Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BR0125

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-03-2008
Datum publicatie
04-07-2011
Zaaknummer
800885/06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een door een aantal Fransen gepleegde ripdeal loopt volledig uit de hand.

Drie leveranciers van softdrugs worden voor enige tijd van hun vrijheid beroofd gehouden en

uiteindelijk wordt één van de leveranciers door het hoofd geschoten. Verdachte wordt als

medepleger van deze doodslag veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 800885/06

1 Onderzoek van de zaak.

In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda,

heeft de meervoudige kamer van de sector strafrecht van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter zitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en hetgeen dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. Rijser, advocaat te Amsterdam.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

In het kort komt het erop neer dat de verdenking bestaat dat verdachte:

feit 1: met anderen, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] om het leven heeft gebracht; subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte daaraan medeplichtig is geweest;

feit 2: met anderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] onder bedreiging met een vuurwapen tegen hun wil heeft vastgehouden; subsidiair is dit ten laste gelegde als de bedreiging van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], door (een) vuurwapen(s) op hen te richten;

feit 3: samen met anderen vuurwapens voorhanden heeft gehad;

feit 4: samen met anderen meermalen softdrugs uit Nederland heeft uitgevoerd danwel heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd of aanwezig heeft gehad;

3 De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter zitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vordering worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

4.1 Het standpunt van het openbaar ministerie.

Kort samengevat heeft de officier van justitie ter zitting aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen vast is komen te staan dat er twee leveringen van softdrugs hebben plaatsgevonden door de drie Nederlanders, [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] aan vier Fransen, waaronder verdachte. Op 13 maart 2006, nadat de tweede

levering had plaatsgevonden, werden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] onder bedreiging van vuurwapens van hun vrijheid beroofd en heeft verdachte samen met dader 1 [slachtoffer 1] opgewacht. Als [slachtoffer 1] probeert te vluchten wordt op zeer korte afstand op hem geschoten. [slachtoffer 1] wordt door 4 kogels geraakt. Een schot raakt hem in het hoofd en is hem fataal geworden. De officier van justitie is op basis van de bewijsmiddelen van mening dat niet bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die het dodelijke schot op [slachtoffer 1] heeft afgevuurd. Wel is de officier van justitie van mening dat de levensberoving van [slachtoffer 1] verdachte juridisch aan te rekenen is omdat verdachte wist dat er sprake was van een afspraak in het kader van een drugstransactie, wist dat een eerdere transactie niet vlekkeloos verlopen was, wist dat het een en ander rechtgezet moest worden en zelf in het bezit van een vuurwapen was en dat ook gebruikte toen het moment daar was. De officier van justitie komt tot de conclusie dat verdachte, door actief mee te doen aan het toepassen van geweld richting de verkopers van de drugs, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de te verwachte confrontatie zo zou escaleren dat een van zijn mededaders zijn wapen daadwerkelijk zou gaan gebruiken met alle fatale gevolgen van dien. Feit 1, het medeplegen van de doodslag, kan dan ook bewezen worden verklaard. Ook de feiten 2 en 3 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen omdat verdachte zich op geen enkele wijze heeft gedistantieerd van de handelingen van zijn mededaders, maar actief deel is gaan nemen aan deze feiten. Hetzelfde geldt naar de mening van de officier van justitie ook voor feit 4 omdat verdachte zich willens en wetens heeft ingelaten met de handel, het vervoer en de uitvoer van de verdovende feiten.

4.2 Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is het eens met het standpunt van de officier van justitie dat niet verdachte maar dader 1 ([voornaam]) de schutter is geweest. Voor wat betreft het medeplegen van feit 1 is de verdediging van mening dat niet is gebleken dat er tevoren een plan was om te komen tot de levensberoving. Er bestond alleen een conflict met betrekking tot de kwaliteit van de wiet. In de visie van de verdediging is dader 1 in woede ontstoken en heeft op het slachtoffer geschoten. Omdat verdachte daar geen voorwaardelijk opzet op kan hebben gehad dient verdachte van feit 1 te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omdat verdachte dat feit heeft bekend.

Ook voor feit 3, zo heeft de verdediging aangevoerd, dient vrijspraak te volgen omdat alleen de getuige [slachtoffer 3] daar iets over heeft verklaard en die verklaring alleen te weinig is om tot het wettige bewijs van dit feit te komen.

Voor wat betreft feit 4 is door de verdediging aangevoerd dat de geleverde hoeveelheden niet zijn vast te stellen. De raadsman heeft daaraan toegevoegd dat in ieder geval telkens wel meer dan 30 gram is geleverd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank.

Uit de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat door een groep Nederlanders twee keer wiet is verkocht en geleverd aan vier Franse afnemers .

Verdachte is tezamen met zijn zoon en twee anderen (in de processtukken worden zij aangeduid als de 4 Fransen) in februari 2006 met 2 auto’s naar Nederland gekomen om softdrugs te kopen. Zij hebben toen contact gehad met 3 Nederlanders, [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. De 4 Fransen zijn destijds in het appartement van [slachtoffer 2] geweest en [slachtoffer 1] heeft er zorg voor gedragen dat er hennep aan de 4 Fransen kon worden geleverd.

De zaterdag voor de 13e maart heeft nog een tweede ontmoeting plaatsgevonden waarbij de 3 Nederlanders en 2 van de groep Fransen in de woning van [slachtoffer 2] zijn geweest. [slachtoffer 3] heeft hieromtrent verklaard dat op die zaterdag twee Fransen zijn geweest waarbij door de Fransen werd geklaagd over de kwaliteit van de wiet.

Op 13 maart 2006 zijn de vier Fransen opnieuw met 2 auto’s naar Breda gekomen om 30 a 40 kilo hennep van de 3 Nederlanders te kopen . Zij hebben ongeveer 2 uur in het appartement van [slachtoffer 2] op [slachtoffer 1] gewacht. Nadat [slachtoffer 1] hen een monster toonde van de te leveren hennep, is de deal gesloten en vertrok [slachtoffer 1] om te bezien hoeveel hij van deze hennep kon leveren. De Fransen hadden eerder aangegeven niet tevreden te zijn geweest over de kwaliteit van de eerder aan hen geleverde partij hennep en waren in het appartement onrustig.

Vervolgens is de zoon van verdachte samen met [slachtoffer 3] de te leveren hennep gaan halen; deze is geplaatst in één van de auto’s van de Fransen. Kort nadat [slachtoffer 3] en de zoon van verdachte weer bij het appartement arriveren, krijgt één van de Fransen een telefoontje en gaan de 3 Fransen die nog in het appartement van [slachtoffer 2] waren, tot actie over . Deze actie bestaat daarin dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] worden bedreigd met vuurwapens. [slachtoffer 3] die dus net weer is gearriveerd in het appartement, wordt in de keuken bij de polsen vastgebonden en [slachtoffer 2] wordt in een slaapkamer gedreven en met een vuurwapen bedreigd.

Vervolgens staat [slachtoffer 1] aan de voordeur. Verdachte doet open en probeert [slachtoffer 1] naar binnen te trekken. [slachtoffer 1] verzet zich en kan weglopen. Eén van de Fransen loopt achter [slachtoffer 1] aan, en verdachte volgt. [slachtoffer 1] wordt even later in het trappenhuis neergeschoten. De twee Fransen lopen terug naar het appartement, nemen hun spullen mee, waaronder de tas met geld, en alle 4 vertrekken in de twee auto’s met het geld en de hennep. De Fransen rijden naar België en vervolgens naar Parijs, alwaar de beide auto’s door de politie worden achtervolgd. Eén van de auto’s, zijnde de auto waarin verdachte zat, kon worden aangehouden.

De rechtbank leidt uit voormelde gang van zaken af dat de Fransen een vooropgezet plan hadden om de door de Nederlanders geleverde hennep niet dan wel niet volledig te betalen. De geweldadigheden, in eerste instantie bestaande uit het dreigen met vuurwapens, ontstonden immers direct nadat de zoon van verdachte de hennep in bezit heeft en één van de Fransen een telefoontje krijgt. Op dat moment gaan de 3 in het appartement aanwezige Fransen zonder dat zij daarover nader overleg voeren, over tot het trekken van vuurwapens en de bedreigingen daarmee.

Verdachte geeft nu aan dat hem deze actie destijds verraste, doch dit acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. Dat hij zou zijn verrast, blijkt geenszins. Verdachte werkt spontaan mee aan deze geweldadigheden: zo helpt hij zijn zoon om [slachtoffer 3] te knevelen en tracht hij vervolgens [slachtoffer 1], wanneer deze bij de voordeur staat, naar binnen te trekken, zo heeft hij nog ter zitting verklaard. Op het moment dat zulks niet lukt, ziet hij één van zijn mededaders met een vuurwapen achter [slachtoffer 1] aanlopen en loopt hij dan mee naar buiten.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [slachtoffer 1] in het trappenhuis met voorbedachten rade is doodgeschoten. Gelet op alle voormelde omstandigheden kan niet gezegd worden dat de 4 Fransen naar Breda waren gekomen met de intentie om [slachtoffer 1] te doden; alle voorafgaande aan de schietpartij door hen verrichte handelingen zagen op het verkrijgen van de hennep zonder daarvoor de afgesproken prijs te betalen. [slachtoffer 1] verzette zich, hetgeen uiteindelijk leidde tot het schietincident, waarbij niet is komen vast te staan dat daaraan kalm en rustig beraad is voorafgegaan. Wel staat vast dat [slachtoffer 1] met opzet is neergeschoten, hetgeen juridisch als een doodslag moet worden gekwalificeerd.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 1] heeft neergeschoten; er zijn eerder aanwijzingen die wijzen in de richting van een van de andere Fransen, door verdachte als [voornaam] aangeduid.

De vraag die voorligt, is of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van deze doodslag. Is er sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met de schutter?

De rechtbank acht daarvoor voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig. Verdachte maakte immers deel uit van een vaste groep “Fransen” die eerder al in Nederland een grote hoeveelheid hennep had gekocht. Deze groep heeft besloten om tijdens het tweede bezoek aan de Nederlanders, deze met vuurwapens te bedreigen en te knevelen. Dit plan is door de groep gezamenlijk uitgevoerd. Verdachte heeft daaraan ook actief deelgenomen. Door aldus te handelen heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat in geval van enig verzet één van de vuurwapens zou worden gebruikt met het fatale gevolg van dien. Na het schietincident heeft verdachte zich ook niet gedistantieerd van de groep. Zo zijn de 4 Fransen gezamenlijk weggereden en zijn beide auto’s nog tezamen in Parijs gesignaleerd . Verdachte geeft aan dat hij, conform afspraak, ook betaald is voor de bewezen diensten; hij heeft bij de aanhouding een bedrag van € 5.000,-- in bezit.

Omdat hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot het medeplegen ook geldt voor de feiten 2 tot en met 4 is de rechtbank van oordeel dat ook die feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.4 De bewezenverklaring.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat

1 primair:

hij op13 maart 2006 te Breda tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk R.

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte

en zijn mededaders met dat opzet, die [slachtoffer] met een vuurwapen in diens hoofd

geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2 primair:

hij op 13 maart 2006 te Breda tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immer hebben hij verdachte en zijn mededaders met dat opzet die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] tegen hun wil in een flatwoning perceel Oranjeboomstraat 334 B onder bedreiging

van vuurwapens gedurende enige tijd vastgehouden en/of vastgebonden;

3

hij op 13 maart 2006 te Breda tezamen en in vereniging met anderen, wapens van categorie III, te weten een revolver en pistool, en daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad;

4

hij meermalen in de periode van 01 januari 2006 tot en met 13 maart 2006 te Breda, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, door telkens opzettelijk met een personenauto met daarin die hennep vanuit Nederland naar België te rijden, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid opheft.

6 De strafoplegging.

6.1 De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft ter zitting gevraagd bij de strafbepaling rekening te houden met het feit dat verdachte lijdt aan de ziekte van Crohn en een detentie voor hem daardoor zwaarder is dan voor de doorsnee gedetineerde.

6.3 Het oordeel van de rechtbank.

Op 13 maart 2006 vindt aan de Oranjeboomstraat te Breda een schietpartij plaats waarbij [slachtoffer 1] werd gedood.

Naar aanleiding van deze schietpartij werd een onderzoek opgestart waaruit bleek dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] in februari 2006 een aanzienlijke hoeveelheid softdrugs hebben geleverd aan vier Fransen. Deze Fransen afnemers hebben de softdrugs vervolgens uitgevoerd. Verdachte was één van die Fransen. Op 13 maart 2006 zijn dezelfde afnemers opnieuw naar de woning van verdachte gekomen voor, naar het zich liet aanzien, een tweede levering. Gebleken is echter dat de Franse afnemers het plan hadden om niet alleen met de softdrugs naar Frankrijk af te reizen maar ook met medeneming van het geld dat ze voor de softdrugs zouden betalen. Nadat de softdrugs waren overgedragen werden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bedreigd met een vuurwapen en nadat [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] trachtte aan de Fransen te ontvluchten liep de door de Fransen geplande ripdeal volledig uit de hand. [slachtoffer 1] werd van dichtbij neergeschoten en [slachtoffer 2] is, na het horen van de schoten, in paniek van drie hoog uit het raam van zijn woning gesprongen.

Het mag zo zijn dat verdachte niet degene is geweest die [slachtoffer 1] feitelijk om het leven heeft gebracht en dat hij ook niet heeft gewild dat bij geplande ripdeal iemand om het leven zou worden gebracht. Dit neemt echter niet weg dat hij van tevoren had kunnen weten dat iets dergelijks zou kunnen gebeuren. Verdachte is immers met zijn mededaders naar Nederland gereisd met kwade bedoelingen terwijl meerdere mededaders in het bezit waren van een vuurwapen.

Het spreekt voor zich dat met name de doodslag op [slachtoffer 1] een enorme schok teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden. Voorts schokt een dergelijke doodslag de rechtsorde zeer en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angst en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat alleen een langdurige gevangenisstraf een gepaste reactie is.

Bij dit alles komt nog dat ook voor het op vrij grote schalen uitvoeren van softdrugs naar het oordeel van de rechtbank een aanzienlijke straf moet worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de voor deze feiten geldende oriëntatiepunten.

Bij de strafbepaling zal de rechtbank ook rekening houden met de gezondheidstoestand van verdachte en alles afwegend zal zij aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 5 jaren.

7 De wettelijk voorschriften.

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 47, 57, 91, 282 en 287 van het wetboek van strafrecht en de artikelen 3, 11(oud), 13, en 14 van de Opiumwet en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie.

8 De beslissing.

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is aangegeven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: Medeplegen van doodslag;

feit 2 primair: Medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd;

feit 3: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

feit 4: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, voorzitter, mr. Schnitzler en mr. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Nouws en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 maart 2007.

BIJLAGE:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2006 te Breda tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade R.

[slachtoffer 1] van het leven hebben/heeft beroofd, immers hebben/heeft verdachte

en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die

[slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen in diens hoofd

geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

dat een of meer personen op of omstreeks 13 maart 2006 te Breda tezamen en in

vereniging, althans een van die personen, opzettelijk en met voorbedachten

rade [slachtoffer] van het leven hebben/heeft beroofd door met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen die

[slachtoffer] in diens hoofd te schieten, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is

overleden,

tot het plegen van welk bovenomschreven misdrijf hij,verdachte, tevoren op 13

maart 2006 te Breda en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid,

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door voormelde perso(o)n(en) naar

de plaats van het misdrijf te vervoeren, althans te brengen,

en/of

bij het plegen van welk bovenomschreven misdrijf hij,verdachte, toen daar

opzettelijk behulpzaam is geweest door genoemde [slachtoffer] vast te pakken

en/of vast te houden en/of doende is geweest die [slachtoffer] de flatwoning

(perceel Oranjeboomstraat 334B) in te trekken;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 13 maart 2006 te Breda tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers

heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat

opzet die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] tegen hun/zijn wil in een of meer

ruimte(n) van een flatwoning (perceel Oranjeboomstraat 334 B) onder bedreiging

van (een) vuurwapen(s) gedurende enige tijd vastgehouden en/of vastgebonden,

en/althans verhinderd dat die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] die ruimte(n) kon(den)

verlaten;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 maart 2006 te Breda tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft hij,verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

opzettelijk dreigend in de tegenwoordigheid van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (een)

vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en),

tevoorschijn genomen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, tegen/in de nek van die [slachtoffer 2] gezet en/of gehouden

en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die

[slachtoffer 2] gericht en/of gericht gehouden en/of een vuurwapen, althans een op

een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de borst van die [slachtoffer 3] gezet

en/of gehouden en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, op die [slachtoffer 3] gericht en/of gericht gehouden;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 13 maart 2006 te Breda tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te

weten een of meer revolver(s) en/of pistolen, en/of daarbij behorende munitie,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 01 januari 2006

tot en met 13 maart 2006 te Breda en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als

bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van meer dan 30

gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, door (telkens)

opzettelijk met een (personen)auto met daarin die hasjiesj en/of hennep vanuit

Nederland naar België, althans het buitenland, te rijden, althans de

Nederlandse grens te passeren,althans

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hasjiesj en hennep (een) middel(len) als bedoeld in de bij die wet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 3 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht