Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BK1665

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
07/1158
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1158

Uitspraakdatum: 5 maart 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

VOF [eiser], gevestigd te [plaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost-Brabant/kantoor Tilburg,

verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 3 maart 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door haar over het tijdvak 1997 tot en met 2005 op aangifte voldane omzetbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [belanghebbende] en [echtgenote], alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde] en [gemachtigde].

Na opening van het onderzoek ter zitting zijn de onderhavige zaak en de zaak bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 07/1157 door de rechtbank gevoegd. Dit aangezien de bestreden uitspraak zich enkel richt op het voornoemde bezwaar van belanghebbende en niet tevens een (separaat) bezwaar van eiseres in de zaak met kenmerk 07/1157 betreft. Het voorgaande is door de rechtbank eerst kort vóór de zitting onderkend. Ter zitting is aangegeven dat uitspraak zal worden gedaan onder het nummer van de onderhavige zaak.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

Vooraf en ambtshalve

2.1. De inspecteur draagt de bewijslast van feiten die bepalend zijn voor het aanvangstijdstip van de beroepstermijn. Indien een belanghebbende voldoende gemotiveerd betwist dat een uitspraak is verzonden uiterlijk op de dag van dagtekening ervan, ligt de bewijslast dat zulks wel het geval is geweest derhalve op de inspecteur (Hoge Raad 12 januari 2007, nr. 42 739, onder meer gepubliceerd in BNB 2007/99).

2.2. Belanghebbende stelt dat de inhoud van de brief van de inspecteur van 21 februari 2006 inhoudende de voorgenomen afwijzing van belanghebbendes bezwaar haar en haar gemachtigde eerst op 4 december 2006 bekend is geworden, alsmede dat de uitspraak op bezwaar met dagtekening 3 maart 2006 belanghebbende noch haar gemachtigde heeft bereikt. Belanghebbende betwist de verzending van voornoemde documenten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet bewezen dat belanghebbendes stelling onjuist is. De stelling van de inspecteur dat de brief van 21 februari 2006 en de beschikking van 3 maart 2006 niet retour zijn gekomen en dat, nu de brief en de beschikking zijn verzonden door twee verschillende instanties zijn verstuurd, tenminste één van de twee moet zijn aangekomen, is hiertoe onvoldoende. Bij brief van 11 december 2006, door de inspecteur doorgezonden aan en ingekomen bij de rechtbank op respectievelijk 13 maart 2007 en 14 maart 2007, alsmede bij brief van 2 januari 2007, ingekomen bij de inspecteur op 4 januari 2007 en door hem doorgezonden aan en ingekomen bij de rechtbank op respectievelijk 13 maart 2006 en 14 maart 2006 heeft belanghebbende beroep aangetekend. Gelet op het voorgaande en het bepaalde in de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:15 van de Awb is het beroep tijdig.

Ten gronde

2.3. In 1997 en 1998 heeft belanghebbende het pand [adres] te [plaats] laten bouwen. Het pand betreft enerzijds een praktijkruimte en anderszijds de privéwoning van belanghebbendes vennoten. Het geheel is bouwkundig splitsbaar. Het pand is in 1998 gereed gekomen en in gebruik genomen. Belanghebbende heeft de voorbelasting voorzover deze betrekking heeft op de praktijkruimte in haar aangiften omzetbelasting over de jaren 1997 en 1998 in aftrek gebracht. De voorbelasting betreffende de privé-woning is niet in aftrek gebracht. Er is in het onderhavige geval geen sprake van gemengd gebruik.

2.4. Op 6 oktober 2005 heeft belanghebbende een “herziening op de jaaraangifte BTW”over de jaren 1997 tot en met 2005 ingediend. Deze “herziening” houdt verband met de beschikking van het Hof van Justitie van 14 juli 2005, nr. C-434/03 (Charles en Charles-Tijmens) volgens welke beschikking een belastingplichtige het recht heeft ervoor te kiezen om een investeringsgoed dat hij gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden en gedeeltelijk voor andere dan bedrijfsdoeleinden gebruikt, volledig in zijn onderneming op te nemen, alsmede, in voorkomend geval, de ter zake van de aanschaf van dat goed verschuldigde omzetbelasting volledig en onmiddellijk af te trekken. De “herziening” heeft betrekking op de voorbelasting betreffende de onder 2.3 genoemde privé-woning. De inspecteur heeft belanghebbendes brieven van 6 oktober 2005 opgevat als bezwaar tegen de aangiften omzetbelasting over de jaren 1997 tot en met 2005 en gelet op de inhoud aangemerkt als bezwaarschrift tegen de aangifte omzetbelasting over 1998.

2.5.1. Belanghebbendes bezwaarschriften zoals genoemd onder 2.4 behelsden in wezen een verzoek om teruggaaf van voorbelasting. De rechtbank hecht in dit kader belang aan het feit dat de mogelijkheid tot herziening van voorbelasting als bedoeld in artikel 15, vierde lid, Wet OB zich in het onderhavige geval niet kan voordoen, nu het pand voor wat betreft zakelijk en privé gebruik bouwkundig splitsbaar is en geen sprake is van gemengd gebruik.

2.5.2. Artikel 17 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) bepaalt dat ingeval de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt dan de in het tijdvak verschuldigd geworden belasting, het verschil aan de ondernemer op zijn verzoek wordt terugbetaald. Een verzoek om teruggaaf van belasting geschiedt ingevolge artikel 33 van de Wet OB bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Het recht op teruggaaf is ontstaan in 1997 en uiterlijk in 1998. Vaststaat derhalve dat belanghebbendes verzoek om teruggaaf niet is ingediend binnen de in de Wet OB daarvoor gestelde termijn.

2.6. De inspecteur heeft met dagtekening 3 maart 2006 uitspraak gedaan op het bezwaar zoals genoemd in 2.4. Hij heeft niet apart een beschikking afgegeven op het onder punt 2.5 vermelde verzoek om teruggaaf van voorbelasting. Belanghebbende heeft de uitspraak blijkbaar tevens opgevat als een afwijzing van dat verzoek, het beroep betreft (kennelijk) tevens die afwijzing. In beginsel dient tegen een beschikking eerst bezwaar te worden gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld. De rechtbank zal daaraan in het onderhavige geval om proceseconomische redenen voorbijgaan nu het verzoek, vanwege de termijnoverschrijding, in beginsel niet-ontvankelijk is en belanghebbendes stelling over de ontvankelijkheid ook geldt voor het verzoek om teruggaaf genoemd in 2.5. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de inspecteur blijkbaar de bedoeling heeft gehad om in de uitspraak het verzoek van belanghebbende in zijn geheel – dus ook voorzover het de teruggaaf van voorbelasting betrof – niet-ontvankelijk te verklaren.

2.7. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat de lidstaten zelf de formele bepalingen ook op het gebied van omzetbelasting mogen vaststellen, zij het dat zij daarbij de communautaire beginselen moeten waarborgen. De in de Wet OB en de AWR gestelde termijnen voor verzoeken om teruggaaf van voorbelasting c.q. bezwaar tegen op aangifte voldane omzetbelasting zijn dergelijke formele bepalingen. Voorts volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2005, nr. 37 690, onder andere gepubliceerd in VN 2005/12.6, mede dat, gelet op de mogelijkheid een bezwaarschrift in te dienen op nader aan te voeren gronden, de bezwaartermijn in de Awb, behoudens bijzondere omstandigheden, in overeenstemming is met het communautaire recht, ook ingeval Nederland een richtlijnbepaling niet naar behoren heeft omgezet in wetgeving. Belanghebbende heeft niet gesteld, noch is de rechtbank gebleken dat voornoemde formele bepalingen op enigerlei vlak in strijd zouden komen met de communautaire beginselen. Nu vaststaat dat belanghebbendes verzoek c.q. bezwaar niet voldoet aan de formele vereisten, is belanghebbende niet-ontvankelijk. De rechtbank is van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Nieuwe jurisprudentie na verstrijken van de reguliere termijn voor indiening van een verzoek kan niet tot de conclusie leiden dat een belanghebbende door overschrijding van de termijn niet in verzuim is geweest (Hoge Raad 8 februari 2002, nr. 36 659, BNB 2002/105). Belanghebbende is vrij zich een oordeel te vormen over de juistheid van de toepassing van de Wet OB en/of de verenigbaarheid van die Wet met de Zesde richtlijn en niet valt in te zien waarom belanghebbende naar aanleiding van dat oordeel niet (pro forma) bezwaar aan had kunnen tekenen.

2.8. De stelling van belanghebbende ter zitting dat zij niet is gehoord, dient te worden afgewezen. Artikel 25 AWR bepaalt in afwijking van artikel 7:2 van de Awb dat een belanghebbende wordt gehoord op zijn verzoek. Niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende heeft verzocht te worden gehoord, voordat door de inspecter uitspraak op bezwaar is gedaan.

2.9. De rechtbank is niet bevoegd om de inspecteur op te dragen om in overleg met belanghebbende te komen tot een overdracht van belanghebbendes belastingdossier naar een andere eenheid binnen de belastingdienst.

2.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2008 door mr. A.J. Kromhout, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 14 maart 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.