Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:4268

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-11-2009
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
AWB-08_5952
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/5952

Uitspraakdatum: 30 november 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] ,

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.37) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 106.213. Bij beschikking heeft de inspecteur daarnaast een vergrijpboete opgelegd van

€ 22.786.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 10 november 2008 de navorderingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 18 november 2008, ontvangen bij de rechtbank op 24 december 2008, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2009 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote, [echtgenote] , alsmede zijn gemachtigde, [gemachtigde] , verbonden aan [kantoor] te Tilburg, alsmede namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Tijdens de zitting zijn gezamenlijk behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de procedurenummers 07/4836, 08/5952 tot en met 08/5957, 09/145 en 09/146. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.7.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

1.8.

Belanghebbende heeft bij brief van 17 september 2009, door de rechtbank ontvangen op 18 september 2009 en bij ongedateerde brief, door de rechtbank ontvangen op 22 september 2009 nadere stukken aan de rechtbank gezonden. De rechtbank heeft de brieven en de bijbehorende bijlagen bekeken. Het betreft voor het overgrote deel stukken die reeds tot de gedingstukken behoren. De inhoud van de ontvangen brieven met bijlagen, welke grotendeels stukken bevatten die reeds tot de gedingstukken behoren, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven het onderzoek te heropenen. Aangezien het onderzoek reeds is gesloten, zijn de brieven met bijlagen aan belanghebbende retour gezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is sinds 12 oktober 2005 gehuwd met [de echtgenote] (hierna: de echtgenote). Tijdens het politieverhoor op 25 april 2006 heeft belanghebbende verklaard dat zij ongeveer 11 tot 12 jaar een relatie hadden met elkaar. Zij hebben samen vier kinderen, geboren op [1995] , [1998] , [2003] en [2006] . Uit het uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat belanghebbende sinds 14 mei 1998 staat ingeschreven op de [adres 1] te [plaats 1] . Daarna heeft belanghebbende diverse malen van adres gewisseld. De echtgenote van belanghebbende en de kinderen staan vanaf respectievelijk 14 mei 1998 of vanaf de datum van hun geboorte ingeschreven op het adres [adres 1] .

2.2.

Op 21 maart 2006 heeft de belastingdienst een boekenonderzoek aangekondigd. Op de dag dat het boekenonderzoek is aangevangen, was belanghebbende niet aanwezig. Wel hebben de controlerend ambtenaren bij een bezoek aan de voormalige boekhouder van belanghebbende, [de boekhouder] , computeruitdraaien ontvangen van de administratie van cafetaria ‘ [X] ’ te [plaats 1] .

2.3.

Op [datum 1] 2006 is belanghebbende aangehouden op verdenking van overtreding van bepalingen uit de Opiumwet. Op die dag zijn bij belanghebbende in beslag genomen twee op naam van belanghebbende geregistreerde personenvoertuigen van het merk Mercedes Benz, kentekens [1] en [2] , en een op naam van de echtgenote geregistreerde Volkswagen Golf, kenteken [3] , een chalet op [Camping X] te [plaats 2] en een geldbedrag van € 6.300.

2.4.

Vervolgens is een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: sfo) gestart met als doelen, onder meer, het maken van een berekening van het door belanghebbende en zijn echtgenote verkregen wederrechtelijk voordeel over de periode 1 januari 1998 tot en met 24 april 2006. Op 19 juli 2007 is door de Dienst Nationale Recherche van de politie een rapport opgesteld van het sfo. In dit rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 1 januari 1998 tot en met 24 april 2006 door middel van vermogensvergelijking berekend op een bedrag van € 489.535.

2.5.

Uit de gedingstukken, met name uit het rapport van het sfo en de bijlagen, volgt onder meer het volgende:

  • -

    Belanghebbende heeft van april 2001 tot en met april 2004 een onderneming gedreven, te weten cafetaria ‘ [X] ’ aan [adres 2] in [plaats 1] .

  • -

    In de onderzoeksperiode van het sfo hebben belanghebbende en zijn echtgenote 74 kentekens op hun naam gehad. Uit vergelijking van de in- en verkoopprijzen van deze voertuigen, blijkt dat sprake is van een verlies van € 139.480.

  • -

    Uit gegevens van de Rijksdienst voor het wegverkeer blijkt dat in de periode 2001 tot 24 april 2006 in totaal 56 transacties hebben plaatsgevonden waarbij auto’s op naam werden gesteld van belanghebbende en/of zijn echtgenote.

  • -

    Met betrekking tot de huur van [adres 3] te [plaats 3] is gebleken dat in de periode van de huurbetalingen, van juni 2003 tot en met april 2004, in het betreffende pand een hennepkwekerij heeft gezeten. Aannemelijk is volgens het sfo dat één van de twee verantwoordelijke personen belanghebbende is geweest.

2.6.

Op [datum 2] heeft de strafkamer van de rechtbank Breda belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, wegens productie van amfetamine, teelt van hennep en witwassen.

2.7.

In hoger beroep is belanghebbende, bij vonnis van [datum 3] door het Hof

’s-Hertogenbosch, veroordeeld voor het vervaardigen van amfetamine in de periode

1 augustus 2005 tot en met 1 september 2005 alsmede het opzettelijk telen van hennep te [plaats 3] in de periode 1 juni 2003 tot en met 1 juni 2004 en te [plaats 1] in de periode

19 april 2004 tot en met 1 september 2004.

2.8.

Bij uitspraak van de rechtbank Breda van 25 maart 2009 is belanghebbende veroordeeld tot terugbetaling aan de Staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel, welk voordeel is vastgesteld op een bedrag van € 394.646,78.

2.9.

Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ingediend tot een belastbare winst uit onderneming van € 15.416 negatief. Met dagtekening 14 oktober 2005 is een definitieve aanslag opgelegd conform de ingediende aangifte. De inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 12 december 2007 een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 106.213. De inspecteur heeft correcties aangebracht voor inkomsten uit illegale activiteiten (€ 118.475), voor een verlies uit autohandel (€ 21.846 negatief) en voor privégebruik auto (€ 25.000).

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht een bedrag van

€ 106.213 tot belanghebbendes inkomen uit werk en woning heeft gerekend. Voorts is in geschil of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de inspecteur bevestigend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

3.3.

Belanghebbende concludeert – naar de rechtbank begrijpt – primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag en de boetebeschikking. In de pleitnota concludeert de gemachtigde van belanghebbende subsidiair tot overleg tussen partijen c.q. mediation.

3.4.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

Ter zake van het onder 3.3 genoemde subsidiaire standpunt, overweegt de rechtbank het volgende. Nu het voor het opstarten van een mediation traject noodzakelijk is dat beide partijen daarin toestemmen en de inspecteur ter zitting heeft aangegeven hiervoor niets te voelen, zal de rechtbank de zaak niet doorverwijzen naar mediation. Nu de inspecteur voorts heeft aangegeven geen heil te zien in nader overleg tussen partijen, ziet de rechtbank geen reden voor aanhouding van de zaak voor een dergelijk overleg.

Omkering bewijslast

4.2.

Artikel 27e van de AWR bepaalt dat, indien niet de vereiste aangifte is gedaan, of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge (onder meer) artikel 47, 47a, 49 en 52 van de AWR, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

4.3.

De inspecteur heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft ingediend.

4.4.

De bewijslast dat de aangifte materieel zodanig te laag is dat deze aangifte niet is aan te merken als de vereiste aangifte zoals bedoeld in artikel 27e van de AWR, rust op de inspecteur. De inspecteur dient voor iedere aangifte afzonderlijk feiten en omstandigheden te stellen, en die bij betwisting door belanghebbende aannemelijk te maken, waaruit volgt dat de vereiste aangifte niet is gedaan.

4.5.

De inspecteur heeft, tegenover de betwisting door belanghebbende, aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in het jaar 2003 inkomsten heeft gehad uit de handel in hennep die hij niet in de aangifte over het onderhavige jaar heeft aangegeven. De inspecteur heeft eveneens aannemelijk gemaakt dat het daarbij om een substantieel bedrag gaat. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat belanghebbende in het jaar onderhavige jaar een loods heeft gehuurd te [plaats 3] en daarin een hennepkwekerij heeft aangelegd, dat hij de hennepplanten heeft verzorgd of dat hij de planten door anderen heeft doen knippen. Hierbij verwijst de rechtbank naar de onder 2.7 genoemde uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch. Voorts beschikte belanghebbende in het onderhavige over aanzienlijk meer contant geld dan uit de wel aangegeven inkomsten voortvloeide, gezien de onverklaard gebleven contante stortingen en het uitgavenpatroon. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de omvang van de verwegen inkomsten de sanctie van de omkering van de bewijslast rechtvaardigt. Alsdan verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.6.

Met al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet het bewijs geleverd dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze zijn stelling dat hij over grote contante bedragen uit het verleden kon beschikken, onderbouwd.

Redelijke schatting

4.7.

De rechtbank dient dan nog wel te beoordelen of de navorderingsaanslag niet naar willekeur is opgelegd, maar berust op een redelijke schatting.

4.7.1.

De inspecteur is bij de berekening van de navorderingsaanslag uitgegaan van een correctie op het aangegeven inkomen op basis van in het onderhavige jaar geconstateerde contante uitgaven. De rechtbank stelt bij de beoordeling hiervan voorop dat de inspecteur in gevallen als het onderhavige in het algemeen een zekere armslag heeft omdat hij niet kan beschikken over voldoende betrouwbare gegevens en aldus een reconstructie moet maken uit de gebrekkige gegevens die wel voorhanden zijn. De inspecteur heeft deze reconstructie, met de door hem gemaakte vermogensvergelijking die gebaseerd is op de informatie uit het (financieel) strafrechtelijk onderzoek, naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig gemaakt. Hij heeft vervolgens aan de hand van (onder meer) de beschikbare bankgegevens over het onderhavige jaar getracht te komen tot een redelijke toerekening van de in totaal over de periode 2001 tot en met 2006 berekende vermogensaangroei van € 408.951. Naar het oordeel van de rechtbank is hij daarin geslaagd. Belanghebbende heeft geen afdoende, met bescheiden onderbouwde, verklaring gegeven ter zake van de herkomst van de contante stortingen en uitgaven. De inspecteur heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat belanghebbende tot de door de inspecteur genoemde contante bedragen winst uit (illegale) activiteiten heeft behaald.

4.7.2.

Voorts heeft de inspecteur nog een bedrag van € 25.000 in aanmerking genomen voor het privégebruik van een tweetal auto’s. Gelet op de feiten zoals vermeld onder 2.5 is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur in redelijkheid heeft kunnen stellen dat sprake is geweest van een handel in auto’s in de periode 1998 tot en met 2006. In het licht van deze autohandel en het feit dat belanghebbende veelal in dure auto’s van het merk Mercedes pleegde te rijden, acht de rechtbank een bijtelling voor twee auto’s met de door de inspecteur gehanteerde catalogusprijzen redelijk.

4.7.3.

Nu de inspecteur tot slot rekening heeft gehouden met het uit het sfo volgende verlies uit de autohandel, is de rechtbank van oordeel dat de navorderingsaanslag berust op een redelijke schatting.

Vergrijpboete

4.8.

De inspecteur heeft op grond van artikel 67e van de AWR, in verbinding met de paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 een boete opgelegd van 50% omdat naar zijn mening het aan opzet bij belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat het aan belanghebbendes opzet is te wijten dat de aanslag over het onderhavige jaar te laag is vastgesteld. Belanghebbende heeft de inkomsten uit de handel in hennep niet in de aangifte over het onderhavige jaar opgenomen. Door die inkomsten niet aan te geven heeft hij de niet denkbeeldige kans aanvaard dat de aanslag tot een te laag bedrag zou worden vastgesteld. In dat geval is het aan opzet van belanghebbende te wijten dat de aanslagen over de onderhavige jaren te laag zijn vastgesteld. De inspecteur heeft derhalve terecht een boete opgelegd.

4.10.

De rechtbank acht in het onderhavige geval, gelet op de hoogte van de correcties en de zwaarte van de feiten, een boete van € 22.786, zowel absoluut als relatief gezien, passend en geboden. Hierbij heeft de rechtbank tevens meegewogen dat de naheffingsaanslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast.

4.11.

Tussen de aankondiging van de boete bij brief van 20 november 2007 en de uitspraak van de rechtbank op het beroep betreffende die boete zijn iets meer dan twee jaren verstreken. De rechtbank is van oordeel dat daarmee de redelijke termijn is overschreden (undue delay), hetgeen aanleiding geeft tot matiging van de boete met 5% tot € 21.646.

4.12.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep voor zover het de boete betreft gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten.

5.2.

Als uitgangspunt voor de vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand geldt dat de hoogte van de vergoeding wordt berekend met inachtneming van de forfaitaire normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

Artikel 2, derde lid, van het Besluit, biedt evenwel de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden af te wijken van de in het Besluit opgenomen forfaitaire normen.

5.3.

Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond, aldus de Hoge Raad, indien de Belastingdienst het verwijt treft dat het een beschikking heeft gegeven terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, BNB 2007/260). Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de inspecteur een verwijt treft in de zin van het hiervóór genoemde arrest van de Hoge Raad.

5.4.

De kosten zijn dan op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De rechtbank beschouwt de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder procedurenummers AWB 07/4836, 08/5952 tot en met 08/5957, 09/145 en 09/146 als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Nu van alle samenhangende zaken er twee gegrond zijn, wordt aan de onderhavige zaak 1/2 deel daarvan toegerekend of € 322.

6. Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boete;

  • -

    vermindert de boete tot € 21.646;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 322;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

Aldus gedaan door mr. W. Brouwer, rechter, en door deze en mr.drs. M.H. van Schaik, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.