Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BP3956

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
08/2648
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/2648

Uitspraakdatum: 3 december 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 4 april 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer [nummer].F01.5501).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2008 te Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vernietigt de naheffingsaanslag;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 14,35, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

-gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 145 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende exploiteert vanaf [datum] 2004 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De werkzaamheden bestaan uit het maken van films en documentaires. Belanghebbende produceert zowel vrij werk als films in opdracht. In 2004 heeft belanghebbende een documentaire gemaakt over het leven van een overleden beeldend kunstenaar, in opdracht van [galerie]. De documentaire draagt de naam “[de documentaire]” (hierna: de documentaire).

2.2.Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende voor zijn documentaire terecht de printprijsregeling, als bedoeld in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 5 november 2001, nr. CPP 2001/2178 (hierna: het Besluit) heeft toegepast.

2.3.De printprijsregeling is een regeling voor de vaststelling van de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting bij levering van film- en videoproducties. De regeling mag worden toegepast op kwalificerende film- en videoproducties, voor zover het gaat om films en videobanden die zijn bestemd om op professionele apparatuur te worden afgespeeld.

2.4.De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende de documentaire op DVCam videoformaat heeft aangeleverd aan de opdrachtgever. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de opdrachtgever zulks heeft bevestigd in een tot de gedingstukken behorende brief met dagtekening 2 juli 2008. Voorts heeft belanghebbende ter zitting kopieën overgelegd van een factuur met dagtekening 15 december 2003 van de aankoop van een Sony DVCAM Camcorder, alsmede facturen van de aankoop in 2004 van Sony tapes DVCAM.

2.5.De inspecteur stelt dat belanghebbende tijdens het hoorgesprek heeft aangegeven dat de documentaire op Dvd zou zijn aangeleverd. De inspecteur heeft evenwel geen verslag van het hoorgesprek kunnen overleggen noch, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door belanghebbende, op andere wijze aannemelijk gemaakt dat belanghebbende zulks heeft aangegeven. Nu belanghebbende bovendien heeft aangevoerd dat de Dvd’s door de opdrachtgever zijn uitgebracht en ten bewijze daarvan een factuur heeft overgelegd op naam van de opdrachtgever ter zake van de reproductie op Dvd gaat de rechtbank er van uit dat de documentaire niet op Dvd door belanghebbende is aangeleverd aan de opdrachtgever.

2.6.Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, met hetgeen hij heeft aangevoerd, voldoende aannemelijk gemaakt dat de DVCam tape dient te worden aangemerkt als een videoband, die is bestemd om op professionele apparatuur te worden afgespeeld. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat de DVCam een videoband is. Ter zake van de afspeelmogelijkheid op professionele apparatuur heeft belanghebbende onder meer een brief overgelegd van [film- en videoproducent] uit Amsterdam, waarin onder meer het volgende is geschreven:

“Het in 1995 geïntroduceerde DV formaat werd door SONY al snel opgevolgd door het verbeterde formaat DVcam. Dit formaat is speciaal ontwikkeld voor de zogeheten institutionele, professionele gebruikers als opvolger voor de lang gehanteerde BetacamSP norm. (…) Ook bij de broadcasters wordt tot op heden voor een aantal producties deze DVcam norm veelvuldig gehanteerd.”

Daarnaast heeft belanghebbende een e-mailbericht van de hoofdredacteur van [omroep] overgelegd, waaruit de rechtbank begrijpt dat de DVCam voor deze televisiezender een toegelaten en gebruikte norm is, vanwege de professionele werkwijze. Voorts is een kopie van sonybiz.net overgelegd waarin wordt gesproken over “professional format”.

2.7.De inspecteur stelt dat de letter D in DVCam staat voor digitaal en dat alles wat digitaal wordt aangeleverd niet onder de printprijsregeling valt. De inspecteur verwijst voor zijn stelling naar een geanonimiseerde brief van 17 juni 20008 van het ministerie van Financiën, waarin onder meer staat:

“De digitalisering houdt in dat omroepprogramma’s niet meer in fysieke vorm (d.w.z. op film- of videoband) aan de omroepen worden aangeleverd, maar in digitale vorm (per dvd of als computerbestand). U verzoekt mij om toe te staan dat de printprijsregeling ook kan worden toegepast op de in digitale vorm aangeleverde omroepproducties. Het voor de (…) bevoegde belastingkantoor Utrecht-Gooi/kantoor Hilversum heeft het standpunt ingenomen dat de printprijsregeling alleen geldt voor op film- of videoband aangeleverde producties. Om toepassing van de printprijsregeling veilig te stellen, leveren de producenten van omroepproducties bij ieder productie een videoband mee. Deze procedure is echter omslachtig en brengt kosten mee. In verband hiermee verzoekt u om verruiming van de printprijsregeling. (…) In reactie op uw verzoek deel ik u mee, dat ik uw verzoek niet inwillig.”

2.8.Voor het onder 2.7 verwoorde standpunt van de inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank geen basis te vinden in het Besluit, nu daarin niet wordt gesproken over digitale aanlevering doch slechts over films en videobanden die zijn bestemd om op professionele apparatuur te worden afgespeeld. De enkele stelling dat de letter D staat voor digitaal, betekent nog niet dat geen sprake kan zijn van een kwalificerende film of videoband. De brief van het ministerie van Financiën begrijpt de rechtbank aldus, dat met digitale aanlevering wordt gedoeld op de situatie dat de aanlevering via een computer geschiedt, zonder dat op enigerlei wijze een fysieke band wordt aangeleverd. Van een dergelijke digitale aanlevering is ter zake van de documentaire van belanghebbende geen sprake.

2.9.Nu de overige voorwaarden voor de toepassing van de printprijsregeling tussen partijen niet in geschil zijn, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende terecht de printprijs als maatstaf van heffing heeft gehanteerd. De door belanghebbende berekende printprijs is niet in geschil, zodat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd.

2.10.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3.Proceskostenveroordeling

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 14,35 aan reiskosten voor belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan op 3 december 2008 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. M.H. van Schaik, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 09 december 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.