Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BO5011

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-05-2008
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
538915 az 09-180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zie bijgaande beschikking, inzake G.H. Bos vs. Stichting Kompaan, nr. 538915 AZ VERZ 09-180, ter zake waarvan de datering op pag. 1 abusievelijk staat op 26 mei 2008 ipv 26 mei 2009 (en waarvan niet duidelijk is of bij verzending van de beschikking het jaartal met pen is gewijzigd).

Motivering voor opname in databestand, is dat in het kader van re-integratie van zowel werkgever als werknemer inzet wordt verwacht, maar hier de werkgever in diens verplichting om te trachten tot re-integratie te komen tekort is geschoten, niettegenstaande het gegeven dat ook van de zijde van UVW niet geheel adequaat is opgetreden. Houding werknemer is bepaald door die van werkgever.

Enige feiten:

- langdurig (fulltime) dienstverband (sedert 27 juni 2007), gedurende welke werknemer na revalidatie in 2004 weer uitvalt en een re-ingetratietraject (in eigen werk, 24 uur per week op therapeutische basis) wordt opgezet;

- dat traject verloopt niet voorspoedig; werkgever stelt eisen aan funtie-uitoefening;

- de arbeidsdeskundige geeft vervolgens aan dat alternatieve werkzaamheden dienen te worden onderzocht;

- werknemer vordert daarna bij wege van voorlopige voorziening tewerkstelling en loondoorbetaling, welke vordering wordt afgewezen; de voorzieningenrechter concludeerde dat niet kon worden vastgesteld of werknemer op medische gronden geschikt was voor zijn functie voor 24 uur per week en dat onvoldoende was gebleken of werkgever n strijd handelt met haar verplichting om werknemer tewerk te stellen in andere passende arbeid nu de arbeidsdeskundige zich daarover nog niet had uitgelaten;

- een nader door de register- arbeidsdeskundige -zonder overleg met werknemer- opgemaakt rapport concludeert dat het eigen werk gedurende 24 uur per week niet als passend beschouwd kan worden en bij werkgever geen passende arbeid voorhanden is;

- een vervolgens door werkgever ingediende aanvraag tot ontslagvergunning wordt afgewezen omdat werkgever in onvoldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat werknemer niet in een andere passende functie kon worden herplaatst;

- de arbeidsdeskundige deelt daarop aan werkgever mede dat nog geen heronderzoek staat gepland, dat eerder de focus steeds was gericht op herplaatsingsmogelijkheden bij de eigen werkgever en dat nergens uit de stukken blijkt dat er ook is gekeken naar re-integratiemogelijkheden elders op de arbeidsmarkt (spoor twee) en dat daarover met werknemer niet is gesproken of afspraken zijn gemaakt;

- werknemer stelt zich vervolgens beschikbaar voor door de arbeidsdeskundige passend geacht werk, waarop werkgever aangeeft dat deze binnen haar instelling niet aanwezig is.

Werknemer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst en toekenning van een vergoeding ten laste van werkgever.

Werkgever verzet zich niet tegen ontbinding maar wel tegen de verzochte vergoeding.

De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst. Hij is voorts van oordeel dat werkgever (en ook UWV) in deze steken heeft laten vallen waar het betreft de re-integratie van werknemer en kent -stellende dat hantering van de kantonrechtersformule in zaken als deze minder op zijn plaats is- een vergoeding toe van € 50.000 bruto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Tilburg

zaak/rolnr.: 538915 AZ VERZ 09-180

beschikking d.d. 26 mei 2008

inzake

[verzoeker], hierna te noemen “[verzoeker]”, wonende te [woonplaats],

verzoeker, gemachtigde: mr. G.J. Knotter, advocaat te Utrecht,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting Stichting Kompaan, hierna te noemen “Stichting Kompaan”, gevestigd te Goirle,

verweerder, gemachtigde: mr. A.G.W. Verstraten, advocaat te Tilburg.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 7 april 2009 ontvangen verzoekschrift, met producties;

- het daarop ontvangen verweerschrift;

- de brief met bijlagen van de zijde van [verzoeker];

- de aantekeningen van de griffier met betrekking tot het verhandelde ter zitting van 12 mei 2009.

2. Het verzoek en de beoordeling daarvan

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken staat tussen partijen vast; dat:

- [verzoeker], geboren [geboortedatum] en thans [leeftijd], sinds 27 juni 1977 in dienst is getreden bij de rechtsvoorganger van Stichting Kompaan in de functie van ambulant hulpverlener tegen een loon -van laatstelijk- € 2.083,26 bruto per maand op basis van

24 uur per week, te vermeerderen met vakantiebijslag en 13e maand;

- [verzoeker] het grootste gedeelte van het dienstverband full-time heeft gewerkt;

- hij in 1998 is geveld door rugklachten en een hernia-operatie heeft gehad die niet succesvol is verlopen;

- [verzoeker] te kampen heeft gekregen met neurologische uitvalsverschijnselen als gevolg waarvan hij blijvend beperkingen ondervindt ten aanzien van mobiliteit en er sprake is van spraakproblemen;

- [verzoeker] na revalidatie, werkhervatting en wederom een periode van uitval in 2003, in december 2004 zodanig is uitgevallen dat, na verloop van de wachttijd van 2 jaar, ingaande 30 november 2006, door het UWV aan hem een gedeeltelijke WIA/WGA-uitkering is toegekend;

- op 15 september 2004 door Rework een reïntegratie plan is opgesteld, waarin werd voorgesteld om een verzekeringsarts de medische beperkingen te laten onderzoeken en een arbeidsdeskundig onderzoek daarop te laten volgen en waarin wordt aangegeven dat zijn arbeidsverleden eenzijdig is en dat, indien het tweede spoor wordt bekeken, trajectbegeleiding en bemiddeling noodzakelijk zijn;

- Stichting Kompaan bij brief d.d. 10 mei 2005 [verzoeker] onder meer heeft verzocht onvoorwaardelijk en met een positieve en structurele opstelling mee te werken aan het reïntegratieplan zoals opgesteld door Rework;

- Stichting Rechtbijstand namens [verzoeker] bij brief d.d. 31 mei 2005 daarop aan Stichting Kompaan onder meer heeft meegedeeld dat er volgens de Arbo-arts voor [verzoeker], die toen al voor 50% aan het re-integreren was, geen medische beperkingen waren om te re-integreren naar zijn huidige functie en dat het niet was toegestaan [verzoeker] te verplichten een geneeskundig onderzoek te ondergaan, omdat dit in strijd is met de wet en de op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde CAO;

- op 22 september 2005 de Sint Maartenskliniek in Nijmegen (niettemin, met medewerking van [verzoeker]) een op grond van een multidisciplinair verricht onderzoek, een verzekeringsgeneeskundige rapportage ter zake [verzoeker]’ beperkingen, heeft opgesteld, die vervolgens aan de Arbo-arts is toezonden;

- de daarin aangegeven beperkingen zijn verwoord door het UWV in een bijstelling plan van aanpak d.d. 11 november 2005, waarbij tevens werd aangegeven dat [verzoeker] therapeutisch 26 uur per week werkte en dat dat zal worden opgebouwd tot 38 uur per week;

- op 19 januari 2006 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [verzoeker] e[X] (van Stichting Kompaan) ter zake het bespreken van passend ander werk binnen Stichting Kompaan, waarin [verzoeker] naast zijn eigen functie 4 andere mogelijkheden van zijns inziens passend werk aangeeft en [X] ondersteunende administratieve functies noemt;

- met ingang van 1 juni 2006, als afgesproken tussen partijen, [verzoeker] gedurende 24 uur per week in eigen werk hervat; Stichting Kompaan geeft ter zake in een brief harerzijds van 21 juni 2006 aan dat [verzoeker] in de uitvoering van die functie fysieke beperkingen heeft qua (trap-)lopen en articulatie, maar naast die beperkingen er geen belemmeringen zijn om het werk als ambulant hulpverlener op te pakken en voorts dat elke 14 dagen een evaluatie zal plaatsvinden waarin gelet op het verleden zal worden bezien hoe de kwaliteit van het werk is;

- uit een door de verzekeringsarts van het UWV, naar aanleiding van een onderzoek in verband met de WIA beoordeling, opgesteld rapport d.d. 12 oktober 2006 onder meer blijkt dat er beperkingen zijn vastgesteld ten aanzien van: trappen lopen, klimmen en knielen of hurken en staan; in het rapport wordt voorts vermeld: “Verwachte werkhervatting /re-integratie blokkerende factoren: Er zijn geen re-integtratie blokkerende factoren. Hij heeft hervat in aangepast eigen werk en zal volledig hervatten op korte termijn.”;

- uit een beschikking d.d. 24 november 2006 van het UWV blijkt dat [verzoeker] vanaf 30 november 2006 tot 30 november 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangt € 511,25 (incl. vakantiebijslag), zijnde 70% van het verschil tussen zijn WIA-maandloon van € 3.085,89 en maandinkomen op dat moment van € 2.355,58 en bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%;

- op 29 november 2006 een overleg tussen [verzoeker], [Y], [X] en [Z] heeft plaatsgevonden, waarbij wordt uitgegaan van een loonwaarde van 24 uur en waarin met betrekking tot de kwaliteit en kwantiteit van het door hem te verrichten werk afspraken zijn gemaakt c.q. criteria zijn vastgesteld ten aanzien van de norm, rapportage, overleg en cliënttevredenheid;

- per 1 december 2006 de urenomvang definitief is bepaald op 24 uur per week;

- in mei/juni 2007 een tevredenheidsonderzoek onder diverse jongeren naar onder meer het functioneren van [verzoeker] heeft plaatsgevonden; de verschillende ingevulde formulieren luiden positief;

- de arbeidsdeskundige in een rapport d.d. 28 augustus 2007 aangeeft van Stichting Kompaan te horen hebben gekregen dat [verzoeker] disfunctioneert, niet aan de kwaliteitseisen voldoet en niet representatief is, maar ook de caseload /productie niet haalt, hij (de arbeidsdeskundige) te kennen heeft gegeven dat hij het functioneringsapect een verantwoordelijkheid van de werkgever acht en dat hem is gebleken dat Stichting Kompaan haar visie nog niet eenduidig aan [verzoeker] kenbaar heeft gemaakt; de arbeidsdeskundige komt tot de conclusie dat [verzoeker] niet in staat is gebleken de eerder afgesproken praktische loonwaarde duurzaam te realiseren en alternatieve mogelijkheden, die naar zeggen van Stichting Kompaan bij haar niet voorhanden zijn, onderzocht dienen te worden; de arbeidsdeskundige geeft tenslotte aan dat hij zal onderzoeken of er een relatie is tussen het niveau van functioneren en de medische beperkingen van [verzoeker];

- Stichting Kompaan bij brief van 30 augustus 2007 aan [verzoeker] te kennen geeft dat zij en het UWV hebben geconcludeerd dat zijn functioneren geen loonwaarde heeft en er geen passende werkzaamheden voor [verzoeker] voor handen zijn, zodat van zijn diensten geen gebruik meer wordt gemaakt en per 1 september 2007 de salarisbetaling eindigt;

- het UWV vanaf deze datum de betaling van de volledige WGA-uitkering heeft hervat;

- de gemachtigde van [verzoeker] daartegen heeft geprotesteerd door opheldering te vragen aan de arbeidsdeskundige, die in een e-mail van 11 oktober 2007 nog aangeeft dat nog onvoldoende onderzoek is verricht naar het al dan niet aanwezig zijn van alternatieve herplaatsingsmogelijkheden binnen Stichting Kompaan, dat alle functies binnen de instelling in kaart moeten worden gebracht, functie-eisen daarbij moeten worden aangegeven en vergeleken met de capaciteiten of mogelijkheden van [verzoeker];

- bij vonnis d.d. 25 februari 2008 door de voorzieningenrechter te Breda de vorderingen van [verzoeker] jegens Stichting Kompaan ter zake wedertewerkstelling en doorbetaling van loon zijn afgewezen; de voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat nog niet kon worden vastgesteld of [verzoeker] op medische gronden geschikt was voor zijn functie van ambulant hulpverlener voor 24 uur per week en onvoldoende was gebleken of Stichting Kompaan in strijd handelt met haar werkgeversverplichting om [verzoeker] tewerk te stellen in -andere- passende arbeid nu de arbeidsdeskundige zich daarover nog niet had kunnen uitlaten althans had uitgelaten;

- het door [verzoeker] tegen het vonnis ingestelde hoger beroep is ingetrokken;

- de verzekeringsarts op 14 mei 2008 heeft geconstateerd dat de op 11 oktober 2006 in het kader van het onderzoek vastgestelde beperkingen nog actueel waren;

- in een rapportage van de register-arbeidsdeskundige van het UWV d.d. 23 mei 2008 na een bezoek aan Stichting Kompaan maar zonder overleg met [verzoeker] wordt geconcludeerd dat de functie van ambulant hulpverlener voor 24 uur per week niet als passend is te beschouwen voor [verzoeker] en binnen Stichting Kompaan geen passende arbeid is voor hem;

- dit oordeel in een door [verzoeker] aangevraagde second opinion d.d. 27 mei 2008 wordt bevestigd;

- het UWV bij beschikking d.d. 9 juli 2008 aan [verzoeker] vanaf 30 november 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering ten bedrage van € 511,25 (incl. vakantiebijslag) heeft toegekend tot 30 november 2010; zijnde 70% van het verschil tussen zijn WIA-maandloon van € 3.085,89 en een maandinkomen op dat moment van € 2.355,58 en bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 37,57%;

- op 30 mei 2008 door Stichting Kompaan om een ontslagvergunning is verzocht, in het kader van welke procedure op 6 augustus 2008 en 17 september 2008, desverzocht door het CWI, door het UWV rapportages zijn opgesteld; de arbeidsdeskundige concludeert in de tweede rapportage van 17 september 2008 dat herplaatsing van [verzoeker] in zijn eigen functie gezien diens belastbaarheid geen reële optie is maar [verzoeker] wel geschikt is voor administratief/beleidsvoorbereidend/ secre-tarieel getint werk gedurende 40 uur per week;

- het UWV op 4 november 2008 het verzoek van Stichting Kompaan d.d. 20 mei 2008 om de ontslagvergunning heeft afgewezen, omdat Stichting Kompaan in onvoldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat [verzoeker] niet kon worden herplaatst in een andere passende functie;

- de arbeidsdeskundige van het UWV bij e-mail d.d. 8 december 2008 aan Stichting Kompaan heeft meegedeeld dat nog geen heronderzoek staat gepland en hij bij e-mail van 21 april 2009 dat vanaf eind 2006 de focus steeds gericht was op herplaatsingsmogelijkheden bij de eigen werkgever en dat nergens uit de stukken blijkt dat “(..) er ook is gekeken naar re-integratiemogelijkheden elders op de arbeidsmarkt (spoor 2).” en daarover met [verzoeker] ook niet gesprekken of afspraken zijn gemaakt;

- de gemachtigde van [verzoeker] hem bij brief d.d. 8 december 2008, geadresseerd aan de gemachtigde van Stichting Kompaan, beschikbaar heeft gemeld voor de door de arbeidsdeskundige als passend geachte functie(s) bij Stichting Kompaan en aanspraak heeft gemaakt op doorbetaling van loon, daarbij aangevende verbaasd te zijn dat daarnaar nog geen onderzoek is verricht;

- de gemachtigde van Stichting Kompaan daarop heeft gereageerd, door aan te geven dat binnen de stichting geen reïntegratiemogelijkheden en passende arbeid voor handen is;

- de heer [A], P&O adviseur bij Kompaan, op 7 mei 2009 een verklaring heeft afgelegd omtrent het loopbaanonderzoek naar de heer [verzoeker].

2.2 [verzoeker] verzoekt op voet van artikel 7:685 Burgerlijk Wetboek (BW) de ontbinding van de met Stichting Kompaan bestaande overeenkomst op grond van gewichtige redenen, bestaande uit een verandering in omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve of na korte tijd behoort te eindigen. Aan dit verzoek legt [verzoeker] verkort weergegeven het volgende ten grondslag.

Naar zijn mening is Stichting Kompaan tekortgeschoten in haar re-integratie-verplichtingen, doordat zij zonder enig verifieerbaar onderzoek heeft aangegeven, dat er geen passend werk voorhanden is voor [verzoeker], terwijl de arbeidskundige (in de CWI-procedure) na onderzoek te hebben gedaan, van mening is dat dit wel het geval is. Voorts voert hij aan dat hij van Stichting Kompaan geen enkele begeleiding heeft gekregen om zijn werk zo goed mogelijk te kunnen blijven vervullen, bijvoorbeeld met het gebruik van hulpmiddelen. [verzoeker] is van mening dat Stichting Kompaan zich jegens hem als slecht werkgever heeft opgesteld. Hij heeft geen vertrouwen meer in Stichting Kompaan en maakt gelet op de aan Stichting Kompaan te maken verwijten en zijn inkomensterugval ex artikel 7:685 lid 8 BW aanspraak op een vergoeding van € 119.964 bruto.

2.3 Stichting Kompaan verzet zich niet tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar verzet zich wel tegen de toekenning van enige vergoeding. Daarnaast verzoekt zij, voor het geval [verzoeker] zijn verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou intrekken, om ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen wegens gewichtige reden, zijnde een verandering van omstandigheden zonder toekenning van enige vergoeding.

Stichting Kompaan is -kort gezegd- van mening dat zij waar het betreft haar verplichting om voorzover dat redelijkerwijs mogelijk is maatregelen te treffen om [verzoeker] in eigen dan wel andere passende arbeid te werk te stellen niet te kort is geschoten, waar zij nauw met het UWV heeft samengewerkt, deze in haar oordelen en adviezen heeft gevolgd. Dat blijkt wel uit het feit dat haar vanuit het UWV geen loondoorbetalingsverplichting is opgelegd. Het UWV heeft naar haar zeggen de re-integratieverplichting van haar overgenomen.

Naar haar mening is [verzoeker] gezien zijn medische beperkingen, maar ook bezien vanuit kwalitatief opzicht aan de functie-uitoefening te stellen eisen niet (meer) geschikt voor zijn eigen werkzaamheden en zijn binnen haar instelling ook geen passende werkzaamheden voor [verzoeker] voor handen. [verzoeker] zou zelf ook niets voelen voor administratief ondersteunend werk, daartoe ook niet bekwaam zijn. Waar [verzoeker] reeds meer dan 2 jaar arbeidsongeschikt is, de oorzaak van die arbeidsongeschiktheid niets van doen heeft met het werk en zij haar re-integratieverplichtingen is nagekomen, ziet zij geen grond tot vergoeding als waarom verzocht door [verzoeker].

2.4. De kantonrechter oordeelt als volgt.

2.5. Vastgesteld kan inderdaad worden dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker], zijn medische beperkingen, niet werkgerelateerd zijn, Stichting Kompaan ter zake althans geen verwijt kan worden gemaakt. Voorts is niet onaannemelijk dat [verzoeker] van meet af aan gericht is geweest op terugkeer -en zo mogelijk voor 38 uur per uur week- in zijn eigen functie, het bedongen werk. Het door Rework op 15 september 2004 opgestelde re-integratieplan stelt voor een onderzoek naar belastbaarheid van [verzoeker] en om vanuit de aldus verkregen gegevens onderzoek te doen naar mogelijkheden tot werkhervatting in eigen dan wel ander werk, binnen en buiten de instelling van Stichting Kompaan en laat dus ook de mogelijkheid van hervatting van het eigen werk open.

2.6. Echter, daaropvolgend vindt een loopbaanonderzoek plaats dat kennelijk is gericht op andere, passend te achten werkzaamheden. Gezien de uitlating van de onderzoeker/adviseur d.d. 7 mei 2009 -drs.[A]- kan weliswaar niet uitgesloten worden dat [verzoeker] daaraan niet zijn volle medewerking heeft verleend, maar tegen de achtergrond dat Rework nog alle opties, waaronder terugkeer in eigen werk open had gelaten en de voorkeur van [verzoeker] in dat opzicht, valt [verzoeker] ter zake niet zonder meer een verwijt te maken. De toonzetting van de brief van 10 mei 2005 en het daarin gedane verzoek om een positieve en structurele opstelling mist dan ook voldoende grondslag.

2.7. Nadien wordt -zo moge uit de aangehaalde feiten blijken- ook getracht tot werkhervatting in het eigen werk te komen. Met ingang van 1 juni 2006 hervat [verzoeker] in eigen werk gedurende 24 uur per week en bestaan er blijkens ook de brief van 21 juni 2006 van de zijde van Stichting Kompaan geen andere dan de medische beperkingen om te hervatten in eigen werk. Hoewel de (gedeeltelijke) werkhervatting therapeutisch van karakter is -Stichting Kompaan onderschrijft dat onder punt 8 van haar verweerschrift- worden aan het functioneren van [verzoeker] in die gedeeltelijke werkhervatting wel in kwantitatief en kwalitatief opzicht eisen gesteld. Nog daargelaten of zulks rechtens geoorloofd is waar in wezen sprake is van arbeidsongeschiktheid en werkhervatting op therapeutische basis, waarbij de beoordeling van geschiktheid in medische opzicht gezien de beperkingen en belastbaarheid voorop (dienen te) staan, wordt daarmee de druk op [verzoeker], die al met ernstige medische problemen te kampen heeft die een hoge druk op zijn functioneren leggen, nog meer vergroot. Een zieke werknemer zal bovendien niet altijd opgewassen zijn tegen en in staat zijn zich te verweren tegen dergelijke kritiek. Niet valt dan ook in te zien waarom van meet af aan door Stichting Kompaan die eisen zijn gesteld en [verzoeker], bezien vanuit de optiek dat de werkhervatting een therapeutisch karakter had, niet eerst de tijd en de gelegenheid is gegeven zijn medische beperkingen aan zijn functie-uitoefening te relateren en te trachten de werkhervatting vanuit die optiek te realiseren.

2.8. Indien al zou kunnen worden aangenomen dat uiteindelijk de werkhervatting vanuit medisch opzicht bezien niet is geslaagd -de door de verzekeringsarts in het rapport van 12 oktober 2006 uitgesproken prognose lijkt hier haaks op te staan; het rapport van de arbeidsdeskundige van 28 augustus 2007 is tot stand gekomen zonder overleg met [verzoeker], gaat uit (zoals het daarin wordt verwoord) van de consequenties van de stap van Stichting Kompaan om [verzoeker] uit zijn functie te ontheffen en oppert de mogelijkheid van verslechtering van de belastbaarheid, waarvoor geen medisch oordeel voor handen was en hetgeen ook nadien op 14 mei 2008 door de verzekeringsarts niet wordt beaamd- had rechtens een nader onderzoek dienen te volgen naar de mogelijkheden van ander, passend werk binnen of buiten de instelling van Stichting Kompaan. De arbeidsdeskundige gaat daar in zijn rapport van 28 augustus 2007 ook van uit. Hoewel Stichting Kompaan, aldus dit rapport, heeft nagedacht over een alternatieve functie en heeft aangegeven dat deze er niet is, meent de arbeidsdeskundige dat in samenspraak met bedrijfsarts/arbodienst en na eventueel arbeidsdeskundig onderzoek zulks breed in kaart moet worden gebracht en geeft hij aan dat ook aan Stichting Kompaan duidelijk te hebben gemaakt.

2.9. Niettemin -en dus zonder reden- geeft Stichting Kompaan in haar brief van 30 augustus 2007 aan [verzoeker] aan dat zij én het UWV hebben geconcludeerd dat binnen haar instelling geen passende alternatieve functies voor handen zijn. De arbeidsdeskundige corrigeert dat nog in zijn e-mail van 11 oktober 2007, doch ook dat leidt niet tot aanpassing van de zienswijze van Stichting Kompaan.

Van een aansluitend daarop volgend intern onderzoek naar alternatieve functies binnen de instelling blijkt ook niet. Eerst op 23 mei 2008 volgt een rapport van de register-arbeidsdeskundige van het UWV. Deze stelt, na een bezoek aan Stichting Kompaan, dat Stichting Kompaan aangeeft dat er voor [verzoeker] geen enkele functie voor handen is die hij zou kunnen uitoefenen en dat zulks met de (andere) arbeidsdeskundige zou zijn besproken, dat veel functies ambulant zijn, dat daarbij ook gerapporteerd moet worden met behulp van een computer en goed verstaanbaar gecommuniceerd moet worden maar dat zulks [verzoeker] niet is gegund en dat er nog enkele functies zijn als facilitair medewerker maar daarvoor ook de fysieke belasting (lopen) te hoog is.

Nog daargelaten dat geenszins blijkt van een bespreking tussen de (andere) arbeidsdeskundige en Stichting Kompaan moet worden vastgesteld dat de register-arbeidsdeskundige geen overleg heeft gevoerd met [verzoeker], die al veel eerder -op 19 januari 2006- had aangegeven dat er zijns inziens andere passende functies binnen de instelling van Stichting Kompaan voor hem mogelijk waren. Mogelijkheden waarop Stichting Kompaan toen en nadien kennelijk niet is ingegaan, noch tegenover [verzoeker] noch tegenover de

(register-)arbeidsdeskundige, het UWV.

2.10. Indien -zoals Stichting Kompaan stelt- [verzoeker] functies binnen de instelling van administratieve aard heeft afgewezen, kan zulks niet zonder meer ten nadele van [verzoeker] worden uitgelegd waar deze eerder al op alternatieve functies binnen de instelling had gewezen, niet althans niet genoegzaam blijkt dat deze zijn onderzocht en ook ter zitting niet afdoende is komen vast te staan dat hierin niet -al dan niet met hulpmiddelen- passend werk, geënt op de beperkingen en belastbaarheid van [verzoeker], voor handen zijn althans gevonden had kunnen worden.

Laat Stichting Kompaan hier niet al liggen wat behoort tot haar re-integratieverplichtingen -in het besluit naar aanleiding van de aanvraag om een ontslagvergunning wordt daar van uitgegaan-, geconstateerd kan (tevens) worden dat -indien al binnen haar instelling geen ander passend werk voor [verzoeker] voor handen zou zijn (al dan niet met hulpmiddelen uit te voeren)- van de zijde van Stichting Kompaan geen actie is ondernomen in het traject van het zogenaamde tweede spoor. Immers, van enige maatregel van de zijde van Stichting Kompaan ter bevordering van inschakeling van [verzoeker] in voor hem passende arbeid bij een andere werkgever blijkt niet. Hier kan verwezen worden naar de e-mail van de arbeidsdeskundige van 21 april 2009.

2.11. De kantonrechter ziet bij het vorenoverwogene er niet aan voorbij dat van de zijde van het UWV naar zijn oordeel ook niet steevast genoegzaam adequaat lijkt te zijn opgetreden waar het het onderzoek naar en de beoordeling van de vraag naar geschiktheid voor eigen dan wel passend werk binnen de instelling betreft en geen aandacht is besteed aan het tweede spoor. De verplichting tot re-integratie binnen de eigen werkomgeving dan wel bij een andere werkgever is echter eerstens bij de werkgever zelf gelegd.

2.12. Het geheel overziende komt de kantonrechter tot het oordeel dat Stichting Kompaan onvoldoende inspanningen heeft gepleegd in het kader van de op haar rustende re-integratieverplichting. Dat is des ter schrijnender indien wordt bedacht dat het hier een zeer langdurig dienstverband betreft, dat de arebidsdeskundige bij e-mail van 11 oktober 2007 de visie van Stichting Kompaan nog heeft gecorrigeerd, dat [verzoeker] in een kort geding procedure tewerkstelling in de eigen functie dan wel in passend werk heeft gevorderd, de kantonrechter de vordering afwees op de grond dat nog niet kon worden vastgesteld of [verzoeker] op medische gronden geschikt was voor zijn functie van ambulant hulpverlener voor 24 uur per week en onvoldoende was gebleken of Stichting Kompaan in strijd handelt met haar werkgeversverplichting om [verzoeker] te werk te stellen in -andere- passende arbeid nu de arbeidsdeskundige zich daarover nog niet had kunnen uitlaten althans had uitgelaten, én dat Stichting Kompaan daaropvolgend en evenmin na ook in de ontslagvergunningsprocedure op dat tekortschieten te zijn gewezen, heeft nagelaten alsnog een onderzoek naar passend werk binnen haar instelling te plegen en zo mogelijk maatregelen te treffen, niettegenstaande bovendien een later verzoek van de zijde van [verzoeker] d.d. 8 december 2008.

Hieraan kan niet afdoen dat [verzoeker] na het vonnis in kort geding en het afwijzend besluit van het CWI om een ontslagvergunning te verstrekken zelf niet nogmaals in concreto zijns inziens passende functies heeft aangedragen. Immers, niet alleen had hij deze al eerder geduid, uit de in de vorige alinea beschreven houding van Stichting Kompaan heeft hij redelijkerwijs niet anders kunnen afleiden dan dat deze niet tot nader onderzoek bereid was.

Dat [verzoeker] geen vertrouwen meer heeft in Stichting Kompaan en deze geen kans meer wil geven is begrijpelijk. Ter zitting is ook gebleken dat Stichting Kompaan er van overtuigd is dat zij haar verplichtingen in deze ten volle is nagekomen. Dat zij nog een nader onderzoek zou plegen mocht en mag niet meer verwacht worden. Een en ander leidt ertoe dat gesproken kan worden van een zodanige wijziging van omstandigheden dat grond bestaat voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Waar het verzoek (mede) is gedaan door [verzoeker] komt de kantonrechter aan een beoordeling in verband met een opzegverbod niet toe, heeft zulks althans geen belang.

2.13. Anders dan Stichting Kompaan meent [verzoeker] dat aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding ten zijn gunste en ten laste van de ander verbonden dient te worden.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling in deze voorop dat hantering van de kantonrechtersformule is naar zijn oordeel minder op zijn plaats is, waar in wezen sprake is van een langdurige arbeidsongeschiktheid, waarvan de oorzaak niet werkgerelateerd blijkt.

De kantonrechter neemt bij de beoordeling van de aanspraak op een vergoeding de volgende factoren in aanmerking.

Enerzijds zijn dat de leeftijd van [verzoeker], diens eenzijdige arbeidsverleden, de lange duur van het dienstverband en het bedoelde tekortschieten van Stichting Kompaan. Ter zake van de vervulling van het dienstverband is overigens in het kader van de poging tot werkhervatting wel gesteld dat deze -kort gezegd- niet geheel naar behoren was doch daarvan is in concreto niets gebleken, terwijl ook de later uitgevoere teverdenheidsonderzoeken geen contra-indicatie vormen. Anderzijds neemt de kantonrechter in aanmerking dat niet blijkt dat aandacht is besteed aan eventuele bij-, her- of omscholing en niet uit te sluiten valt dat het tekortschieten van de zijde van Stichting Kompaan mogelijkerwijs uitzicht op passend werk ernstig heeft verminderd. Tegen die achtergrond is een vergoeding aan [verzoeker] ten laste van Stichting Kompaan op zijn plaats.

Vermelde omstandigheden wegend, doch ook dat [verzoeker] reeds lange tijd arbeidsongeschikt is en tot 30 november 2010 slechts aanspraak kan maken op een zeer lage loongerelateerde WGA-uitkering en vooralsnog niet te verwachten valt dat de uitkering nadien relevant hoger zal uitvallen acht de kantonrechter een vergoeding, in de vorm van een aanvulling op die (te verwachten uitkering) gedurende een periode van circa 3 jaar, schattenderwijs begroot op € 50.000,-- bruto, billijk. Dat Stichting Kompaan een gesubsidieerde instelling is en van subsidies afhankelijk is, is van te gering gewicht een vergoeding als bepaald in deze niet billijk te achten.

2.14. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat de kantonrechter voornemens is de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van genoemde vergoeding.

De kantonrechter zal beide partijen -nu immers ook Stichting Kompaan om ontbinding heeft verzocht- in kennis stellen van het voornemen.

2.15. In beginsel zal Stichting Kompaan, waar zij in het ongelijk wordt gesteld, worden verwezen in de op het geding gevallen kosten en wel in voege als hierna bepaald. In geval van intrekking van het verzoek door [verzoeker] en Stichting Kompaan zullen de kosten worden gecompenseerd.

3. De beslissing

De kantonrechter

I.

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de onderhavige arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 15 juni 2009, onder toekenning aan [verzoeker] ten laste van Stichting Kompaan van een vergoeding ad € 50.000,-- bruto;

- gunt aan beide partijen een termijn tot en met 8 juni 2009 om het verzoek in te trekken door middel van een schriftelijke verklaring aan de griffier, alsmede aan (de gemachtigde van) de wederpartij;

II.

en bij handhaving van één van de verzoeken:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, gelegen in veranderingen in de omstandigheden met ingang van 15 juni 2009;

- kent aan [verzoeker] ten laste van Stichting Kompaan een vergoeding toe ten bedrage van € 50.000,-- bruto en veroordeelt Stichting Kompaan om die vergoeding aan [verzoeker] binnen 30 dagen te betalen;

- verwijst Stichting Kompaan in de kosten van het geding en veroordeelt haar tot betaling van deze kosten aan de zijde van [verzoeker] gevallen en tot op heden begroot op € 750,-- voor salaris van de gemachtigde van [verzoeker].

III.

en zowel bij intrekking van het verzoek door [verzoeker] als intrekking van het verzoek door Stichting Kompaan:

- compenseert de op het geding gevallen kosten in dier voege dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.A.J. Nuijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.