Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BO5418

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-08-2008
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
07/3396
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/3396

Uitspraakdatum: 29 augustus 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Roermond,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 4 juli 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.020 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 25.625 (aanslagnummer [nummer].H.56).

Zitting

Een onderzoek ter zitting is met toestemming van partijen achterwege gebleven.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1. Belanghebbende en zijn echtgenote bezaten in het onderhavige jaar onroerende zaken aan de [adres 1] en [adres 2] en aan het [adres 3] te [woonplaats]. Beide eerstgenoemde onroerende zaken werden verhuurd aan een derde. Laatstgenoemde onroerende zaak was eveneens bestemd voor de verhuur, maar deze stond, hangende een procedure tegen de gemeente tot afgifte van een bouwvergunning, al enige jaren leeg. In zijn aangifte IB over het onderhavige jaar heeft belanghebbende zijn aandeel in deze drie onroerende zaken opgenomen in box 3. De aanslag is conform de aangifte opgelegd.

2.2. Bij brief van 3 oktober 2006 heeft belanghebbende bezwaar gemaakte tegen de aanslag. In bezwaar stelt belanghebbende dat de (exploitatie van de) drie onroerende zaken gerekend dien(t)en te worden tot box 1 en maakt hij tevens aanspraak op een hoger bedrag aan aftrek van buitengewone uitgaven.

2.3. Op 22 november 2006 hebben belanghebbende en zijn echtgenote een maatschapakte ondertekend. In deze akte is bepaald dat belanghebbende en zijn echtgenote de drie onroerende zaken, met terugwerkende kracht per 1 januari 2003, als firma, tevens zijnde een fiscale eenheid, exploiteren.

2.4. In het beroepschrift wordt verwezen naar het beroep tegen de aanslag IB 2004. Uit de bijlagen bij dat beroep blijkt dat belanghebbende in bezwaar heeft gesteld dat de drie onroerende zaken als resultaat uit een werkzaamheid belast dienen te worden en dat de kosten met betrekking tot de drie onroerende zaken in aftrek dienen te worden toegelaten.

2.5. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die, in afwijking op de eerder door hem gediende aangifte, stelt dat sprake was van een bepaalde bron van inkomen, aannemelijk maakt dat daar inderdaad sprake van was.

2.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de (exploitatie van de) drie onroerende zaken in box 1 moet(en) worden belast. Tussen partijen is niet in geschil dat de drie onroerende niet werden verhuurd aan met belanghebbende verbonden personen in de zin van artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001. In onderdeel c van laatstgenoemde bepaling is geregeld dat ook het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat wordt belast in box 1. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de drie onroerende zaken werden geëxploiteerd op een wijze die normaal vermogensbeheer te buiten gaat. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bijvoorbeeld niet aannemelijk is geworden dat de onroerende zaken werden uitgepond, het groot onderhoud of aanpassingen aan de onroerende zaken door belanghebbende zelf werd verricht of dat bij de exploitatie van de onroerende zaken voorkennis of een daarmee vergelijkbare bijzondere vorm van kennis werd aangewend.

2.7. Voor het geval belanghebbende betoogt dat de exploitatie van de drie onroerende zaken valt aan te merken als een onderneming, overweegt de rechtbank dat belanghebbende, op wie ook in dit opzicht de bewijslast rust, niets, althans onvoldoende, heeft aangevoerd op grond waarvan tot de conclusie zou kunnen worden gekomen dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat te dezen sprake is van een organisatie van kapitaal en arbeid waarmee is deelgenomen aan het economische verkeer, waarbij geldelijk voordeel werd beoogd en ook redelijkerwijs te verwachten was. Daaraan doet niet af dat belanghebbende en zijn echtgenote met terugwerkende kracht een firma zijn aangegaan. In dit verband is tevens onvoldoende dat belanghebbende en zijn echtgenote tot 23 mei 1991 een onderneming hebben gedreven waarvan de activiteiten bestonden uit de exploitatie van en handel in onroerende zaken.

2.8. Belanghebbendes ongemotiveerde beroep op een groot aantal verdragsrechtelijke bepalingen doet niet af aan het vorenstaande.

2.9. Tot slot maakt belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk dat bij het vast stellen van de onderhavige aanslag een te laag bedrag aan buitengewone uitgaven in aanmerking is genomen.

2.10. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 29 augustus 2008 door mr. J.J.J. Engel, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 2 september 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.