Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:4220

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
AWB 09_1448
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet ruimtelijke ordening; Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening; Woningwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 09 / 1448 WW44

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[naam eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde [naam gemachtigde],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda,

verweerder.

1 Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 januari 2009 (bestreden besluit), inzake het weigeren van een reguliere bouwvergunning ten behoeve van het legaliseren van een woonwagen aan de [adres].

Het beroep is, gevoegd met procedurenummer 09 / 843 WW44, behandeld ter zitting van 8 oktober 2009, waarbij aanwezig waren eiser, zijn moeder [naam persoon1], zijn gemachtigde en namens verweerder [naam vertegenwoordiger1].

2 Beoordeling

2.1

Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft op 30 augustus 2007 een aanvraag ingediend voor een reguliere bouwvergunning ter legalisering van een woonwagen op het perceel plaatselijk bekend [adres], kadastraal bekend sectie [sectie], nummer [nummer]. De woonwagen wordt bewoond door zijn moeder [naam persoon1]. Bij besluit van 24 september 2008 (primair besluit) heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning geweigerd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.2

Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat de woonwagen al vanaf 1992 op deze manier op het woonwagenkamp staat. In vergelijkbare gevallen is dit geaccepteerd of is er wel een bouwvergunning verleend, waardoor verweerder handelt in strijd met het verbod van willekeur. Eiser wijst erop dat het verwijderen van een deel van zijn woonwagen onevenredige financiële consequenties meebrengt.

Eiser heeft ter zitting erop gewezen dat, toen de woonwagen op het perceel [adres] is geplaatst, daarvoor nog geen bouwvergunningplicht gold. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij dus helemaal geen bouwvergunning heeft moeten aanvragen.

2.3

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Ingevolge artikel 8.17 van Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is per 1 juli 2008 ook de Woningwet (Wonw) gewijzigd.

De aanvragen voor de onderhavige bouwvergunning zijn ingediend op 30 augustus 2007. Gelet op de artikelen 9.1.10 en 9.5.1 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft het recht zoals dat gold voor 1 juli 2008 van toepassing ten aanzien van een bouwvergunning en een vrijstelling waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

Artikel 40, eerste lid, van de Wonw bepaalt dat:

  1. het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning;

  2. een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten,

tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.

In artikel 44, eerste lid, aanhef en sub c, van de Wonw is bepaald dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.4

Het standpunt van eiser, dat hij op 30 augustus 2007 geen bouwvergunning had moeten aanvragen omdat ten tijde van het plaatsen van de woonwagen nog geen vergunningplicht gold, kan de rechtbank niet volgen. Van belang is dat ten tijde van de bouwaanvraag er wel een bouwvergunningplicht gold. Ingevolge artikel 40, eerste lid, sub b, van de Wonw is het verboden een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder bouwvergunning, in stand te laten. Verweerder heeft derhalve terecht gesteld dat eiser gehouden was een bouwvergunning aan te vragen voor de in geding zijnde woonwagen, teneinde deze in stand te kunnen laten.

2.5

Het perceel[adres] is gelegen in het bestemmingsplan “Verspreide Woonwagenstandplaatsen”. Op het onderhavige perceel rust de bestemming ‘woonwagenstandplaatsen’.

Ingevolge artikel 3, onder A, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor woonwagenstandplaatsen aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden in de vorm van woonwagens en woningen met daarbij behorende nevenruimten, bijgebouwen, tuinen, erven en parkeerplaatsen.

Ingevolge artikel 3, onder B, van de planvoorschriften mogen op deze gronden uitsluitend worden gebouwd danwel geplaatst:

  1. woonwagens of woningen tot een op de kaarten aangegeven maximaal aantal;

  2. bijgebouwen ten dienste van deze bestemming, zoals (open) bergplaatsen, sanitaire ruimten, garages en carports;

  3. […].

Op het gebouwde op het perceel [adres] rust deels de bestemming ‘verkeersdoeleinden’. Ingevolge artikel 6, onder B, van de planvoorschriften mogen op deze gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, niet zijnde gebouwen, ten dienste van en/of passende in de bestemming tot een hoogte van 8,50 m¹.

Niet in geschil is dat de in geding zijnde woonwagen is gebouwd in strijd met het bestemmingsplan, voor zover deze is gebouwd in het bestemmingsvlak ‘verkeersdoeleinden’.

2.6

Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Er zijn aan de [adres] meerdere woonwagens die deels op de bestemming ‘verkeersdoeleinden’ zijn gebouwd. Eiser doelt in dat verband in het bijzonder op de woonwagen aan de [adres2]. Ter zitting zijn foto’s overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aangetoond dat het een identiek geval betreft. Eiser heeft niet aangetoond dat er buiten het bestemmingsvlak is gebouwd. De overgelegde foto’s bieden daartoe onvoldoende duidelijkheid. Bovendien, zo heeft verweerder ter zitting verklaard, is bouwvergunning verleend voor een woonwagen in het bestemmingsvlak ‘woonwagenstandplaatsen’. Als het zo zou zijn dat er buiten het bestemmingsvlak is gebouwd, dan zou daartegen handhavend moeten worden opgetreden, aldus verweerder. Ook ten aanzien van de overige woonwagens heeft eiser onvoldoende aangetoond dat het identieke gevallen betreffen.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan gezien het voorgaande niet slagen en deze grief dient dan ook te worden verworpen.

2.7

Eiser heeft voorts een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Eiser heeft er in dat kader op gewezen dat de in geding zijnde woonwagen sinds 1992 op de woonwagenstandplaats staat, dat verweerder al 15 jaar op de hoogte is van deze situatie en dat hij deze bovendien mondeling heeft geaccepteerd. Ter zitting is in dat verband toegelicht dat de woonwagens op verzoek van de gemeente van een bestaand woonwagenkamp in [plaats1] zijn verplaatst naar de [adres]. De verplaatsing is volgens eiser destijds begeleid door de gemeente en alles is akkoord bevonden. Gemeenteambtenaar [naam ambtenaar] heeft destijds bovendien gezegd dat de desbetreffende strook ‘verkeersdoeleinden’ mag worden gebruikt, mits de openbare weg niet wordt afgesloten.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen heeft gedaan die bij de aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. In de lijn van deze jurisprudentie dient te worden geoordeeld, dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen, omdat hij dit onvoldoende heeft onderbouwd.

Deze grief dient derhalve te worden verworpen.

2.8

Onder overweging 2.4 is vastgesteld dat de in geding zijnde woonwagen voor een deel in strijd met het bestemmingsplan is gebouwd. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat er ingevolge artikel 15 van de WRO geen mogelijkheden zijn om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. De rechtbank kan dit standpunt niet volgen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en sub a, van de planvoorschriften (vrijstellingsbevoegdheid artikel 15 WRO) zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het plan voor het aanbrengen van geringe wijziging in de plaats en de richting van de bestemmingsgrenzen indien dit noodzakelijk is in verband met de afwijkingen en onnauwkeurigheden van de kaart ten opzichte van de feitelijke situatie.

Uit het bestreden besluit kan niet worden afgeleid dat verweerder het gebouwde aan dit artikel heeft getoetst. Dit artikel lijkt specifiek te zijn toegesneden op een situatie als de onderhavige. Dit zou naar het oordeel van de rechtbank ook passen bij de toelichting die eiser ter zitting heeft gegeven over de verplaatsing van de bestaande woonwagens van het woonwagenkamp te [plaats1] naar de [adres]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook ten onrechte overwogen dat er met toepassing van artikel 15 van de WRO geen mogelijkheden zijn om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan.

2.9

Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit rechtens niet standhouden. Het beroep van eiser zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.10

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 145,00 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 322,00.

Aldus gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, en door deze en N.A. D’Hoore, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's‑Gravenhage.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij gronden van uw beroep (ook ‘grieven’ genoemd) uitdrukkelijk verworpen. Indien u daarin niet wilt berusten, moet u tegen de uitspraak binnen bovengenoemde termijn hoger beroep instellen.

Afschrift verzonden op: