Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BK1680

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
07/1692
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1692

Uitspraakdatum: 24 januari 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de ontvanger van de Belastingdienst Oost-Brabant/kantoor ’s-Hertogenbosch, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en ontvanger.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de ontvanger van 8 maart 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem gerichte beschikking aansprakelijkheidstelling.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2008 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, mr. [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf H] B.V. (hierna: [bedrijf H] BV). Belanghebbende was eveneens directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf A] B.V. (hierna [bedrijf A] BV).

2.2. Op het op 18 december 2002 door de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant kantoor 's Hertogenbosch (de inspecteur), ontvangen verzoek van belanghebbende zijn bij voor bezwaar vatbare beschikking van 20 januari 2003 door de inspecteur voor de heffing van de omzetbelasting belanghebbende en de beide vennootschappen [bedrijf H] BV en [bedrijf A] BV met ingang van 1 januari 2003 aangemerkt als een fiscale eenheid voor de omzetbelasting en is als omzetbelastingnummer [nummer] toegekend.

2.3.Vaststaat dat [bedrijf A] BV per 22 maart 2006 failliet is verklaard en dat [bedrijf A] BV een aantal aanslagen omzetbelasting onbetaald heeft gelaten. Belanghebbende is voor die belastingaanslagen aansprakelijk gesteld.

2.4. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht als natuurlijk persoon deel uitmaakt van de in 2.3 genoemde fiscale eenheid en aldus terecht aansprakelijk is gesteld op grond van artikel 43 van de Invorderingswet 1990.

2.5.Vaststaat dat belanghebbende geen bezwaar heeft ingediend tegen de in 2.2 genoemde beschikking. Deze beschikking is dan op 4 maart 2003 onherroepelijk komen vast te staan. De rechtbank moet er dan, op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, van uit gaan dat die beschikking zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. De rechtbank moet er derhalve vanuit gaan dat die beschikking juist is. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat de inspecteur deze beschikking heeft herroepen of ingetrokken vóórdat de ontvanger belanghebbende heeft aansprakelijk gesteld.

2.6. Nu belanghebbendes grieven enkel zijn gericht op de onjuistheid van die beschikking, hij stelt immers dat hij geen ondernemer is en dat daarom die beschikking nooit tot stand had kunnen komen, kunnen die grieven hem op grond van het in 2.5 overwogene niet baten. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende terecht als natuurlijk persoon deel uitmaakte van de fiscale eenheid op het moment dat hij aansprakelijk werd gesteld. Nu overigens geen of feiten zijn gesteld of aannemelijk zijn geworden die aan de aansprakelijkheid in de weg staan, is belanghebbende bij de onderhavige beschikking terecht aansprakelijk gesteld

2.7. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan de ontvanger en is het beroep ongegrond verklaard.

2.8.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 24 januari 2008 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 28 februari 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.