periode. Hij heeft immers vanaf 2000 alle werkzaamheden in de onderneming alleen verricht. Het is volgens de man onredelijk wanneer de vrouw zou meedelen in de winst die is opgebouwd door de component arbeid. De man betwist dat de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de vrouw in de jaarrekeningen zijn verwerkt.

3.4.15. De vrouw betwist de stelling van de man. Volgens haar is in het arbitraal vonnis bij de bepaling van de winstverdeling bij helfte meegewogen dat de vrouw niet meewerkte in de onderneming, omdat de man deze stelling ook in de arbitrageprocedure heeft aangevoerd. Bovendien zijn de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die de vrouw ontving, verwerkt in de jaarrekeningen, liet de man haar ondanks aandringen van haar zijde niet toe tot de onderneming en moet worden meegewogen dat de man in deze periode steeds het ongestoord genot heeft gehad van de woning en de bedrijfsauto. De vrouw merkt nog op dat zij in de verzoeningsperiode in 2001 wel heeft meegewerkt in de onderneming.

3.4.16. Partijen zijn het eens over het feit dat in beginsel de te verdelen winst over de periode 2000 tot 2004 EUR 508.247,00 bedraagt (zie p.2 van de brief gemarkeerd met “A” van mr. Molkenboer van 27 september 2007. Bij arbitraal vonnis is bepaald dat de winstverdeling over de jaren 2000 tot en met 2004 tussen partijen zal moeten plaatsvinden bij helfte per 31 december 2004. In dit vonnis is niets overwogen omtrent de stelling van de man dat een verrekening dient plaats te vinden ter zake de door de man verrichtte meerarbeid in deze periode, zodat thans niet is vast te stellen of de arbiters deze omstandigheid hebben meegewogen bij hun oordeel. De rechtbank is van oordeel dat aansluiting dient te worden gezocht bij artikel 11 van de maatschapovereenkomst, dat onder meer inhoudt: “Indien een vennoot arbeidsongeschikt is komen de kosten van vervangende arbeid ten laste van het bedrijf van de maatschap en de meerarbeid van de andere vennoot wordt niet vergoed.” Hieruit blijkt dat partijen voor deze situatie een regeling hebben getroffen bij aanvang van de maatschap. Gelet op de inhoud van deze regeling, kan de stelling van de man dat vòòr verdeling van de winst bij helfte hierop een bedrag in mindering moet worden gebracht wegens door hem verrichtte meerarbeid, niet worden gevolgd.

3.4.17. Op het aandeel van de winst van de vrouw dient het negatieve saldo op haar kapitaalrekening per 31 december 2004 ter hoogte van EUR 162.447,00 in mindering te worden gebracht.

3.5. De overbedelingsvergoeding

Samengevat dient de man ter zake de onroerende goederen een bedrag van EUR 451.009,00, ter zake de roerende goederen een bedrag van EUR 410.948,00 en ter zake de winst van de onderneming een bedrag van EUR 91.676,50, derhalve in totaal een bedrag van EUR 953.633,50, verminderd met de reeds door hem betaalde voorschotten van EUR 375.000,00, aan de vrouw te voldoen.

3.6. Wettelijke rente

3.6.1. De vrouw vordert de wettelijke rente over de door de man aan haar te betalen vergoeding, op grond van het feit dat bij arbitraal vonnis is bepaald dat de man deze uiterlijk op 30 juni 2005 aan de vrouw dient te voldoen. De man heeft volgens haar steeds alles gedaan om onder zijn betalingsverplichtingen uit te komen. Zo heeft zij pas na het leggen van beslagen haar voorschotten ontvangen.

3.6.2. De man betwist dat hij wettelijke rente verschuldigd is, omdat hij niet in verzuim is. Het door hem te betalen bedrag staat immers nog niet vast. Volgens hem is het feit dat de procedure lang heeft geduurd aan beide partijen te wijten en niet alleen aan de man.

3.6.3. De rechtbank is van oordeel dat, zolang de verdeling van een tot de gemeenschap behorende bate nog niet is vastgesteld, er nog geen sprake is van een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de overbedeelde echtgenoot in verzuim is. Dit brengt mee dat de man eerst wettelijke rente over de aan de vrouw te betalen vergoeding verschuldigd is met ingang van de datum van dit vonnis.

3.7. Inboedel

3.7.1. Ten aanzien van de inboedel heeft de man ter terechtzitting aangegeven dat hij bereid is de door de vrouw aangekruiste goederen op de inboedellijst, die hij niet zelf wenst te behouden en voor zover deze niet al in het bezit van de vrouw zijn, alsnog aan haar af te geven. De rechtbank zal deze goederen aan de vrouw toedelen en gaat ervan uit dat partijen de afgifte van deze goederen zullen effectueren.

3.7.2. De man heeft ten aanzien van een aantal goederen die de vrouw wenst te verkrijgen aangegeven dat hij deze niet meer in zijn bezit heeft, onder andere omdat de vrouw deze al eerder heeft meegenomen. Nu de vrouw deze stelling van de man niet gemotiveerd heeft betwist, zal de rechtbank deze als vaststaand aannemen. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw al over deze goederen beschikt, zodat hierover geen nadere beslissing hoeft te worden genomen.

3.7.3. De rechtbank verdeelt, zonder nadere verrekening, de goederen waarvan partijen beiden hebben aangegeven dat zij deze wensen te behouden dan wel te verkrijgen als volgt.

3.7.4. Aan de man worden toegescheiden:

- grote ovalen tafel

- 6 bijbehorende stoelen

- Vuurvaste schalen

- Perzisch tapijt op tafel

- Perzisch tapijt op de vloer

- Delfts blauw geboortebord Carla

- Delfts blauw geboortebord John

- Beeldenkast (eiken)

- Radiotoren met cd en cd’tjes

- Fotolijstje (ovaal) John

- Fotolijstje (ovaal) Carla

- Kroonluchter kristal 1 stuks

- Perzisch vloerkleed in de hal

- Kroonluchter kristal in de hal

- Huishoudtrap 1 stuks

- Dekbed 2 persoons

- De helft van de foto’s en albums

- Stoel Messing – zwart rib 2 stuks

- Grasmachine

- Stoel – laag model in het kantoor

- Stoel – hoog model in het kantoor

3.7.5. Aan de vrouw worden toegescheiden:

- Roestvrij stalen schalen

- Keukenklok

- Eethoek donker eiken tafel

- 6 bijbehorende eiken stoelen bekleed

- Trouwfoto Carla en Jeroen

- 2 schilderijen Anton Pieck 3D

- Salontafel (eiken) 6 kantig met laatjes

- Perzisch tafelkleed (vierkant)

- Perzisch vloerkleed

- Fauteuil leder 4 stuks

- Communiefoto Carla

- Communiefoto John

- Perzisch tafelkleed

- Perzisch vloerkleed

- Kroonluchter kristal 1 stuks

- Staande eiken klok

- Kurby stofzuiger

- Huishoudtrap 1 stuks

- Baby – kinderspeelgoed – schommel

- De helft van de foto’s en albums

- Smeedijzeren kippen

3.8. Levensverzekeringen Delta Lloyd

3.8.1. De man stelt zich op het standpunt dat deze aan de hypotheek gekoppelde levensverzekeringen aan hem moeten worden toegescheiden tegen de afkoopwaarde per peildatum 31 december 2004. De man heeft steeds de premies betaald na het aflossen van de hypotheek waaraan de polissen waren gekoppeld. Deze polissen waren volgens de man verbonden aan het bedrijf.

3.8.2. De vrouw verzet zich niet tegen toescheiding van deze polissen aan de man. Zij stelt zich wel op het standpunt dat ten aanzien van deze polissen moet worden uitgegaan van de economische waarde daarvan met als peildatum de datum van verdeling.

3.8.3. De rechtbank zal, nu de vrouw zich daartegen niet verzet, de polissen aan de man toescheiden. Nu de vrouw niet heeft aangevoerd waarom verrekening van de afkoopwaarde een onjuist resultaat zou opleveren, gaat de rechtbank uit van de afkoopwaarde van deze polissen en niet van de economische waarde. Als peildatum dient te gelden 31 december 2004 zijnde de datum van beëindiging van de maatschap, nu de polissen waren verbonden aan de hypotheek die betrekking had op het onroerend goed behorend tot de onderneming.

De door de vrouw in verband met een betalingsachterstand verrichte premiebetalingen ter hoogte van EUR 3.896,80 dienen alsnog tussen partijen te worden verrekend. Dit brengt mee dat de man aan de vrouw dient te voldoen de helft van de afkoopwaarde van de polissen per 31 december 2004. Dit betreft ten aanzien van de polis met nummer 1864735 een bedrag van EUR 63.119,00 en ten aanzien van de polis met nummer 1864739 een bedrag van EUR 41.639,00, zodat de man aan de vrouw EUR 52.379,00, vermeerderd met EUR 1.948,40 in verband met achterstallige premiebetalingen, dient te voldoen. Voor wat betreft de stelling van de vrouw dat eerst een verrekening van privévermogen moet plaatsvinden op grond van artikel 1:94 BW wordt verwezen naar de overwegingen zoals hiervoor vermeld onder 3.13.

3.9. Banksaldi in Nederland en in België

Partijen hebben beiden ter zitting aangegeven dat de tot de gemeenschap behorende banktegoeden tussen partijen zijn verdeeld. De rechtbank hoeft hieromtrent derhalve geen beslissing meer te nemen.

3.10. Effectenrekening Fintro

3.10.1. De vrouw stelt dat deze effectenrekening met nummer 142-7120193-30 een saldo had per 30 juni 2005 van EUR 37.782,97. Het huidige saldo van deze rekening dient tussen partijen bij helfte te worden verdeeld. Volgens de vrouw is opname van het saldo slechts mogelijk met toestemming van beide partijen, zodat de man hieraan dient mee te werken.

3.10.2. De man heeft tegen deze vordering van de vrouw geen verweer gevoerd.

3.10.3. De rechtbank zal deze effectenrekening aan de vrouw toescheiden. Zij zal de helft van het saldo van deze rekening per datum van dit vonnis aan de man dienen te betalen.

3.11. Aegonpolissen

3.11.1. Ten aanzien van de lijfrentepolissen van Aegon verwijst de man naar zijn standpunt zoals hij dat heeft ingenomen ten aanzien van de levensverzekeringspolissen bij Delta Lloyd.

3.11.2. De vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat de Delta Lloyd polissen netto bedragen betreffen, terwijl de Aegon polissen bruto bedragen betreffen, zodat rekening moet worden gehouden met een latente belastingclaim. De peildatum dient volgens de vrouw te worden gesteld op de datum van verdeling.

3.11.3. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 3.8.3. Evenals de levensverzekeringspolissen van Delta Lloyd, zal de rechtbank deze polissen toescheiden aan de man, waarbij hij de helft van de afkoopwaarde per 31 december 2004 aan de vrouw zal dienen te voldoen. Eveneens blijkt uit de overgelegde stukken van Aegon dat deze polissen bruto bedragen betreffen, zodat, voor zover het lijfrentepolissen betreft, rekening moet worden gehouden met een latente belastingclaim. De polis met nummer L10183402 betreft een levensverzekering met een afkoopwaarde van EUR 12.835,00 per 31 december 2004 en de polis met nummer L10183400 betreft een lijfrentepolis met een afkoopwaarde van EUR 32.210,00 per 31 december 2004, zodat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van EUR 22.522,50 verminderd met de latente belastingclaim over EUR 16.105,00.

3.12. Onteigeningsvergoeding

3.12.1. De man stelt dat de door de gemeente Tilburg ontvangen onteigeningsvergoeding ter hoogte van EUR 94.000,00 niet in de jaarstukken is opgenomen, zodat dit nog verrekend dient te worden.

3.12.2. De vrouw betwist de stelling van de man. Nu de man dit punt eerst ter zitting heeft aangevoerd, is zij echter niet in staat om aan te geven waar deze vergoeding in de jaarstukken staat vermeld. Volgens de ABAB is deze vergoeding wel in de jaarrekening verwerkt.

3.12.3. De rechtbank stelt vast dat partijen ter zitting hebben verklaard dat zij ieder de helft van de onteigeningsvergoeding van de gemeente hebben ontvangen. Nu de man niet heeft gesteld dat de vrouw de onteigeningsvergoeding volledig heeft ontvangen dan wel dat zijn aandeel van de onteigeningsvergoeding wel in de jaarstukken is opgenomen en die van de vrouw niet, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom ter zake hiervan nog een nadere verrekening tussen partijen zou moeten plaatsvinden.

3.13. Schenkingen en nalatenschappen

3.13.1. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij privé-vermogen in de onderneming en in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen heeft gebracht. Nu de onderneming bij helfte wordt verdeeld, heeft zij nog recht op vergoeding door de man van het aan hem toebedeelde gedeelte van dit privé-vermogen. Zij stelt uit nalatenschappen bedragen van f. 24.758,00 en f. 8.349,00 te hebben ontvangen en uit een schenking een bedrag van f. 25.000,00, in totaal EUR 26.367,81 (f. 58.107,00). De man dient volgens de vrouw een bedrag van EUR 13.183,91 aan haar te voldoen.

3.13.2. De man voert het verweer dat ook aan hem bedragen zijn geschonken waarmee grond is gekocht en waarvan de vrouw nu een aandeel krijgt bij de verdeling van de onderneming.

3.13.3. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de door haar genoemde bedragen van in totaal EUR 26.367,81 als privé-vermogen heeft verkregen. Nu niet is betwist dat dit privé-vermogen in de aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehorende onderneming is gebracht en is aangewend om het vermogen van partijen te vergroten, heeft de vrouw recht op vergoeding van de nominale waarde van haar inbreng. Het feit dat de man ook schenkingen in privé heeft ontvangen die hij eveneens in de onderneming heeft gebracht doet daaraan niet af, nu hij kennelijk ervoor heeft gekozen om geen vergoeding van deze inbreng te vorderen. Dit brengt mee dat de man aan de vrouw een bedrag van EUR 13.183,91 dient te voldoen.

Betaling in termijnen

3.14. De man verzoekt te bepalen dat hij de overbedelingsvergoeding aan de vrouw in termijnen mag voldoen. Nu hij dit verzoek niet nader heeft toegelicht, zal de rechtbank hieraan voorbij gaan.

In conventie en in reconventie

Proceskosten

3.15. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

In conventie

4.1. wijst de vorderingen af,

4.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

In reconventie

4.3. stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast als volgt:

aan de man worden toegescheiden:

- de vermogensbestanddelen van de tussen partijen ontbonden maatschap

- de inboedelgoederen zoals hiervoor onder 3.7.4. vermeld

- de levensverzekeringen bij Delta Lloyd

- de lijfrentepolissen bij Aegon

aan de vrouw worden toegescheiden:

- de inboedelgoederen zoals hiervoor onder 3.7.5. vermeld

- de effectenrekening bij Fintro met nummer 142-7120193-30

4.4. verstaat dat partijen hun medewerking zullen verlenen aan de levering van de in de verdeling betrokken goederen,

4.5. bepaalt dat partijen elk gehouden zijn om de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen,

4.6. veroordeelt de man wegens overbedeling tot betaling aan de vrouw van

- EUR 578.633,50 (vijhonderdachtenzeventigduizend zeshonderddrieëndertig euro en vijftig eurocent) ter zake de ontbonden maatschap, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf heden tot de dag der algehele voldoening,

- EUR 52.379,00 (tweeënvijftigduizend driehonderd negenenzeventig euro) ter zake de polissen Delta Lloyd,

- EUR 1.948,40 (duizend negenhonderd achtenveertig euro en veertig eurocent) ter zake achterstallige premiebetalingen,

- EUR 22.522,50 (tweeëntwintigduizend vijfhonderd tweeëntwintig euro en vijftig eurocent) ter zake de polissen Aegon verminderd met de latente belastingclaim over EUR 16.105,00

- EUR 13.183,91 (dertienduizend honderddrieëntachtig euro en eenennegentig eurocent) ter zake nalatenschappen en schenking,

4.7. veroordeelt de vrouw wegens overbedeling tot betaling aan de man van de helft van het saldo van de effectenrekening bij Fintro te Brussel met nummer 142-7120193-30,

4.8. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.9. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.10. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Meyboom, mr. Van Gessel en mr. Van Ham en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2009.?