Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BH3201

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
02-801016-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij het opmaken van het ambtsedig proces-verbaal van 16 oktober 2001 zijn strafprocesrechtelijke voorschriften geschonden. Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat dit proces-verbaal in 2005 is aangevuld met op dat moment verkregen informatie. Naar het zich laat aanzien heeft bovendien de ondertekening niet in 2001 maar in 2005 plaatsgevonden. Hierdoor staat niet langer vast dat het ambtsedig proces-verbaal van 16 oktober 2001 een juiste weergave is van wat door aangeefster in 2001 is verklaard. Er is bovendien geen onderscheid meer te maken tussen wat in 2001 is verklaard en wat in 2005 is toegevoegd. Ook valt niet na te gaan wat er verder in de verklaring van 2001 is gewijzigd.

Daarnaast is gebleken dat op meerdere momenten de aangeefsters aanwezig waren bij elkaars verhoren wat niet alleen kan hebben geleid tot een contaminatie van de daaruit resulterende informatie maar waardoor wellicht onterecht het beeld is ontstaan dat de beide aangeefsters zich zelfstandig voor verdachte belastende gebeurtenissen herinneren.

Door toedoen van verbalisanten is de beoordeling van de belastende verklaringen van de beide aangeefsters op betrouwbaarheid, door toetsing op volledigheid, accuraatheid en consistentie, niet meer mogelijk.

Door de hiervoor genoemde handelingen van verbalisanten, samen en in onderling verband bezien is ernstig inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Onder die omstandigheden dient de officier van justitie in zijn vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS:

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02-801016-06

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 februari 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsvrouw mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 februari 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Van Damme, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 december 1985 tot en met 31 december 1990 vleselijke gemeenschap heeft gehad met [slachtoffer 1], die op dat moment jonger was dan 12 jaar.

feit 2: in de periode van 1 augustus 1986 tot en met 31 december 1990 vleselijke gemeenschap heeft gehad met [slachtoffer 2], die op dat moment jonger was dan 12 jaar.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging op de navolgende gronden die samenhangen met de verhoren van de beide aangeefsters, [namen slachtoffers] te weten:

1. De verhoren van de aangeefsters door de Nederlandse politie in 2001 en 2005 zijn niet op zorgvuldige en deskundige wijze afgenomen.

2. De onregelmatigheden bij deze verhoren zijn niet in het proces-verbaal vermeld.

3. De tekst van de verhoren van de aangeefsters in de door verbalisanten opgestelde ambtsedige processen-verbaal wijkt op essentiële onderdelen af met de tekst van de verbatim verslagen.

Volgens de raadsvrouw is er aldus sprake van dermate grote schendingen in het vooronderzoek, waardoor er niet meer aan waarheidsvinding kan worden gedaan, dat het OM het recht op strafvervolging heeft verspeeld. Subsidiair heeft zij vrijspraak van verdachte bepleit.

De officier van justitie heeft betwist dat de door de raadsvrouw gestelde schendingen in het vooronderzoek moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM en heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken, omdat – kort samengevat – de betrouwbaarheid van de verklaring van de beide aangeefsters niet meer is vast te stellen.

Op grond van het strafdossier stelt de rechtbank ten aanzien van de verhoren van de aangeefsters in Nederland het volgende vast:

• Op 16 oktober 2001 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door verdachte bij de politie in Hoogezand. Deze verklaring is niet op geluidsband geregistreerd. Volgens het in het strafdossier op bladzijde 47 e.v. opgenomen ambtsedig proces-verbaal van aangifte is deze opgemaakt en voorzien van de originele handtekeningen van aangeefster en verbalisanten op 16 oktober 2001. Bij gelegenheid van dit verhoor is blijkens dit proces-verbaal door [slachtoffer 1] onder meer verklaard: “Ik begrijp van u dat wij de middagmaaltijd gaan gebruiken en dat wij daarom mijn verklaring onderbreken”. Door verbalisanten is vervolgens ingevoegd: (Start tweede deel van het verhoor omstreeks 13.30 uur.) Daarop vervolgt [slachtoffer 1] haar verklaring waarvan de eerste alinea luidt: “ Ik heb u zojuist een deel van mijn verhaal gegeven zoals ik dat zelf heb verwoord. Ik heb mijn ervaringen vanuit het verleden op papier gezet als ondersteuning bij mijn verklaring bij de politie. Ik was bang dat ik wat zou vergeten. Ik geef u toestemming om hiervan een kopie te maken en dit te gebruiken t.b.v. het onderzoek”. Vervolgens volgen nog een viertal alinea’s houdende haar verdere verklaring op 16 oktober 2001.

• Op 2 november 2005 is door de politie in Hoogezand een aanvullende verklaring van [slachtoffer 1] opgenomen. Ook deze aanvullende verklaring is niet op geluidsband geregistreerd. Volgens het in het strafdossier op bladzijde 53 e.v. opgenomen ambtsedig proces-verbaal van verhoor is door [slachtoffer 1] onder meer verklaard: “Op uw verzoek heb ik zojuist de aangifte doorgelezen. Ik heb die aangifte opnieuw ondertekend, omdat de originele aangifte volgens uw zeggen zoek is geraakt. U vertelde dat u de aangifte opnieuw hebt uitgedraaid uit het computersysteem”.

• Op 29 november 2005 is [slachtoffer 1] door de politie in Hoogezand nogmaals gehoord. Hiervan zijn geluidsopnamen gemaakt en deze zijn verbatim uitgewerkt.

• Op 5 december 2005 is de zaak overgenomen van de regiopolitie Groningen door de regiopolitie Midden en West Brabant.

• Op 10 januari 2006 heeft er een intakegesprek plaatsgevonden met [slachtoffer 2], die daarbij te kennen gaf aangifte te willen doen tegen verdachte. Dit gesprek is niet op geluidsband geregistreerd. De aangifte zou op 16 januari 2006 plaatsvinden. [slachtoffer 2] heeft afgebeld en op een nieuwe afspraak is ze niet verschenen.

• Op 10 januari 2006 omstreeks 13.00 uur is [slachtoffer 1] door de politie in Breda nader gehoord. Volgens het in het strafdossier op bladzijde 59 e.v. opgenomen ambtsedig proces-verbaal van verhoor is onder meer door [slachtoffer 1] verklaard: “Tijdens mijn aangifte in 2001 heb ik papieren afgegeven van mijn aantekeningen. U hebt ook een kopie van aantekeningen maar dat is niet het verhaal wat ik tijdens mijn aangifte heb afgegeven. Het kopie wat u heeft is mijn levensverhaal wat ik heb opgeschreven nadat GGZ had gezegd dat ik dat het beste kon doen. Ik heb in 2001 helemaal geen aantekeningen gemaakt. De tekst hieromtrent in de aangifte van 2001 is pas enkele maanden geleden door de politie Hoogezand erbij getypt. Ik kan me niet herinneren dat ik in 2001 een aangifte heb ondertekend. Wij zijn in 2001 gestopt met de aangifte in verband met de lunch en sindsdien heb ik niets meer van de politie Hoogezand vernomen”.

• Uit het verbatim verslag van voormeld verhoor op 10 januari 2006 blijkt dat [slachtoffer 1] al in de ochtend van 10 januari 2006 met de politie heeft gesproken. Zo wordt in dit verbatim verslag op meerdere plaatsen gerefereerd aan wat zij die ochtend heeft gezegd. Dit vindt bevestiging in de getuigenverklaring van verbalisant [naam] zoals die is afgelegd bij gelegenheid van het verhoor door de rechter-commissaris op 17 april 2008. Daarin geeft hij aan dat [slachtoffer 1] op 10 januari 2006 aanwezig was bij het intakegesprek met [slachtoffer 2] en daar ook het woord heeft gevoerd. Daaropvolgend heeft [slachtoffer 1] ’s middags haar aanvullende verklaring afgelegd. In de ambtsedige processen-verbaal van intake en van nader verhoor is hieromtrent niets vermeld.

• Volgens het in het strafdossier op bladzijde 91 e.v. opgenomen ambtsedig proces-verbaal van aangifte is op 6 september 2006 door [slachtoffer 2] bij de politie in Breda aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door verdachte. Deze verklaring is op geluidsband geregistreerd en hiervan zijn twee verbatim verslagen gemaakt (deel I en deel II). Hieruit blijkt dat de feitelijke verhoren zouden hebben plaatsgevonden op 4 en 5 september 2006. Uit het verbatim verslag deel I blijkt dat bij dit gesprek aangeefster [slachtoffer 1] aanwezig was. Haar aanwezigheid wordt niet in de aanhef vermeld maar van wat zij opmerkt wordt melding gemaakt onder de vermelding van “zus”. Ook het ambtsedig proces-verbaal maakt geen melding van haar aanwezigheid bij de aangifte door [slachtoffer 2].

De rechtbank stelt voorop dat opsporing van strafbare feiten een onderzoek inhoudt in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Daarbij is de officier van justitie verantwoordelijk voor de integriteit van de opsporing.

Opsporingsambtenaren hebben in het voorbereidend onderzoek een sleutelrol bij de waarheidsvinding, waarbij strafprocesrechtelijk geschreven en ongeschreven vormvoorschriften moeten worden nageleefd. Die rol is essentieel voor de officier van justitie, onder meer om een zuivere afweging te kunnen maken over de vervolging van de verdachte, voor de verdediging en voor de rechter.

Verder stelt de rechtbank vast dat de waarheidsvinding in deze zaak slechts mogelijk is door de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de beide aangeefsters, aangezien verdachte ontkent, ander rechtstreeks belastend bewijs ontbreekt en verder onderzoek niet meer mogelijk is.

Bij de beantwoording van de vraag of het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard is doorslaggevend of er doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat in strijd met de Aanwijzing opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties, de verhoren niet allemaal via geluidsapparatuur zijn geregistreerd op zichzelf niet kan leiden tot een zo zware sanctie als het niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie, omdat niet kan worden gezegd dat dit enkele feit een doelbewuste schending en grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte inhoudt.

Ook de omstandigheid dat de weergave van de door aangeefsters gedane verklaringen in de ambtsedige processen-verbaal op onderdelen niet letterlijk overeenkwam met wat werkelijk was gezegd kan een beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie niet dragen. Zoals door de verdediging zelf aangevoerd waren de verklaringen ongestructureerd en hebben de verbalisanten op basis van de stortvloed van woorden geprobeerd een structuur aan te brengen. Daarbij komt dat een proces-verbaal van aangifte of verhoor geen letterlijke weergave van de verklaring van de aangever of getuige hoeft te bevatten, mits de strekking van de verklaring hierdoor niet wordt aangetast.

De rechtbank is wel van oordeel dat bij het opmaken van het ambtsedig proces-verbaal van 16 oktober 2001 strafprocesrechtelijke voorschriften zijn geschonden. Uit de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] blijkt dat dit proces-verbaal in 2005 is aangevuld met op dat moment verkregen informatie. Naar het zich laat aanzien heeft bovendien de ondertekening niet in 2001 maar in 2005 plaatsgevonden. Hierdoor staat niet langer vast dat het ambtsedig proces-verbaal van 16 oktober 2001 een juiste weergave is van wat door aangeefster in 2001 is verklaard. Er is bovendien geen onderscheid meer te maken tussen wat in 2001 is verklaard en wat in 2005 is toegevoegd. Ook valt niet na te gaan wat er verder in de verklaring van 2001 is gewijzigd. Het niet registreren van de verhoren via geluidsapparatuur wreekt zich hier overduidelijk.

Daarnaast is gebleken dat op meerdere momenten de aangeefsters aanwezig waren bij elkaars verhoren wat niet alleen kan hebben geleid tot een contaminatie van de daaruit resulterende informatie maar waardoor wellicht onterecht het beeld is ontstaan dat de beide aangeefsters zich zelfstandig voor verdachte belastende gebeurtenissen herinneren.

De rechtbank is van oordeel dat door toedoen van verbalisanten de beoordeling van de belastende verklaringen van de beide aangeefsters op betrouwbaarheid, door toetsing op volledigheid, accuraatheid en consistentie, niet meer mogelijk is en dat dit al niet meer mogelijk was voordat het onderzoek ter terechtzitting op 17 november 2006 begon.

Voor dat oordeel vindt de rechtbank steun in de rapportages van de deskundigen prof. dr.[naam], deskundige op het gebied van de psychologische functieleer, van 17 september 2008 en drs. [naam], deskundige op het gebied van de klinische psychologie, van 20 januari 2009, die onafhankelijk van elkaar in opdracht van achtereenvolgens de verdediging en de rechtbank een onderzoek hebben gedaan naar de betrouwbaarheid van die verklaringen.

Door de hiervoor genoemde handelingen van verbalisanten, samen en in onderling verband bezien is ernstig inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Onder die omstandigheden dient de officier van justitie in zijn vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. De Graaf en mr. De Schepper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 februari 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 1985 tot en met 31 januari 1990

te Paramaribo (Suriname) meermalen, althans eenmaal vleselijke gemeenschap

heeft gehad met een meisje beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met

[slachtoffer 1] [achternaam en geboortedatum], immers heeft verdachte:

- meermalen, althans eenmaal zijn vinger(s) en/of een of meer voorwerp(en) in

de vagina van [slachtoffer 1] geduwd en/of gebracht en/of

- meermalen, althans eenmaal zijn penis in de vagina en/of anus van [slachtoffer 1]

geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of

- zich meermalen, althans eenmaal door [slachtoffer 1] laten aftrekken en/of pijpen;

art 244 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 1986 tot en met 31 januari 1990

te Paramaribo (Suriname), meermalen, althans eenmaal, vleselijke gemeenschap

heeft gehad met een meisje beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met

[voornaam] ([slachtoffer 2]) [achternaam en geboortedatum], immers heeft

verdachte:

- meermalen, althans eenmaal zijn vinger(s) en/of een of meer voorwerp(en) in

de vagina van [voornaam] ([slachtoffer 2]) geduwd en/of gebracht en/of

- meermalen, althans eenmaal zijn penis in de vagina en/of anus van [voornaam]

([slachtoffer 2]) geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of

- zich meermalen, althans eenmaal door [voornaam] ([slachtoffer 2]) laten aftrekken en/of

pijpen;