Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BZ8819

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
06/598
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/598

Uitspraakdatum: 11 februari 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Limburg/kantoor Roermond, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f 86.790, alsmede bij afzonderlijke beschikkingen een boete van f 28.273 en heffingsrente ad f 2.912 vastgesteld.

1.2. De inspecteur heeft bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 23 december 2005 de navorderingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 1 februari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 2 februari 2006, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7. Voorafgaand aan het onderzoek ter zitting heeft op 19 april 2007 een comparitie plaatsgevonden. Aldaar zijn verschenen, namens belanghebbende, [gemachtigden], alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden]. De aldaar tussen partijen gemaakte afspraken zijn vastgelegd in en verzonden aan partijen bij brief van de rechtbank van 20 april 2007.

1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8, 9 en 11 oktober 2007 te Breda. Tijdens de zittingen van 8 en 9 oktober 2007 zijn daarbij gezamenlijk behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de procedurenummers 06/469, 06/470, 06/584, 06/585, 06/586, 06/583, 06/592, 06/587, 06/595, 06/596, 06/588, 06/593, 06/598, 06/589, 06/597, 06/594, 06/599, 06/600, 06/602, 06/611, 06/605, 06/608, 06/609, 06/621, 06/617, 06/610, 06/613, 06/619, 06/620, 06/622, 06/1462, 06/1805, 06/1804, 06/1616, 06/1195, 06/1196, 06/1806, 06/1807, 06/5081, 06/5082, 06/5083, 06/5084, 06/3612, 06/3613, 06/2080, 06/2078, 06/2077, 06/2079, 06/3248, 06/3246, 06/3247, 06/3230, 06/3334, 06/3333, 06/2816, 06/3567, 06/3568, 06/4668, 06/5261, 06/5229; ter zake van de gezamenlijke aspecten van deze zaken heeft de rechtbank een zogenaamd moederdossier aangelegd. Tijdens de zitting van 11 oktober 2007 zijn gezamenlijk behandeld de zaken met de procedurenummers 06/587, 06/595, 06/596, 06/588, 06/593, 06/598, 06/589, 06/597, 06/594 en 06/599. Voor een overzicht van het verhandelde ter zittingen alsmede de aldaar verschenen personen verwijst de rechtbank naar de processen-verbaal van de zittingen die bij deze uitspraak zijn gevoegd.

1.9. Partijen hebben ieder ter zitting van 11 oktober 2007 een pleitnota overgelegd en, voor zover nodig, voorgedragen.

1.10. Partijen hebben na de zittingen, bij brieven van 15 en 21 november 2007, een herrekening van de belastingaanslagen aan de rechtbank doen toekomen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbendes aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2000 is op 4 juli 2001 bij de inspecteur ingekomen. Met dagtekening 29 november 2001 is een aanslag opgelegd, waarbij het belastbare inkomen is vastgesteld op f 12.313. Op 6 december 2001 is een bezwaarschrift tegen deze aanslag ontvangen. Naar aanleiding van het bezwaarschrift is het belastbare inkomen verminderd tot f 5.833.

2.2. Bij brief van 18 december 2003 heeft de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag en de boete aangekondigd. De navorderingsaanslag heeft als dagtekening 18 december 2003.

2.3. Het bezwaarschrift met dagtekening 24 december 2003 is door de inspecteur ontvangen op 29 december 2003.

2.4. Belanghebbende en zijn zoon, [zoon], exploiteren in maatschapverband een bedrijf met als activiteit groenteteelt op open grond. De teelten betreffen asperges, aardbeien en prei. In 2000 en 2001 was belanghebbende voor 30% gerechtigd tot de winst en de zoon voor 70%.

2.5. De maatschap heeft van 1995 tot en met begin 2004 door tussenkomst van [A BV] (hierna: [A BV]) overeenkomsten gesloten met achtereenvolgens de naar Pools recht opgerichte vennootschappen [onderneming B] ([onderneming B]), [onderneming C] ([onderneming C]) later genaamd [onderneming D] ([onderneming D]) en [onderneming E] ([onderneming E]). Van deze vennootschappen was [K] (hierna: [K]) enig aandeelhouder. Directeur van [onderneming E] was [S] (hierna: [S]). Vergelijkbare overeenkomsten zijn in deze jaren afgesloten door een groot aantal tuinders in de omgeving van belanghebbende.

2.6. Tot de stukken behoort een overeenkomst tussen de maatschap en [onderneming E] van 1 mei 2000. Deze overeenkomst is ongeveer gelijk aan de overeenkomsten die de maatschap in andere jaren met [onderneming E] of de andere naar Pools recht opgerichte vennootschappen heeft gesloten. De overeenkomst luidt als volgt:

OVEREENKOMST VAN KOOP EN VERKOOP

De ondergetekenden:

1. [maatschap] gevestigd in Nederland te [woonplaats] aan de [adres] hierna te noemen de verkoper;

2. [onderneming E] gevestigd in Polen, te [plaats X] hierna te noemen de koper.

De koper en de verkoper zijn een overeenkomst van koop en verkoop aangegaan, waarvan de inhoud alsmede de daarop van toepassing zijnde voorwaarden en bepalingen worden weergegeven in de hierna opgenomen artikelen 1 tot en met 10. Bij het tot stand komen van deze overeenkomst hebben de koper en de verkoper zich laten leiden door de volgende feiten en overwegingen.

A. De verkoper heeft een tuinbouwbedrijf in Nederland en wenst het gebruik van zijn produktiefaci1iteiten optimaal te benutten alsmede de produktie, afzet en export van dit tuinbouwbedrijf te stimuleren door het verkopen van zijn produkten in en buiten Nederland.

B. De koper wenst tuinbouwprodukten te produceren te kopen in Nederland teneinde de import en haar handelsgebied te verbeteren en te vergroten.

C. De verkoper en koper wensen een overeenkomst van koop en verkoop aan te gaan met betrekking tot de opbrengsten van een nader te bepalen produktie van in de bijlage onder 2 genoemd produkt, waartoe de verkoper en koper op nader te bepalen wijze elkaar wederzijds zullen ondersteunen maar waarbij het risico van de produktie zowel formeel als daadwerkelijk overgaat op de koper.

OMSCHRIJVING VAN HET VERKOCHTE EN GEKOCHTE

ARTIKEL 1

1.1 De verkoper heeft verkocht aan de koper en de koper heeft gekocht van de verkoper de oogst van de in de bijlage onder 2 genoemd produkt gedurende de in de bijlage onder 5 en 6 genoemde periode te velde, te kweken en als volgroeid produkt te oogsten van de in de bijlage onder 1 genoemde cultuurgronden.

1.2 De verkoper en koper gaan er voor deze overeenkomst vanuit dat de in het vorige lid bedoelde oogst van in de bijlage genoemd produkt een totale omvang zal hebben van de hoeveelheid als genoemd onder 3 van de bijlage. Indien deze hoeveelheid meer of minder is, is het voordeel of nadeel daarvan voor rekening en risico van de koper.

1.3 De verkoper verplicht zich tot levering en de koper verplicht zich tot afname van de in lid 1.1 genoemde oogst van in de bijlage genoemd produkt.

KOOPSOM

ARTIKEL 2

2.1 De koopsom bedraagt als genoemd onder 4 in de bijlage.

2.2 De koopsom wordt niet gewijzigd indien de oogst van in de bijlage genoemd produkt meer of minder beloopt dan de oogst waarvan de koper en/of de verkoper uitgingen bij het aangaan van deze overeenkomst.

BETALING VAN DE KOOPSOM EN GARANTIES

ARTIKEL 3

3.1 Binnen drie weken na levering en afname van een gedeelte van de in de bijlage genoemd produktoogst zal de koper de koopsom geheel of gedeeltelijk betalen.

3.2 De koper dient na een afname of levering van een gedeelte van de totale in de bijlage genoemd produktoogst een deel van de totale koopsom te betalen naar de verhouding tussen het aantal geleverde en afgenomen kilo’s of stuks van in de bijlage genoemd produkt en de totale in de bijlage genoemd produktoogst, zoals deze bij het aangaan van deze overeenkomst werd bepaald in lid 1.2.

RETENTIERECHT

ARTIKEL 4

4.1 De koper erkent dat de verkoper gebruik kan maken van het retentierecht.

4.2 De koper geeft bij deze zijn recht tot verdediging tegen het verlies van zijn eigendomsrechten van het aangeboden en niet betaalde gedeelte van de in lid 1.1 bedoelde in de bijlage genoemd produktoogst op en is zijnerzijds dan van rechtswege ontslagen van zijn afnameverplichting voor dat gedeelte indien de verkoper van het in het vorige lid bedoelde retentierecht gebruik maakt.

BIJZONDERE VERKLARINGEN VAN DE KOPER

ARTIKEL 5

5.1 De koper verklaart dat hij voor de duur van de overeenkomst het groeirisico volledig voor zijn rekening en risico zal nemen.

5.2 De koper zal de verkoper vrijwaren voor alle verplichtingen welke voortvloeien uit kwalitatieve en kwantitatieve reclames en klachten indien en voor zover deze verband houden met het groei risico.

5.3 De koper verklaart het risico te dragen dat de oogst niet tot een commerciële kwaliteit kan worden gekweekt of geoogst of in kwantiteit onder de algemeen gangbare norm, geldende voor de produktie van in de bijlage genoemd produkt onder gelijke omstandigheden, zal liggen.

BIJZONDERE VERKLARINGEN VAN DE VERKOPER

ARTIKEL 6

6.1 De verkoper verplicht zich tot het beschikbaar stellen aan de koper van de onder 1.1 genoemde percelen voor de realisatie door de koper van de onder 1.1 gemelde handelingen in verband met de in artikel 1 genoemde oogst gedurende de in de lid 1.1 genoemde periode.

6.2 De verkoper verplicht zich gedurende de in lid 1.1 genoemde periode tot het beschikbaar stellen aan de koper van diverse voorzieningen, werktuigen, infrastructuur, hulpmiddelen en de benodigde energie voor het aandrijven van voorzieningen en werktuigen en het beheren van genoemde infrastructuur noodzakelijk voor het kweken en oogsten van de onder lid 1.1 genoemde oogst van commerciële kwaliteit.

6.3 De vergoedingen voor het ter beschikking stellen van de in dit artikel gemelde faciliteiten en voorzieningen worden geacht te zijn begrepen in de in artikel 2 genoemde koopsom.

6.4 De verkoper geeft de koper en zijn personeelsleden en/of vennoten en/of partners en/of executives van de koper het onherroepelijk recht om gedurende de in lid 1.1 gestelde periode te allen tijde de in lid 1.1 gemelde percelen te betreden al dan niet met enige vorm van uitrustingsstukken, werktuigen of transportmiddelen indien en voor zover deze direct of indirect dienend zijn aan het inspecteren, bewaken, verzorgen, bewerken, kweken, oogsten en transporteren van de in artikel 1 bedoelde oogst.

BEËINDIGING VAN DE OVEREENKOMST

ARTIKEL 7

7.1 De overeenkomst loopt teneinde op 31-12-2000.

7.2 De overeenkomst loopt teneinde nadat de in artikel 1 bedoelde oogst geleverd en afgenomen is en voor het overige zowel koper als verkoper aan hun verplichtingen uit deze overeenkomst hebben voldaan.

7.3 De overeenkomst kan voor het in lid 7.2 genoemde tijdstip in onderling overleg en met instemming van zowel verkoper als koper worden beëindigd door ondertekening van een schriftelijke verklaring.

7.4 Met ingang van het tijdstip waarop de overeenkomst wordt ontbonden, wordt de verkoper eigenaar van de aan de koper verkochte oogst in de staat waarin deze zich op dat moment bevindt.

7.5 Koper en verkoper kunnen in onderling overleg de duur van deze overkomst verlengen tot een nader te bepalen datum.

VESTIGING OPSTALRECHT

ARTIKEL 8

8.1 De koper en de verkoper kunnen van elkaar vorderen om voor de duur van deze overeenkomst een recht van opstal te vestigen op de beplantingen, die de verkoper in eigendom heeft op de in lid 1.1 genoemde percelen.

8.2 In de notariële akte van vestiging van het in lid 8.1 bedoelde opstalrecht neemt de koper de verplichting op zich om aan de verkoper op de tijdstippen waarop het produkt wordt geoogst of voorbereid is voor afname conform het bepaalde in artikel 3 de koopsom te betalen.

KOSTEN

ARTIKEL 9

Alle kosten op deze overeenkomst van koop en verkoop betrekking hebbende, zijn voor rekening van de koper of de door hem aan te wijzen derde, met dien verstande dat een en ander voor rekening van de koper blijft indien de derde in gebreke is.

TOEPASSELIJK RECHT

ARTIKEL 10

10.1 Op deze overeenkomst is steeds het Nederlands recht van toepassing.

10.2 Alle geschillen, welke niet in onderling overleg kunnen worden opgelost en welke niet tot de competentie van de kantonrechter behoren, voortvloeiende uit of verband houdend met de uitvoering van deze overeenkomst worden door ondergetekenden in eerste aanleg aanhangig gemaakt bij de rechtbank van het arrondissement waarin de verkoper zijn woonplaats heeft gekozen.

10.3 De in deze overeenkomst genoemde bijlage wordt geacht een onlosmakelijk deel uit te maken van deze overeenkomst, en daar een geheel mee te vormen.

Aldus opgemaakt te [plaats X] en ondertekend

te [woonplaats] op 01-05-2000.

2.7. Tot de stukken behoren bijlagen als vermeld in artikel 1.1. van de overeenkomst. Deze bijlagen vermelden de volgende produkten, prijzen en cultuurgronden:

Bijlage Produkt Opp Hoeveelheid Prijs f Oogstperiode 2000 Kadastrale omschrijving grond

001 Asperges 6 ha 45.000 kg 135.000 25-4 t/m 25-6 [sectie]

002 Asperges 3,9 ha 30.000 kg 92.500 25-4 t/m 25-6 [sectie]

003 Asperges 3,5 ha 13.000 kg 45.750 25-4 t/m 25-6 [sectie]

004 Prei 4 ha 100.000 kg 100.000 1-7 t/m 31/8 [sectie]

005 Aardbeien 3,5 ha 63.000 kg 155.000 1-7 t/m 31/8 [sectie]

Totaal 528.250

2.8. De onder 2.7 vermelde bedragen zijn aan de maatschap uitbetaald via een rekening die op naam stond van [onderneming D], de Poolse vennootschap waarmee de maatschap in het jaar 1999 een soortgelijke overeenkomst had gesloten. Het bedrag van f 528.250 is in 2000 als omzet van de maatschap verantwoord. De betalingen door [onderneming E] aan de maatschap over de jaren 2000 en 2001 vallen niet binnen de in de overeenkomsten genoemde oogstperiode en ten dele evenmin binnen de in de contracten opgenomen betaaltermijn. De betalingen zijn niet exact te herleiden tot de verschillende contracten.

2.9. De door de maatschap aan [onderneming E] verkochte producten zijn geoogst door Poolse arbeiders. De maatschap heeft woonruimte voor maximaal 50 Poolse arbeiders gerealiseerd. De maatschap heeft voor de aan [onderneming E] verkochte producten hagelverzekeringen afgesloten. De premies zijn door de maatschap betaald en in mindering gebracht op de winst.

2.10. De onder 2.7 vermelde producten zijn door tussenkomst van een schoonzoon van belanghebbende, [schoonzoon], verkocht via [veiling] te Venlo voor een bedrag van f 855.460. [schoonzoon] was lid van die veiling. Volgens de contracten werden de goederen door [onderneming E] aan [schoonzoon] verkocht via [A BV] ([A BV]). [A BV] fungeerde als intermediair tussen belanghebbende, [onderneming E] en de Poolse werknemers en hield de loonadministratie bij. De maatschap , [onderneming E] en [A BV] waren geen lid van de veiling. Enig aandeelhouder in [A BV] is [K]. De volledige veilingopbrengst werd uitbetaald aan [A BV]. [A BV] betaalde 99% van deze koopprijs door aan [onderneming E] op een Luxemburgse bankrekening. Door de veiling werden transportkosten aan de maatschap in rekening gebracht die de maatschap ten laste van de winst heeft gebracht. Naast de onder 2.7. vermelde producten produceerde de maatschap winterprei. De winterprei is niet aan [onderneming E] verkocht.

2.11. De inspecteur stelt dat de contracten met [onderneming E] realiteit ontberen. Hij heeft bij alle betrokken tuinders de gehele winst die is gemaakt bij de uiteindelijke verkoop van de producten toegerekend aan de tuinders zelf, onder aftrek van een bedrag voor loonkosten van de Poolse arbeiders. Die loonkosten heeft de inspecteur gesteld op f 8 per uur en het aantal gewerkte uren heeft hij afgeleid uit de bij [A BV] aangetroffen administratie. Voor de maatschap beloopt de aldus over 2000 berekende winstcorrectie f 269.856, waarvan 30% of f 80.957 voor belanghebbende. Uit de brieven vermeld in 1.10 blijkt dat dat bedrag in elk geval verlaagd moet worden tot f 78.391.

2.12. Op naar aanleiding van kwaliteitskeuringen door Naktuinbouw afgegeven certificaten voor de door de maatschap geteelde aardbeien wordt de maatschap als producent vermeld. Diverse instanties in de tuinbouwsector, onder meer onderzoeksbureau PRI, de Plantenziektekundige dienst en Stichting-Controle-Bureau voor Groenten en Fruit beschouwen de maatschap als producent.

2.13. De maatschap is in 2003 respectievelijk 2004 door de economische politierechter van de rechtbank te Roermond en, in hoger beroep, het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch veroordeeld ter zake van het op of omstreeks 15 en 16 juni 1999 tewerkstellen van Poolse werknemers zonder tewerkstellingsvergunning. Voor 1999 had de maatschap met [onderneming D] eenzelfde overeenkomst afgesloten als voor het jaar 2000 met [onderneming E]. Het gerechtshof overwoog dat de feitelijke verhouding tussen de maatschap en de Poolse arbeidskrachten zodanig was dat de maatschap werkgeefster was in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen en dat de overeenkomst met [onderneming D] moest worden aangemerkt als een papieren constructie om de werkelijkheid te verhullen.

2.14. Aan [onderneming E] zijn over het onderhavige jaar aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd ter zake van dezelfde winstbedragen als waarover bij belanghebbende en zijn zoon is geheven. [onderneming E] heeft het aan haar uitgereikte aangiftebiljet vennootschapsbelasting niet geretourneerd en heeft de belasting niet betaald. Ook de andere, in 2.5 vermelde Poolse vennootschappen hebben in Nederland geen aangifte gedaan noch belasting betaald.

2.15. Het Poolse Ministerie van Financiën heeft over [onderneming E] de volgende informatie verstrekt: [onderneming E] is opgericht in het jaar 2000. Als registratieadres is opgegeven: [adres], [plaats X] en als bedrijfsadres [adres]. Op dit laatste adres bevindt zich een appartement dat eigendom is van [K] en wordt gehuurd door [S]. [onderneming E] heeft in Polen geen aangiften gedaan, noch voor de inkomsten- noch voor de omzetbelasting, en heeft geen Poolse loonbelasting ingehouden.

2.16. Op 13 juli 2004 is namens de inspecteur een onderzoek gestart bij de maatschap. Daarbij bleek dat de maatschap in 2003 een nieuwe computer had aangeschaft en dat de oude computer niet meer aanwezig was. De controleur heeft inzage gevraagd in de emails en bestanden van de computer, welke inzage is geweigerd. Tussen partijen is afgesproken dat de maatschap een (ten tijde van de controle gemaakte) kopie van de harde schijf alsnog zou verstrekken indien de civiele rechter oordeelt dat de informatie moet worden verstrekt. Hetzelfde is gebeurd bij een aantal andere tuinders. Op 21 maart 2006 (gepubliceerd in VN 2006/21.4) heeft de meervoudige kamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in kort geding in de ter zake aangespannen proefprocedure de betreffende tuinder veroordeeld tot het inzage verstrekken in en afschriften verstrekken van de emailberichten met bijlagen die zich bevonden op de computer, op een door de inspecteur aan te geven wijze (bijvoorbeeld door middel van het “uitlezen” van de harde schijf van de desbetreffende computer). Belanghebbende heeft op 23 oktober 2006 een viertal cd-roms met daarop de inhoud van de betreffende computer aan de inspecteur verstrekt.

2.17. Belanghebbende heeft zorg gedragen voor het sluiten van individuele reisverzekeringen bij verzekeringsmaatschappij AON, in het jaar 2000 voor zeven en in het jaar 2001 voor acht Poolse personen en in het jaar 2002 voor één Pool. Op een bij AON aangetroffen brief over deze laatste verzekering is aangetekend dat de maatschap de verzekeringspremie contant betaalt. Ter zake van deze verzekeringen zijn geen premies ten laste van de winst van de maatschap gebracht. De inspecteur heeft gesteld dat dit zwart betaalde Poolse werknemers betrof die in de betreffende jaren werkzaamheden verrichtten bij het aanplanten van aardbeien en prei en het schonen van (niet aan [onderneming E] verkochte) winterprei. De inspecteur heeft het zwarte loon berekend op f 24.318 voor 2000 en f 30.978 voor 2001.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?

2. Zo dit niet het geval is, is belanghebbende ter zake van de tussenschakeling van [onderneming E] te kwader trouw?

3. Heeft belanghebbende een onjuiste aangifte gedaan danwel niet voldaan aan de op hem rustende administratie- c.q. informatieverplichtingen en is dientengevolge sprake van verschuiving en verzwaring van de bewijslast als is bedoeld in artikel 27e AWR?

4. Is de aanslag binnen de wettelijke termijn vastgesteld?

5. Is de correctie op de winst van belanghebbende terecht?

6. Is de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?

7. Belemmert het vertrouwensbeginsel het opleggen van de navorderingsaanslag?

8. Is sprake van ongeoorloofde dubbele heffing bij [onderneming E] en belanghebbende?

Belanghebbende beantwoordt de vragen 1 tot en met 6 ontkennend en de vragen 7 en 8 bevestigend en de inspecteur beantwoordt die vragen in tegengestelde zin.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting dat aan deze uitspraak is gehecht.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag en beschikkingen.

De inspecteur concludeert tot tot gegrondverklaring van het beroep en verlaging van het belastbaar inkomen tot f 84.224.

4. Beoordeling van het geschil

Getuigenverhoor

4.1. Belanghebbende heeft verzocht [G], [K] en [S] als getuigen te horen. De getuigen [G] en [K] zijn gehoord ter zitting van 8 oktober 2007. [S] is bij brief verzonden op 23 augustus 2007 opgeroepen om op 8 oktober 2007 te verschijnen om als getuige te worden gehoord. Zij is niet verschenen. De rechtbank ziet geen reden voor maatregelen teneinde [S] op andere wijze op te roepen c.q. in het buitenland te doen horen, nu blijkbaar geen juist adres bekend is, ook niet bij belanghebbende, en niet aannemelijk is dat zij als getuige gehoord zal kunnen worden.

Nieuw feit

4.2. Op grond van artikel 16 AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur.

4.3. De inspecteur stelt dat de uitkomsten van een onderzoek naar [onderneming B] het vermoeden hebben gewekt dat (ook) bij de contracten van [onderneming E] sprake was van schijncontracten en dat daardoor sprake is van een nieuw feit. Het onderzoek naar [onderneming B] is gestart in 1997. Daarbij bleek dat de opzet met een Poolse tussenpersoon in 1994 was bedacht om tuinders de mogelijkheid te bieden met Poolse arbeiders te werken. In de adviezen ter zake die dateren uit 1994 en 1995 werd de tuinders geadviseerd zelf, met een aantal tuinders, een Poolse vennootschap op te richten of te kopen en werden kostenbegrotingen gemaakt, onder meer ook voor de bemiddeling door [A BV]. De inspecteur leidt daaruit af dat belanghebbende eigenlijk medeaandeelhouder is in de Poolse vennootschap, in het onderhavige jaar [onderneming E], die de oogst op stam heeft gekocht en dat de winsten die [onderneming E] realiseerde op de contracten met belanghebbende aan belanghebbende moesten worden toegerekend.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat de onder 4.3 vermelde bevindingen, in het bijzonder die omtrent de uit 1994 en 1995 daterende adviezen, een onderzoek naar de realiteitswaarde van de contracten met [onderneming E] rechtvaardigden en dat de bevindingen uit dat onderzoek een nieuw feit opleveren dat navordering rechtvaardigt.

4.5. Belanghebbende stelt dat de bevindingen uit het [onderneming B]-onderzoek al bestonden ten tijde van de primitieve aanslagregeling over 2000 en verwijst naar een proces-verbaal van de arbeidsinspectie uit 1999 dat is opgesteld in het kader van het [onderneming B]-onderzoek en in 2001 ter beschikking van de belastingdienst is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de inhoud van dit proces-verbaal niet zodanig duidelijk dat de inspecteur daaruit ten tijde van het regelen van de primitieve aanslag over 2000 had moeten begrijpen dat een nader onderzoek van de aangifte van belanghebbende naar de realiteitswaarde van de door belanghebbende met [onderneming E] gesloten contracten geboden was.

4.6. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De enkele omstandigheid dat de inspecteur de aangiften van belanghebbende wel heeft geaccepteerd in de jaren dat contracten werden gesloten met [onderneming B] kan naar het oordeel van de rechtbank bij belanghebbende in redelijkheid niet de indruk hebben gewekt dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling met betrekking tot alle contracten waarin oogst op stam aan een Poolse vennootschap werd verkocht.

De bewijslast

4.7. Artikel 27e AWR bepaalt dat, indien niet de vereiste aangifte is gedaan, of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47, 47a, 49, 52 AWR, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.8. De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de juiste aangifte heeft gedaan omdat de verkoopovereenkomsten met [onderneming E] realiteitsgehalte ontberen. In beginsel rust de bewijslast dat de aangifte onjuist is, op de inspecteur. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de omstandigheid - indien bewezen - dat de contracten met [onderneming E] niet weergeven hetgeen partijen bij die overeenkomst hebben beoogd, niet zonder meer met zich dat belanghebbende een onjuiste aangifte heeft gedaan. Van een onjuiste aangifte is eerst sprake indien de door belanghebbende in die aangifte vermelde winst onjuist is. De vraag of daarvan sprake is, is onderwerp van deze procedure en dient derhalve eerst volgens de gewone regels van het bewijsrecht te worden beoordeeld.

4.9. Ingevolge artikel 47 van de AWR is belanghebbende verplicht desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.

4.10. Vaststaat dat de inspecteur gegevens en inlichtingen heeft gevraagd en dat belanghebbende gegevens en inlichtingen heeft verstrekt. Dienaangaande overweegt de rechtbank voorts:

Voorzover belanghebbende de informatie niet direct maar pas na geruime tijd heeft verstrekt, zoals is gebeurd bij de CD-roms met de informatie van de computer en het “Rapport inzake bedrijfsovername”, merkt de rechtbank dit aan als een tekortschieten van belanghebbende in zijn plicht tot inlichtingenverstrekking welke ten aanzien van de CD-roms echter is geheeld doordat belanghebbende de ten tijde van het verzoek op de computer aanwezige informatie heeft zekergesteld door deze te copiëren naar CD-Rom en die CD-Roms later alsnog ter beschikking van de inspecteur te stellen. Ook het “Rapport inzake bedrijfsovername” is alsnog verstrekt. Met betrekking tot de door de inspecteur gevraagde faxen, e-mailverkeer, informatie betreffende [A BV] en het software programma voor de teeltadministratie, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur, tegenover de betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende die stukken dan wel die informatie onder zich had. Ten aanzien van de teeltadministratie merkt de rechtbank nog op dat het hebben van een computerprogramma en het laten plegen van onderhoud daaraan niet noodzakelijkerwijs hoeft te betekenen dat het programma ook daadwerkelijk voor zijn doel wordt gebruikt. Van enig gebruik van het programma voor de teelt is niets gebleken. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar geen inzage gegeven in de contracten met Simart betreffende het jaar 2004. De rechtbank acht dit in beginsel een tekortkoming in de plicht van belanghebbende de gevraagde informatie te verstrekken. Datzelfde geldt voor het niet ter inzage geven van de reisverzekeringen. Daarbij maakt niet uit dat belanghebbende de premies daarvoor niet ten laste van de winst heeft gebracht, nu wel sprake is van op de onderneming betrekking hebbende lasten. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve wel sprake van enige tekortkomingen in de plicht tot het verstrekken van inlichtingen en heeft belanghebbende in zoverre niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenplicht, maar dit verzuim van belanghebbende acht de rechtbank niet zeer ernstig, aangezien de geweigerde inlichtingen slechts indirect iets zeggen over de betrouwbaarheid van de administratie van het onderhavige jaar en in verhouding tot de wel en tijdig verstrekte inlichtingen van ondergeschikte betekenis zijn. Deze tekortkomingen zijn zowel ieder afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, van onvoldoende gewicht om de grondslag te vormen voor het oordeel dat de zware sanctie van de omkering (verschuiving en verzwaring) van de bewijslast is gerechtvaardigd.

4.11. Ingevolge artikel 52 van de AWR zijn administratieplichtigen gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit blijken. Administratieplichtigen zijn verplicht de voornoemde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren. De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie. Belanghebbende is administratieplichtige.

4.12. De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat belanghebbende artikel 52 voornoemd heeft geschonden, doordat hij niet in staat is de onder 4.10 genoemde stukken en inlichtingen te verstrekken, op dezelfde gronden als in 4.10 vermeld.

4.13. De rechtbank verwerpt eveneens de stelling van de inspecteur dat, in tegenstelling tot bij andere tuinders, bij belanghebbende geen contractaanvragen zijn aangetroffen in de administratie, en zodoende ten aanzien van deze bescheiden de bewaarplicht zou hebben geschonden. Afgezien van de contractaanvragen heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat er meer bescheiden zijn of hadden moeten zijn dan die welke reeds door belanghebbende ter inzage zijn versterkt. De informatie die blijkt uit de contractaanvragen is naar het oordeel van de rechtbank van wezenlijk belang voor het beoordelen van de verhouding tussen belanghebbende en [onderneming E]. Belanghebbende heeft evenwel onweersproken gesteld en de rechtbank acht zulks gezien de bijlagen bij de conclusie van repliek ook aannemelijk, dat de gegevens op de contractaanvraag één op één worden overgenomen op de contractbijlagen. Deze contractbijlagen zijn door belanghebbende wel bewaard en ter inzage aan de inspecteur verstrekt. Zo derhalve al kan worden gezegd dat belanghebbende in verzuim is met betrekking tot het niet bezwaren van de aanvragen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat dit verzuim dermate ernstig is dat het de grondslag zou moeten zijn voor het oordeel dat de zware sanctie van de omkering van de bewijslast is gerechtvaardigd.

4.14. De inspecteur heeft gesteld dat de maatschap zwart loon heeft uitbetaald. Partijen wijzen voor hun standpunten in deze naar het beroep- en verweerschrift in de procedure betreffende de aan de maatschap opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2000 tot en met 2002. In deze loonbelastingprocedure is in geschil het antwoord op de vraag of de maatschap in voornoemde periode voor de oogst en aanplant van winterprei Poolse arbeiders in dienst heeft gehad hetgeen ten onrechte niet is verantwoord in de loonadministratie. In het onderhavige jaar is de winterprei niet op contract verkocht aan [onderneming E]. Mede gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank een antwoord op de in de loonbelastingprocedure in geschil zijnde vraag niet van wezenlijk belang voor het beoordelen van de verhouding tussen belanghebbende en [onderneming E]. Een eventueel verzuim van belanghebbende met betrekking tot de loonadministratie is derhalve niet dermate ernstig dat het de grondslag zou moeten vormen voor het oordeel dat omkering van de bewijslast in de onderhavige procedure is gerechtvaardigd.

4.15. De andere door de inspecteur genoemde “overige materiële gebreken administratie” zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van zodanig belang voor het beoordelen van de verhouding tussen belanghebbende en [onderneming E] dat een in dit kader geconstateerd verzuim van belanghebbende voldoende ernstig kan zijn om de grondslag te vormen voor omkering van de bewijslast.

4.16. Het onder 4.7 tot en met 4.15 overwogene, ook in onderling verband bezien, leidt tot de conclusie dat er geen reden is voor verschuiving en verzwaring van de bewijslast zoals door de inspecteur bepleit.

Aanslagtermijn

4.17. De stelling van belanghebbende dat de aanslagtermijn is opgerekt doordat een aanslag tot behoud van rechten is opgelegd, snijdt geen hout. Vaststaat dat de wettelijke termijn in acht is genomen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 oktober 1992 (BNB 1993/36) overwogen dat de opvatting dat een onzorgvuldige vaststelling van een aanslag onder omstandigheden tot nietigheid daarvan moet leiden niet als juist kan worden aanvaard, aangezien de mogelijk uit die onzorgvuldigheid ten nadele van de belastingplichtige voortvloeiende onjuistheden in bezwaar of beroep kunnen worden hersteld.

Ten gronde

4.18. De inspecteur heeft de winst, die [onderneming E] heeft gemaakt op de met de maatschap gesloten contracten, toegerekend aan belanghebbende en zijn zoon onder aftrek van een bedrag aan personeelskosten, omdat sprake zou zijn van schijncontracten. De inspecteur baseert zijn stelling dat sprake is van schijncontracten op – zeer kort weergegeven – (1) de onder 4.3 vermelde adviezen uit 1994/1995 over de opzet van de constructie met een Poolse Spolka, (2) de (onzakelijke) wijze waarop [onderneming E] en de maatschap jegens elkaar handelen en (3) de betrokkenheid van de maatschap bij de door haar geteelde producten, ook ná de verkoop.

4.19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de contracten tussen de maatschap en [onderneming E] omtrent de verkoop van oogst op stam, niet weerspiegelen hetgeen werkelijk tussen deze partijen is overeengekomen. Anders dan de inspecteur meent, leidt dat echter naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer tot de conclusie dat de winst van [onderneming E] aan belanghebbende en zijn zoon dient te worden toegerekend omdat sprake is van een schijnhandeling. De rechtbank zal eerst beoordelen of er voldoende aanwijzingen zijn wat de werkelijke inhoud van de overeenkomsten is en wat de fiscale gevolgen daarvan zijn.

4.20. De rechtbank leidt uit de stukken alsmede hetgeen ter zitting is verklaard af, dat de verkoop van oogst op stam door tuinders aan een Poolse Spolka als zodanig is opgezet om de tuinders aan personeel te helpen voor de oogst van hun producten, aangezien zij op grote problemen stuitten bij het werven van Nederlands personeel en het op normale wijze inhuren van Pools personeel problematisch was. De rechtbank acht in het verlengde hiervan aannemelijk dat de maatschap het belang bij de oogst heeft behouden, hetgeen haar betrokkenheid bij die oogst en de verkoop daarvan verklaart.

4.21. Vaststaat dat de maatschap voor de oogst gebruik heeft gemaakt van personeel van [onderneming E], dat de maatschap en [onderneming E] zijn overeengekomen dat van de totale opbrengst van die oogst een deel aan [onderneming E] (de opbrengst van de oogst min het aan de maatschap te betalen deel) en een deel aan de maatschap (in de contracten opgenomen als vergoeding voor de verkoop van de oogst op stam) zou toekomen en dat het uiteindelijk aan de maatschap betaalde bedrag afweek van hetgeen in deze contracten was bepaald. De rechtbank leidt uit de door de inspecteur overgelegde berekeningen af dat [onderneming E] op deze contracten winst heeft behaald. Het door de inspecteur daarbij gehanteerde netto-uurtarief voor de Poolse werknemers van f 8 acht de rechtbank niet onaannemelijk laag, maar de rechtbank is wel van oordeel dat de inspecteur ten onrechte helemaal geen rekening heeft gehouden met overhead en/of algemene kosten van [onderneming E].

4.22. Hoewel de door [onderneming E] behaalde winsten – ook indien rekening wordt gehouden met enig bedrag aan overhead en/of algemene kosten – hoog zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat deze winsten zo onaannemelijk hoog zijn dat daar geen zakelijke afspraak aan ten grondslag kan liggen. De rechtbank acht daarbij van belang dat de maatschap door de afspraken met [onderneming E] van veel rompslomp rond de oogst werd verlost. Het is niet onaannemelijk dat de maatschap daar een behoorlijk bedrag voor over had. In elk geval heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de aan [onderneming E] toegevloeide winst zodanig hoog was dat een contract als dat tussen de maatschap en [onderneming E] niet zou zijn gesloten tussen onafhankelijke derden.

4.23. Onder deze omstandigheden is het aan de inspecteur om feiten of omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat de winsten van [onderneming E] desondanks aan belanghebbende en zijn zoon zijn toegevloeid. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur hierin niet geslaagd. De inspecteur heeft geen onverklaarbare vermogens- of uitgavenstijging bij belanghebbende geconstateerd. Uitgaande van hetgeen de rechtbank onder 4.20 heeft overwogen, zijn alle door de inspecteur gestelde feiten en omstandigheden omtrent de betrokkenheid van de maatschap bij de oogst verklaarbaar. Voor een verdergaande financiële betrokkenheid van belanghebbende bij [onderneming E] dan uit de contracten voortvloeit, heeft de rechtbank onvoldoende aanwijzingen. Het gegeven dat de betalingen door [onderneming E] onregelmatig waren, is daarvoor op zich onvoldoende.

Slotsom

4.24. Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat de navorderingsaanslag en de beschikkingen moeten worden vernietigd.

5. Proceskosten

5.1. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2. Voor het beroep zijn deze kosten in de samenhangende zaken met procedurenummer 06/587, 06/595, 06/596, 06/588, 06/593, 06/598, 06/589, 06/597, 06/594 en 06/599 op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ad € 1.932 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek, 0,5 punt voor de comparitie en 2 punten voor het verschijnen ter zittingen met een waarde per punt van € 322, een wegingsfactor 1,5 wegens samenhang van meer dan drie zaken en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaken), waarvan 1/10e deel of € 193,20 voor de onderhavige zaak.

5.3. Voor het bezwaar zijn deze kosten in de samenhangende zaken met procedurenummer 06/596 en 06/598 op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ad € 161 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaken), waarvan de helft of € 80,50 voor de onderhavige zaak.

5.4. Belanghebbende heeft verzocht om schadevergoeding, op te maken bij staat. Nu dit verzoek niet nader is gespecificeerd gaat de rechtbank er aan voorbij.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, alsmede de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 273,70 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 11 februari 2008 door mr. A.F.M.Q. Beukers-Van Dooren, voorzitter, mr. J.J.J. Engel, mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 19 februari 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.