Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BM6367

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
06/2029
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2029

Uitspraakdatum: 1 juli 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost-Brabant/kantoor Eindhoven, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 13 april 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag in het recht van successie wegens een verkrijging in het jaar 2004 (aanslagnummer [aanslagnummer]) uit de nalatenschap van [erflater].

Zitting

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1. Op 6 september 2004 overleed de heer [erflater] (hierna: erflater). Hij heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt, zodat hij ingevolge de wet zijn drie broers als erfgenamen naliet, ieder voor eenderde gedeelte.

2.2. Op 23 juni 2005 is de aangifte voor het recht van successie, met een saldo van de nalatenschap van € 151.354, ingediend. Het saldo van de nalatenschap is gecorrigeerd op grond van artikel 13 Successiewet 1956 (hierna: de Wet) met een bedrag van € 50.234. Aan ieder van de broers is een aanslag van € 19.904 opgelegd over een verkrijging van € 67.195 in tariefgroep 2.

In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag verminderd tot één over een verkrijging van € 66.404 in tariefgroep 2.

2.3.In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1.Kunnen de uitspraken in stand blijven nu de inspecteur niet binnen de door hem toegezegde termijn van zes weken heeft gereageerd en hij in zijn uitspraak op het bezwaarschrift een onjuiste samenvatting van het bezwaar heeft opgenomen?

2.Kan belanghebbende een beroep doen op het vertrouwensbeginsel nu in de bijlage bij het aangiftebiljet wordt aangegeven dat op een verkrijging door broers tariefgroep 1A van toepassing is?

2.4. Met betrekking tot het eerste geschilpunt komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Belanghebbendes stelling dat de uitspraak op het bezwaarschrift niet conform de termijn van zes weken, zoals door de inspecteur in zijn ontvangstbevestiging is gesteld, heeft plaatsgevonden kan haar niet baten. De inspecteur heeft, in afwijking van deze termijn, op grond van artikel 25 AWR een termijn van één jaar en heeft ook binnen die termijn uitspraak gedaan.

2.5.Voorzover belanghebbende stelt dat een verkeerde samenvatting van belanghebbendes bezwaren in de uitspraak op het bezwaar op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel dient te leiden tot vernietiging van de aanslag verwerpt de rechtbank deze grief aangezien belanghebbende op geen enkele wijze daardoor in zijn belangen is geschaad.

2.6. Met betrekking tot het tweede geschilpunt overweegt de rechtbank het volgende.

De bijlage bij het aangiftebiljet bevat inlichtingen van de belastingdienst en geen toezeggingen. Zo belanghebbende bladzijde 10 van de bijlage al heeft kunnen begrijpen in de door hem verdedigde zin in samenhang met de ook in de bijlage aanwezige wegwijzer A op bladzijde 5, kan dit nog niet leiden tot in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen. Daarvan kan eerst sprake zijn indien belanghebbende geconfronteerd is met het feit dat hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting moet betalen, maar hij daarenboven schade lijdt doordat hij afgaande op de onjuiste informatie, enige handeling heeft verricht of nagelaten (HR 14 juni 2000, nr.35 275, BNB 2000/330). Gesteld noch aannemelijk is geworden dat in casu sprake is van een situatie zoals beschreven in voormeld arrest. Derhalve kan belanghebbende aan deze toelichting geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen.

2.7. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

2.8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 1 juli 2008 door mr. A.J. Kromhout, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 03 juli 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.