Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BH1517

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
30-01-2009
Zaaknummer
08 / 5845 WW44 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om schorsing bouwvergunning 1e fase voor een kantoorpand bij Bouvigne afgewezen.

Voor de gemeentelijke parkeernorm is het van belang of een kantoor een baliefunctie heeft of niet. Het in geding zijnde kantoor van het waterschap heeft geen baliefunctie in de zin van de gemeentelijke Nota Parkeer- en Stallingsbeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 08 / 5845 WW44 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[naam eisers],

gevestigd te Breda, verzoekster,

gemachtigde mr. J.K.W.F. Goossens

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 17 december 2007 (bestreden besluit), inzake de aan Waterschap Brabantse Delta verleende reguliere bouwvergunning eerste fase voor het bouwen van een kantoorpand op het perceel [adres] te Breda.

Tevens heeft zij op 14 december 2008 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 13 januari 2009, waarbij aanwezig waren mr.[naam persoon], mr. J.K.W.F. Goossens namens verzoekster en drs. [naam persoon] namens verweerder. Vergunninghouder is gehoord bij monde van

mr. [naam persoon] en [naam persoon].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 24 november 2006 heeft vergunninghoudster verzocht om een bouwvergunning eerste fase voor het bouwen van een kantoorpand op het perceel [adres] te Breda.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend. Daarbij is verweerder met toepassing van de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid uitgegaan van een parkeernorm van 1,2 parkeerplaatsen per 100 m2 bruto vloeroppervlak (bvo). Op basis van deze norm dient het bouwplan te voorzien in 104 parkeerplaatsen. In het bouwplan zijn 114 parkeerplaatsen geprojecteerd direct ten zuiden van het gebouw.

2.2 Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat onvoldoende parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd kunnen worden omdat een belangrijk deel van de beoogde parkeerplaatsen in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en derhalve niet als zodanig in gebruik genomen mogen worden.

Subsidiair heeft verzoekster betoogd dat het kantoorpand een baliefunctie heeft en dat daarom op grond van de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid moet worden uitgegaan van 2,5 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Aldus berekend zijn 202 parkeerplaatsen op eigen terrein vereist, terwijl er maar 114 parkeerplaatsen beschikbaar zijn, aldus verzoekster.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voor zover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 Artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, bepaalde dat de bouwvergunning eerste fase slechts mag en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

Vorenbedoeld onderdeel b heeft betrekking op de gemeentelijke bouwverordening. De voorzieningenrechter gaat er voorshands van uit dat de door verweerder bij de toetsing van bouwplannen in acht te nemen parkeernorm een voorschrift van stedenbouwkundige aard is en dat het niet halen van deze norm deswege een grond voor weigering van de bouwvergunning eerste fase oplevert.

2.5 De in het bouwplan voorziene parkeerplaatsen zijn gesitueerd op gronden gelegen in het bestemmingsplan “Buitengebied”. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Breda vastgesteld op 16 juli 1992 en door gedeputeerde staten van Noord-Brabant goedgekeurd op 3 februari 1993.

Ingevolge artikel 29, derde lid, van de WRO - zoals deze bepaling luidde tot 31 december 1993 en voor zover hier van belang - treedt het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten niet in werking “indien gedurende de termijn van terinzageligging genoemd in artikel 28, zesde lid, bij Ons beroep is ingesteld en zolang op dat beroep nog niet is beslist (…)”.

De Kroon heeft, beslissend op ingestelde beroepen, het bestemmingsplan op 2 augustus 1997 goedgekeurd.

Het vorenstaande brengt met zich dat het bestemmingsplan op 2 augustus 1997 van kracht is geworden.

Artikel 22.2 van de planvoorschriften bepaalt - voor zover hier van belang - dat het gebruik van gronden dat in strijd is met het in dit plan bepaalde en dat bestaat op het tijdstip waarop het plan van kracht wordt, mag worden voortgezet en/of gewijzigd, mits door die wijziging de strijdigheid met het plan niet wordt vergroot.

Niet in geschil is dat het gebruik van het merendeel van de beschikbare 114 parkeerplaatsen in strijd is met het thans geldende bestemmingsplan “Buitengebied”. Uit de overgelegde stukken, waaronder met name de luchtfoto’s uit 1992 en 1995, blijkt dat de desbetreffende parkeerplaatsen reeds vóór het van kracht worden van dit bestemmingsplan als zodanig in gebruik waren genomen. Verweerder en vergunninghouder hebben zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat dit gebruik krachtens het hiervoor aangehaalde overgangsrecht mag worden voortgezet.

2.6 Het resterend gedeelte van de 114 parkeerplaatsen is aangelegd na het van kracht worden van het vigerende bestemmingsplan op gronden met de bestemming “Agrarisch gebied met hoge landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden”. Deze parkeerplaatsen vallen uiteraard niet onder het overgangsrecht maar zij zijn gerealiseerd met gebruikmaking van de op 23 oktober 2001 verleende aanlegvergunning. Aldus is de strijd met het in artikel 5.4 van de planvoorschriften neergelegde verbod om zonder aanlegvergunning parkeergelegenheden aan te leggen en verhardingen aan te brengen, opgeheven.

2.7 Met betrekking tot de stelling van verzoekster dat 114 parkeerplaatsen ontoereikend zijn omdat het bouwplan ook een baliefunctie heeft, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

In de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid is onderscheid gemaakt tussen kantoren zonder baliefunctie en kantoren met baliefunctie. Gegeven dit onderscheid en vooropgesteld dat elk kantoor bezoekers kan verwachten is voor het antwoord op de vraag of het in geding zijnde bouwplan een baliefunctie heeft van belang of dit gebouw een meer dan normale publieksaantrekkende werking heeft. Deze publieksaantrekkende werking moet dan volgens de normsteller (de gemeenteraad van Breda) zodanig groot zijn dat het een verdubbeling van het aantal parkeerplaatsen rechtvaardigt. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het onderhavige geval geen sprake. Het gebouw beschikt niet over een voor publiek toegankelijke balie van waaruit diensten worden geleverd. Dat betekent dat het merendeel van het bezoekende publiek op afspraak zal komen en dat enkele vrije parkeerplaatsen volstaan om te voorzien in de parkeerbehoefte van volgtijdig gemaakte afspraken. In elk geval is niet aannemelijk dat de normsteller heeft beoogd vast te stellen dat voor een kantoorgebouw als het onderhavige permanent ongeveer 100 parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor bezoekend publiek. Voorts is in dit verband nog van belang dat vergunninghouder ook enkele regiokantoren heeft waar contacten met het publiek plaats vinden.

2.8 Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het in geding zijnde bouwplan geen baliefunctie in de zin van de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid heeft en dat verweerder terecht geen strijd met de bouwverordening heeft aangenomen. Aangezien voorts de door verzoekster ter discussie gestelde verharding ten behoeve van de entree geen deel uitmaakt van het bouwplan, komt het verzoek om schorsing van het bestreden besluit niet voor inwilliging in aanmerking.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th. Peters, rechter, en in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: