Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BM9717

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
07/1590
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BW6254, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1590

Uitspraakdatum: 25 april 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaatsnaam],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg/kantoor Heerlen,

verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 7 maart 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2003 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 261.033 (aanslagnummer [nummer]V.36.0112).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, [namen], alsmede namens de inspecteur, [namen].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Op 12 december 2003 heeft [X] alle aandelen in belanghebbende overgedragen aan [J] B.V., van welke vennootschap alle aandelen door [Y] worden gehouden. Op diezelfde datum is ook de bij belanghebbende in eigendom zijnde onroerende zaak overgedragen aan [J] B.V. Belanghebbende verkeerde daarbij in de veronderstelling dat op genoemde datum een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de wet op de vennootschapsbelasting 1969 tussen haar en [J] B.V. tot stand was gekomen.

2.2.Omstreeks maart 2004 is door de toenmalige adviseur van belanghebbende ontdekt dat geen formele aanvraag voor de vaststelling van een fiscale eenheid was ingediend. Nadat alsnog een verzoek door belanghebbende werd ingediend is met terugwerkende kracht tot 2 januari 2004 een fiscale eenheid tot stand gekomen.

2.3.Tijdens het samenstellen van de jaarrekening is vervolgens geconstateerd dat de levering van de onroerende zaak aan [J] B.V. voor de vaststelling van de fiscale eenheid had plaatsgevonden. Daar belanghebbende de bedoeling had de levering binnen de fiscale eenheid plaats te laten vinden heeft de notaris, op verzoek van belanghebbende, een rectificatieakte opgesteld. In deze akte is de totstandkoming van de fiscale eenheid als opschortende voorwaarde voor de levering opgenomen.

2.4.Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur de rectificatieakte genegeerd en de belastbare winst van belanghebbende over 2003 verhoogd met de boekwinst over de onroerende zaak.

2.5.In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de belastbare winst van belanghebbende over 2003 terecht verhoogd heeft met de boekwinst over de onroerende zaak. Meer specifiek is in geschil of de rectificatieakte tot gevolg heeft dat de levering van de onroerende zaak heeft plaatsgevonden op 15 september 2004. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. De inspecteur beantwoordt de vraag ontkennend en stelt zich op het standpunt dat de levering heeft plaatsgevonden op 12 december 2003. De hoogte van de boekwinst is niet in geschil.

2.6.Aan een akte van rectificatie komt slechts dan betekenis toe wanneer vaststaat dat de tussen partijen bij de opmaking van de oorspronkelijke akte bestaande wilsovereenstemming geen nadere wijziging heeft ondergaan, doch alleen maar niet op de juiste wijze in die akte tot uiting is gebracht (vergelijk Hof ’s-Gravenhage, nr. 921 584, onder meer gepubliceerd in V/N 1993,18). De rechtbank is van oordeel dat aan onderhavige rectificatieakte geen betekenis toe komt nu geen sprake is van een onjuiste leveringsdatum in de akte maar van een achteraf betreurde leveringsdatum. Nadat belanghebbende constateerde dat verzuimd was een fiscale eenheid aan te vragen is de wilsovereenstemming gewijzigd. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat belanghebbende vanaf de datum van levering nog drie maanden de tijd had om met terugwerkende kracht tot 12 december 2003 een fiscale eenheid aan te vragen.

2.7.Belanghebbendes beroep op de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 augustus 2007, nr. 07/803, onder meer gepubliceerd op rechtspraak.nl, kan haar niet baten. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende nog drie maanden de tijd had om een fiscale eenheid aan te vragen, is het niet aannemelijk dat bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet gesloten zou zijn. Daarnaast is, omdat de overeenkomst niet is vernietigd, er geen sprake van een situatie waarin de levering geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden.

2.8.De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de belastbare winst van

belanghebbende over 2003 terecht verhoogd heeft met de boekwinst over de onroerende zaak. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 25 april 2008 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Spierings - van Kessel, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 04 november 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.