Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BK5226

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
AWB 07/2448
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2701
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2448

Uitspraakdatum: 13 december 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats],

eiseres,

en

[inspecteur],

verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 2 mei 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ([aanslagnummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2008 te Maastricht.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [naam], verbonden aan [kantoor], alsmede namens de inspecteur, [naam] en [naam].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende verricht in het onderhavige jaar werkzaamheden als zelfstandig artiest. Naast de inkomsten die zij uit deze activiteiten geniet, heeft belanghebbende een parttime dienstbetrekking, bij de [B] en vanaf 1 september bij [A]. Bij elk van de werkgevers geeft zij gedurende ongeveer 10 uur per week zangles.

2.2.In 2003 verzorgde belanghebbende 38 optredens waarmee een omzet van ongeveer € 6.100 werd behaald. Van deze 38 optredens, heeft belanghebbende 9 keer opgetreden met een vaste band [band].

2.3.In geschil is vooreerst of sprake is van winst uit onderneming. Indien dit het geval is, is voorts in geschil of belanghebbende voldoet aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek.

2.4.Onder een onderneming moet naar het oordeel van de rechtbank worden verstaan, een organisatie, die erop is gericht met behulp van arbeid en veelal met behulp van kapitaal deel te nemen aan het economische verkeer met het oogmerk om winst te behalen.

2.5.De rechtbank is van oordeel dat het geheel van de door belanghebbende verrichte en/of aangeboden activiteiten kan worden aangemerkt als onderneming in de zin van artikel 3.2 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Hierbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Belanghebbende verricht de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening. Ze heeft meerdere opdrachtgevers en loopt ter zake ondernemersrisico. Dit geldt ook indien als juist zou moeten worden aanvaard dat ten aanzien van de optredens met de band [band] geen debiteurenrisico zou worden gelopen. Immers, ook dan resteert, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende risico ten aanzien van de betalingen van haar andere optredens. De rechtbank ziet, anders dan de inspecteur, in de korte duur en de aard van de opdrachten en opdrachtgevers, geen reden om ten aanzien van het debiteurenrisico anders te oordelen. De omvang van haar parttime dienstbetrekkingen laat voldoende ruimte voor het uitoefenen van haar zelfstandig beroep als zangeres. De hoogte van de brutobaten is redelijk te noemen. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat in de artiestenbranche de bekendheid naar buiten toe met name via een netwerk en goede referenties zal plaatsvinden en niet of in mindere mate door middel van visitekaartjes en vermelding in de Gouden Gids. Ook de publicaties op internet dragen bij aan de bekendheid naar buiten toe.

2.6.Ten aanzien van het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek overweegt de rechtbank het volgende.

2.7.Ingevolge artikel 3.76 van de Wet IB 2001 geldt de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt. Onder het urencriterium wordt volgens artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 verstaan: het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, indien:

a. de tijd die in totaal wordt besteed aan die ondernemingen en het verrichten van werkzaamheden in de zin van de afdelingen 3.3 en 3.4, grotendeels wordt besteed aan die ondernemingen of

b. de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was.

2.8.Belanghebbende heeft een overzicht van haar uren overgelegd, waaruit een totaal aantal uren volgt van 1321.

2.9.Als tijd die in beslag wordt genomen door het drijven van een onderneming, geldt alle tijd die wordt besteed aan werkzaamheden die worden verricht met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. De rechtbank is van oordeel dat niet alle uren uit de door belanghebbende gemaakte urenopstelling, zoals bedoeld onder punt 2.8, voldoen aan dit criterium. De door belanghebbende opgenomen uren ter zake van de [tour] kunnen niet geheel worden gerekend tot de uren die worden besteed aan werkzaamheden voor de onderneming. Immers, in elk geval van de overnachtingsuren kan niet worden gezegd dat in die tijd werkzaamheden zijn verricht. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de studie-uren, en de tijd die is gemoeid met concertbezoeken en therapie volledig zijn toe te rekenen aan de onderneming. De rechtbank acht het waarschijnlijker dat deze uren deels verband houden met de onderneming en deels met de dienstbetrekking. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat in het onderhavige jaar is voldaan aan het vereiste dat 1225 uur aan het drijven van de onderneming is besteed.

2.10.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 13 december 2008 door mr. J.J.J. Engel, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. M.H. van Schaik, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 13 mei 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.