Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BM5856

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
07/1458
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1458

Uitspraakdatum: 27 mei 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 februari 2007 de aanslag gehandhaafd.

1.2.Belanghebbende heeft daartegen bij fax van 2 april 2007, ontvangen bij de rechtbank op 2 april 2007, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

1.3.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.5.Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008. Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, mr. [gemachtigde]. Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1.7.Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.8.Bij brief van 6 mei 2008 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat er schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de inspecteur ter zitting, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1.Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en was het gehele jaar 2003 woonachtig in België. Hij was dat jaar in dienst bij [werkgever] B.V., zijnde een in Nederland gevestigd zeesleep- en bergingsbedrijf.

2.2.Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar 234 dagen gewerkt. Van deze 234 dagen heeft belanghebbende er 22 in Nederland of in de Nederlandse wateren gewerkt. De overige werkdagen heeft belanghebbende gewerkt aan boord van een zeesleper in de wateren voor de Nigeriaanse kust. De werkzaamheden van deze zeesleper bestonden uit het beveiligen, bevoorraden en in positie houden van een pijpenlegger.

3.Geschil

3.1.In geschil is de vraag of belanghebbende in 2003 belastingplichtig en premieplichtig was in Nederland ter zake van de dagen die hij voor de Nigeriaanse kust heeft gewerkt.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen de inspecteur daartoe ter zitting heeft aangevoerd, wordt verwezen naar het proces-verbaal.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend op basis van de in Nederland gewerkte dagen. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Belastingplicht

4.1.Belanghebbende is op grond van artikel 2.1, eerste lid, sub b van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) belastingplichtig in Nederland, nu hij niet in Nederland woont, maar wel Nederlands inkomen geniet als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid en tweede lid, sub b, van de Wet IB 2001. Artikel 7.2, zevende lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2003) luidt immers, voor zover hier van belang:

‘ (…) de buiten Nederland vervulde dienstbetrekking waarbij werkzaamheden worden verricht aan boord van schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd (…), worden steeds geacht in Nederland te zijn vervuld.’

De beloning van belanghebbende wordt daarmee geacht betrekking te hebben op in Nederland verrichte arbeid en maakt derhalve deel uit van zijn Nederlandse inkomen uit werk en woning.

4.2.Artikel 15, derde lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, gesloten te Luxemburg op 5 juni 2001 (hierna: het Verdrag) luidt:

‘Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning verkregen ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip, binnenschip of luchtvaartuig, slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat waar de plaats van werkelijke leiding is gelegen van de onderneming die dat schip, binnenschip of luchtvaartuig exploiteert.’

Belanghebbende oefende zijn werkzaamheden in 2003 uit aan boord van een schip dat werd geëxploiteerd door een bedrijf waarvan de werkelijke leiding in Nederland is gevestigd. Nederland mag volgens het Verdrag in het onderhavige geval derhalve inkomstenbelasting heffen over de door belanghebbende ter zake genoten beloning.

4.3.Belanghebbende heeft gesteld dat ook van toepassing is de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federale Republiek Nigeria tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen naar vermogenswinsten, gesloten te Lagos op 11 december 1991. De rechtbank verwerpt deze stelling. Voor toepassing van deze overeenkomst is vereist dat belanghebbende inwoner is van Nederland, dan wel Nigeria. Als inwoner van België kan belanghebbende derhalve geen beroep doen op toepassing van de overeenkomst. Belanghebbende kan zich, waar het de Nederlandse belastingheffing betreft, evenmin beroepen op toepassing van een tussen België en Nigeria gesloten belastingverdrag.

4.4.Belanghebbende heeft gesteld dat er sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. In de jaren 2001 en 2002 verkeerde hij immers in dezelfde situatie als in 2003 terwijl hij over die jaren enkel belasting betaalde over de daadwerkelijk in Nederland of in de Nederlandse wateren verrichte werkzaamheden. Belanghebbende ziet daarbij evenwel voorbij aan het feit dat tot 1 januari 2003 het tussen Nederland en België gesloten belastingverdrag van 1970 van toepassing was dat terzake van de belastingheffing van in het internationale verkeer behaalde beloningen een andere regeling kende.

4.5.Op grond van hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur terecht inkomstenbelasting heeft geheven over het loon van belanghebbende.

Premieplicht

4.6.Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste volzin van EG Verordening nr. 1408/71 (hierna: Verordening), valt belanghebbende onder de personele werkingssfeer van deze Verordening.

4.7.Artikel 13, lid 1, van de Verordening luidt als volgt:

‘Onder voorbehoud van artikel 14quater zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.’

4.8.In artikel 13, lid 2, letter c, van de Verordening wordt voor zeelieden de volgende hoofdregel gegeven, onder voorbehoud van artikel 14ter:

‘is op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een Lid-Staat vaart, de wetgeving van die Staat van toepassing;’

Er is in het onderhavige geval geen sprake van de uitzonderingen genoemd in artikel 14ter van de Verordening. Dit brengt met zich mee dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is.

4.9.Op grond van artikel 6a van de Algemene Ouderdomswet en de overeenkomstige bepalingen in de Algemene Nabestaandenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Belanghebbende is dus het hele jaar verzekerd in Nederland

4.10.Niet gebleken is dat belanghebbende zijn werkzaamheden op volle zee heeft verricht. Gezien de aard van de werkzaamheden, acht de rechtbank ook niet aannemelijk dat dit het geval is. Dientengevolge mist het door belanghebbende aangehaalde Verdrag inzake de volle zee (Trb. 1959, 124) toepassing, nu ingevolge artikel 1 onder de uitdrukking ‘volle zee’ wordt verstaan alle delen van de zee die niet behoren tot de territoriale zee of de binnenwateren van een staat.

4.11.Belanghebbende heeft gesteld dat schepen die zich uitsluitend bevinden in het gebied waarover een kuststaat de rechtsmacht heeft, de territoriale wateren of het continentale plat, zijn onderworpen aan de rechtsmacht van de kuststaat. Belanghebbende heeft daarbij kennelijk het oog op de uit het Verdrag inzake het Continentaal Plateau (Trb. 1959, 126) voortvloeiende volkenrechtelijke regel dat op het continentale plat in het kader van exploratie- en exploitatiewerkzaamheden opererende (hulp)schepen onder de rechtsmacht vallen van de staat waartoe dat plat behoort, dan wel op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Zeerechtverdrag 1982, Trb. 1984, 55).

4.12.De rechtbank kan de gevolgtrekking die belanghebbende aan die stelling verbindt echter niet volgen. Uit geen enkel internationaal verdrag inzake het recht van de zee, volgt dat de aan de kuststaat toekomende rechtsmacht zich mede zou uitstrekken tot de jurisdictie inzake de sociale verzekeringsplicht terzake van werkzaamheden die aan boord van zich in haar territoriale wateren, dan wel op haar continentaal plat, bevindende schepen worden verricht.

4.13.Belanghebbende heeft voorts gesteld dat er sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. In de jaren 1998 tot en met 2002 verkeerde hij immers in dezelfde situatie als in 2003, terwijl hij in die jaren geen premie volksverzekeringen betaalde. Tegen de aanslag over het jaar 2002 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend. De inspecteur heeft belanghebbende in zijn voorgenomen uitspraak op bezwaar aanvankelijk medegedeeld dat belanghebbende premieplichtig is in Nederland en dat het bezwaar zou worden afgewezen. In afwijking van zijn voornemen is de inspecteur vervolgens geheel aan het bezwaar tegemoet gekomen. De rechtbank is van oordeel dat zo de handelwijze van de inspecteur met betrekking tot de bezwaarfase over 2002 al is aan te merken als een impliciete standpuntbepaling, belanghebbende hieraan geen in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen. Gezien de toepasselijkheid van de in 4.6 genoemde Verordening en de in 4.9 genoemde wetgeving, is de handelwijze van de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank namelijk zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende niet op nakoming mocht rekenen (vgl. Hoge Raad 26 september 1979, nr. 19 250, BNB 1979/311).

4.14.Op grond van hetgeen in 4.6 tot en met 4.13 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur terecht premies volksverzekeringen heeft geheven over het loon van belanghebbende.

4.15.Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 27 mei 2008 door mr. D. Hund, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 28-05-2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.