Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BK7194

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
21-12-2009
Zaaknummer
AWB 07/1740
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1740

Uitspraakdatum: 16 mei 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser],

eiser,

en

de inspecteur van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 12 april 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de over het jaar 2005 aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag stikstofheffing.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft met dagtekening 9 januari 2007 aan belanghebbende over het tijdvak 2005 een naheffingsaanslag stikstofheffing opgelegd ad [bedrag].

1.2.Bij schrijven van 18 januari 2007 heeft belanghebbende bezwaar aangetekend tegen de voormelde naheffingsaanslag stikstofheffing.

1.3.De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 april 2007 de naheffingsaanslag stikstofheffing gehandhaafd.

1.4.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 19 april 2007, ontvangen bij de rechtbank op 19 april 2007, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

1.5.De inspecteur heeft met dagtekening 23 mei 2007 een verweerschrift ingediend.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld door [naam], alsmede namens de inspecteur, [naam].

2.Feiten

2.1.Belanghebbende is varkenshouder. Op 28 augustus 2006 heeft belanghebbende voor het jaar 2005 de verfijnde aangifte MINAS (hierna: de aangifte) ingediend, resulterend in een bedrag aan fosfaatheffing ad € 0 en stikstofheffing ad € 0.

2.2.Na vergelijking van de aangifte met de bij de inspecteur bekende gegevens heeft de inspecteur geconstateerd dat belanghebbende een bedrag van [bedrag] is verschuldigd aan stikstofheffing. Aangezien deze verschuldigde stikstofheffing niet is voldaan, heeft de inspecteur met dagtekening 9 januari 2007 een naheffingsaanslag stikstofheffing opgelegd ad [bedrag]. De verschuldigde fosfaatheffing is conform de aangifte nihil.

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag stikstofheffing terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd aangezien alle dierlijke mest die op zijn bedrijf is geproduceerd, is afgevoerd en er dientengevolge geen sprake kan zijn van een stikstofoverschot. Daarnaast verbaast belanghebbende zich over het feit dat hij wèl stikstofheffing is verschuldigd maar geen fosfaatheffing.

Tenslotte beroept belanghebbende zich op een toezegging van de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit, inhoudende dat aan varkenshouders die in de praktijk alle geproduceerde mest hebben afgevoerd doch theoretisch een mineralenoverschot zouden hebben, geen mineralenheffing wordt opgelegd.

3.3.De inspecteur baseert de naheffingsaanslag stikstofheffing op de analyseresultaten van de bemonstering van de op het bedrijf van belanghebbende geproduceerde dierlijke mest.

3.4.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken alsmede hetgeen ter zitting daaraan is toegevoegd.

3.5.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag stikstofheffing.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.Naar de rechtbank begrijpt, beroept belanghebbende zich op de toezegging van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 januari 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 28 385, nr. 82). Deze toezegging heeft echter uitsluitend betrekking op de uitvoering van het mestbeleid vanaf het jaar 2006 en heeft derhalve voor het onderhavige jaar, zijnde 2005, geen betekenis.

4.2.In de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2005 kende de meststoffenwet het zogenaamde mineralenaangiftesysteem (MINAS). Dit systeem heeft voor de bepaling van de heffingsgrondslag de keuze tussen een forfaitaire aangifte en een verfijnde aangifte. Bij de verfijnde aangifte geldt als uitgangspunt dat de mineralenheffing zoveel mogelijk wordt gebaseerd op de werkelijke hoeveelheden stikstof en fosfaat.

Zoals vermeld onder 2.1 heeft belanghebbende gekozen voor de verfijnde aangifte. Ingevolge de Regeling hoeveelheidsbepaling dierlijke en overige organische meststoffen (Staatscourant 1997, 240/pagina 20) vindt de vaststelling van stikstof- en fosfaatgehaltes plaats door middel van een steekproefonderzoek.

4.3.Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat stikstof en fosfaat in dierlijke mest aanwezige mineralen zijn die niet van elkaar zijn los te koppelen. Een bepaalde hoeveelheid dierlijke mest bevat derhalve altijd zowel een (bepaalde) hoeveelheid stikstof als fosfaat. De inspecteur heeft echter geen verklaring kunnen geven voor het feit dat in het onderhavige geval wèl stikstofheffing is verschuldigd maar géén fosfaatheffing. Voor de onderbouwing van de naheffingsaanslag stikstofheffing verwijst de inspecteur enkel naar de analyse-resultaten van het steekproefonderzoek en de daarop toegepaste berekeningssystematiek.

4.4.Gelet op de onweersproken stelling van belanghebbende dat hij alle dierlijke mest, die op zijn bedrijf is geproduceerd, heeft afgevoerd en de afwezigheid van een aannemelijke verklaring van de inspecteur voor het feit dat belanghebbende wel stikstofheffing is verschuldigd doch geen fosfaatheffing, terwijl deze mineralen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat de naheffingsaanslag stikstofheffing in het onderhavige geval niet op de juiste wijze kan zijn vastgesteld en deze deswege moet worden vernietigd.

4.5.Gelet op het vorenoverwogene dien het beroep gegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die hiervoor in aanmerking komen.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vernietigt de naheffingsaanslag stikstofheffing;

-gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 39 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 16 mei 2008 door mr. J.J.J. Engel, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 19 mei 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.