Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BK5288

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
AWB 07/2655
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2655

Uitspraakdatum: 13 mei 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende],

eiser,

en

[inspecteur],

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 15 mei 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, alsmede de bij beschikking opgelegde verzuimboete en heffingsrente [aanslagnummer].

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008 te Maastricht.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, [naam] en [naam]

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

1) Is belanghebbende in de bezwaarfase ten onrechte niet gehoord?

2) Heeft belanghebbende recht op aftrek van uitgaven wegens ziekte ingevolge artikel 6.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) ter zake van: een aangepaste autostoel, een aangepaste stoel voor thuisgebruik, een TFT-scherm en vervanging van haarmaatwerk?

3) Is terecht een verzuimboete opgelegd?

4) Is terecht heffingsrente in rekening gebracht?

Met betrekking tot het horen

2.2. Belanghebbende stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. Op grond van artikel 7:2 van de Awb en artikel 25, vierde lid van de AWR dient belanghebbende in de bezwaarfase gehoord te worden op diens verzoek. Uit de stukken blijkt dat de inspecteur belanghebbende daarover heeft geïnformeerd en hem in de gelegenheid heeft gesteld een afspraak te maken. Belanghebbende heeft daarop gereageerd met een verzoek om uitstel teneinde overleg te voeren met zijn adviseur. Nadat aan belanghebbende tot 14 april 2006 uitstel is verleend, ontving de inspecteur op 12 april 2006 een brief van de adviseur dat belanghebbende geen cliënt meer is. Van belanghebbende ontving de inspecteur geen reactie. Met dagtekening 15 mei 2006 doet de inspecteur vervolgens uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden niet worden gezegd dat het horen ten onrechte achterwege is gebleven. Tegenover de gemotiveerde weerspreking van de inspecteur heeft belanghebbende, met hetgeen hij heeft overgelegd, niet aannemelijk gemaakt dat hij een afspraak heeft willen maken om gehoord te worden over de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2002.

Met betrekking tot de aftrek van uitgaven wegens ziekte

2.3.Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, sub a, van de Wet IB 2001, worden als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling onder meer aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulpmiddelen en vervoer. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende medische klachten heeft, die kwalificeren als een ziekte.

2.4.Als hulpmiddel in de zin van de wet kan worden aangemerkt de voorziening die de zieke of de invalide in staat stelt de normale lichaamsfuncties te vervullen, waartoe hij zonder de voorziening niet in staat zou zijn. Indien een middel niet is opgenomen in het verstrekkingenpakket van de Ziekenfondswet of dat van de AWBZ, is voor kwalificatie als hulpmiddel vereist dat het een bijzondere hoedanigheid bezit die meebrengt dat het alleen wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen, dan wel naar zijn aard een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie kan overnemen (Hoge Raad 5 maart 2004, nr. 38 428, BNB 2004/170).

2.5.De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende de last rust de in geschil zijnde buitengewone uitgaven aannemelijk te maken.

2.6.Een aangepaste autostoel en een aangepaste stoel voor thuisgebruik behoren in het algemeen tot de normale gebruiksvoorwerpen. Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de verlichtende werking van de stoelen, kwalificeren de stoelen niet als hulpmiddel. Beide stoelen kunnen immers ook door gezonde, niet zieke of invalide mensen, worden gebruikt. Ook zijn de stoelen niet ontwikkeld om een door ziekte gestoorde elementaire lichaamsfunctie over te nemen.

2.7.Ter zake van het TFT-scherm is de rechtbank van oordeel dat dit bewuste apparaat ook geen hulpmiddel is in de zin van de wet. Ook een TFT-scherm beschikt immers niet over een zodanige hoedanigheid dat alleen invalide personen dit kunnen gebruiken.

2.8.Met betrekking tot de vervanging van haarmaatwerk overweegt de rechtbank, dat nu belanghebbende ter zitting heeft aangegeven dat het een esthetische kwestie is, er geen sprake is van uitgaven wegens ziekte. Dit zou anders zijn geweest wanneer zich als gevolg van kaalhoofdigheid een psychische stoornis of een psychisch lijden voordoet of gaat voordoen, in welk geval deze stoornis of dat lijden wel als ziekte kan worden beschouwd. Hieromtrent is echter niets gesteld of gebleken.

2.9.Voor zover belanghebbende heeft bedoeld een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank het volgende. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden beoordeeld of belanghebbende aan de uitlatingen van de inspecteur het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de kosten van haarwerk in aftrek zouden komen. Belanghebbende, op wie in dezen de last rust het (begin van) bewijs bij te brengen, heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een afspraak, toezegging of schending van in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen. Omtrent een afspraak of toezegging van de zijde van de Belastingdienst, is niets aannemelijk geworden.

Met betrekking tot de boete

2.10.Ter zake van de opgelegde boete overweegt de rechtbank het volgende. De boete is opgelegd wegens het te laat doen van aangifte. Belanghebbende beroept zich op afwezigheid van alle schuld. Bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de inspecteur geen verzuimboete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van avas, vernietigt de inspecteur de boete. Belanghebbende dient avas te stellen en te bewijzen.

2.11.Belanghebbende stelt dat het niet tijdig indienen van de aangifte het gevolg is van het ontbreken van administratieve ondersteuning, die nodig is vanwege zijn handicap. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van fysieke of psychische problemen de te late indiening van de aangifte over het onderhavige jaar hem niet te verwijten is. Ook het ontbreken van administratieve ondersteuning is geen reden om te concluderen tot avas.

Met betrekking tot de heffingsrente

2.12.Met betrekking tot de heffingsrente merkt de rechtbank op dat ingevolge artikel 30f van de AWR heffingsrente in rekening dient te worden gebracht ingeval een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen wordt vastgesteld. Nu dit laatste het geval is, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur terecht heffingsrente heeft berekend. Overigens is niet gesteld of aannemelijk geworden dat in het onderhavige geval het bedrag van de heffingsrente onjuist is.

2.13.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 13 mei 2008 door mr. J.J.J. Engel, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. M.H. van Schaik, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 21 mei 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.