Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BK9138

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
07/1832
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1832

Uitspraakdatum: 31 januari 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiseres], gevestigd te Aarle-Rixtel, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 27 april 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) met aanslagnummer [aanslagnummer] alsmede de daarbij opgelegde boetebeschikking.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2008. Aldaar zijn verschenen en gehoord, [naam], namens belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoor] te Geleen, alsmede namens de inspecteur, [naam], [naam] en [naam].

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boete;

-vermindert de boete tot € 1.134;

-verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 302 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden.

2.Gronden

2.1. Belanghebbende exploiteerde tot 14 juni 2004 een taxibedrijf en had in dat verband onder meer de beschikking over twee personenauto’s met de kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2]. Belanghebbende had voor deze auto’s een geldige vergunning als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000.

2.2.De inspecteur heeft in het kader van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld. Tijdens het onderzoek is gebleken dat met betrekking tot onder meer de onder 2.1 genoemde auto’s:

- de rittenstaten per chauffeur werden bijgehouden;

- de rittenstaten niet in alle gevallen zorgvuldig werden ingevuld;

- er niet in alle gevallen een rittenstaat werd aangelegd;

- de hoedanigheid van de ritten niet uit de staten bleek.

2.3.Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur naheffingsaanslagen BPM aan belanghebbende opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar en beroep aangetekend. In de beroepsfase heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen vernietigd. Belanghebbende heeft als gevolg daarvan het beroep ingetrokken.

2.4.Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn ook de volgende naheffingsaanslagen MRB en boetebeschikkingen opgelegd:

Kenteken [kenteken 1]

- naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 30 november 2001 (aanslagnummer [aanslagnummer]): nageheven belasting € 1.757, boete € 1.757;

Kenteken [kenteken 2]

- naheffingsaanslag over het tijdvak 29 maart 2001 tot en met 28 maart 2002 (aanslagnummer [aanslagnummer]): nageheven belasting € 2.336, boete € 2.336;

- naheffingsaanslag over het tijdvak 29 maart 2002 tot en met 28 maart 2003 (aanslagnummer [aanslagnummer]): nageheven belasting € 2.317, boete € 2.317;

-naheffingsaanslag over het tijdvak 29 maart 2003 tot en met 28 maart 2004 (aanslagnummer [aanslagnummer]): nageheven belasting € 2.338, boete € 2.338.

De naheffingsaanslagen zijn opgelegd in verband met het niet in aanmerking komen voor de taxivrijstelling als bedoeld in artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de Wet MRB.

2.5.Belanghebbende heeft gesteld dat de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen dienen te worden vernietigd, nu zij gebaseerd zijn op hetzelfde boekenonderzoek als de naheffingsaanslagen BPM. De rechtbank verwerpt deze stelling. Belanghebbende miskent namelijk dat de naheffingsaanslagen BPM niet zijn vernietigd omdat het controlerapport onjuist is, maar omdat zij in strijd met artikel 20 van de AWR zijn opgelegd aangezien het ambtshalve teruggaven betrof. Deze strijd doet zich bij de onderhavige belastingaanslagen echter niet voor. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat ook de onderhavige naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen zouden worden vernietigd.

2.6.In beginsel rust de bewijslast dat de naheffingsaanslagen terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd, op de inspecteur. Artikel 27e AWR bepaalt dat, indien niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47, 47a, 49, 52 AWR, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

2.7.De inspecteur heeft gesteld dat er sprake is van omkering van de bewijslast, nu belanghebbende niet heeft voldaan aan de in de artikelen 47 en 52 van de AWR neergelegde verplichtingen. Vaststaat dat de inspecteur belanghebbende om het overleggen van de rittenadministratie heeft verzocht en dat belanghebbende pas aan dit verzoek is tegemoet gekomen nadat het boekenonderzoek en het controlerapport waren afgerond. Voorts staat vast dat belanghebbende geen gegevens van de taxameters heeft bewaard.

2.8.Naar het oordeel van de rechtbank zijn de rittenstaten en de gegevens van de taxameters van wezenlijk belang voor het beoordelen van het recht op de taxivrijstelling en de betrouwbaarheid van de administratie. Het niet-tijdig overleggen van de rittenstaten en het niet bewaren van de gegevens van de taxameters, zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook verzuimen die, in onderling verband bezien, voldoende ernstig zijn om de grondslag te vormen voor het oordeel dat omkering (verschuiving en verzwaring) van de bewijslast is gerechtvaardigd. Dit brengt met zich mee dat belanghebbende dient aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met al hetgeen zij heeft aangevoerd, niet aan deze bewijslast heeft voldaan. Op grond van artikel 27e van de AWR heeft de rechtbank het beroep dan ook ongegrond verklaard voor wat betreft de naheffingsaanslag.

2.9.Nu de naheffingsaanslag op grond van hetgeen in 2.8 is overwogen in stand is gebleven en nu niet is gesteld noch is gebleken dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, is er naar het oordeel van de rechtbank terecht een verzuimboete opgelegd op grond van artikel 77 juncto artikel 37 van de Wet MRB. Gelet op de omstandigheid dat er in verband met de vier naheffingsaanslagen aan belanghebbende een bedrag aan boetes is opgelegd van in totaal € 8.748, acht de rechtbank de opgelegde boete echter te hoog. De rechtbank acht het redelijk om voor alle vier de boetes aan te sluiten bij het in artikel 67c van de AWR genoemde maximum van € 4.537. De rechtbank is derhalve van oordeel dat een boete van € 1.134 in het onderhavige geval passend en geboden is. Hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat belanghebbende wist aan welke voorwaarden zij diende te voldoen om in aanmerking te komen voor de bedoelde taxivrijstelling. Dat belanghebbende haar administratie kennelijk heeft ingericht volgens de eisen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, is voor de rechtbank geen reden om de boete verder te verminderen dan hiervoor is aangegeven.

2.10.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3.Proceskosten

3.1.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dat er recht bestaat op een vergoeding van de werkelijke kosten, nu een dergelijke vergoeding pas aan de orde is wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank echter geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur in haar ogen onnodig procedeert, is daarvoor namelijk onvoldoende.

3.2.De rechtbank heeft de kostenvergoeding op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Gezien de omstandigheid dat de zaken van belanghebbende met procedurenummers 07/1832, 07/1833, 07/1834 en 07/1835 samenhangende zaken zijn als bedoeld in artikel 3 van het Besluit, stelt de rechtbank de kostenvergoeding in ieder van deze zaken vast op € 302, te weten € 805 maal 1,5/4 (afgerond).

Deze uitspraak is gedaan op 31 januari 2008 door mr. D. Hund, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 5 februari 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.