Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BJ9444

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
07/4097
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/4097

Uitspraakdatum: 29 mei 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiseres], wonende te [plaatsnaam] (Spanje),

eiseres

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 28 augustus 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2008 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, [naam], de echtgenoot en gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, [naam inspecteur].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is woonachtig in Spanje. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar een AOW-uitkering en een pensioenuitkering van het ABP ontvangen. Daarnaast heeft belanghebbende in Spanje de beschikking over een eigen woning. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar gekozen voor de behandeling als binnenlands belastingplichtige, zoals bedoeld in artikel 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2.2.De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd waarbij het premiebedrag enkel uit AWBZ-premie bestaat. De inspecteur heeft daarbij een premie-inkomen van € 18.296 gehanteerd. Dit kan als volgt worden weergegeven:

AOW-uitkering € 13.520

Pensioenuitkering ABP 7.048

20.568

Af: saldo eigen woning -/-2.272

18.296

2.3.In geschil is of belanghebbende in het onderhavige jaar premieplichtig is voor de AWBZ.

2.4.Belanghebbende valt onder de werking van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Spaanse Staat (hierna: het Verdrag). In dit Verdrag wordt de uitvoering van de sociale zekerheid tussen Nederland en Spanje geregeld. Omdat belanghebbende een AOW-uitkering ontvangt, kan zij op grond van artikel 16, tweede lid, van het Verdrag aanspraak maken op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving. Ter dekking van de kosten van deze verstrekkingen mag Nederland op grond van het vierde lid van genoemd artikel premies in rekening brengen bij belanghebbende.

2.5.Artikel 7 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: Besluit) luidt:

‘1. Verzekerd op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is de persoon die niet in Nederland woont, die verzekerd is op grond van de Ziekenfondswet en die, met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen of een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid, in de staat op het grondgebied waarvan hij woont recht kan doen gelden op verstrekkingen die hem in beginsel worden verleend ten laste van de middelen van de ziekenfondsverzekering.

2. Voor de heffing van premie terzake van de verzekering op grond van het eerste lid wordt als de persoon die recht kan doen gelden op de in het eerste lid bedoelde verstrekkingen beschouwd hij die als zodanig is geregistreerd bij het College zorgverzekeringen of het bevoegde ziekenfonds.’

2.6.Belanghebbende heeft gesteld dat zij vrijwillig verzekerd is via het IZA en dat zij derhalve niet ziekenfondsverzekerd is. De inspecteur heeft gesteld navraag te hebben gedaan bij het College voor Zorgverzekeringen (hierna: CvZ). Het CvZ heeft verklaard dat belanghebbende in het onderhavige jaar verplicht ziekenfondsverzekerd is. Tevens blijkt uit de jaaropgaven 2004 van de Sociale Verzekeringsbank en het ABP dat er ziekenfondspremie is ingehouden op de uitkeringen van belanghebbende. Gezien deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende in het onderhavige jaar ziekenfondsverzekerd is. Belanghebbende heeft geen verklaring van het CvZ overgelegd waaruit blijkt dat zij niet verzekerd is. Belanghebbende heeft haar stelling ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt.

2.7.Nu de rechtbank van oordeel is dat belanghebbende ziekenfondsverzekerd is, is zij op grond van het Besluit terecht aangemerkt als verzekerde voor de AWBZ. Belanghebbende heeft op grond van het Verdrag namelijk recht op medische zorg in Spanje waarbij de kosten van deze zorg ten laste komen van de Nederlandse ziekenfondsverzekering. Belanghebbende is op grond van artikel 6, juncto artikel 3 van de Wet financiering volksverzekeringen (hierna: Wfv) derhalve terecht aangemerkt als zijnde premieplichtig voor de AWBZ.

2.8.Op grond van de artikelen 7 en 8 van de Wfv wordt de premie berekend over het belastbare inkomen uit werk en woning volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Nu het in 2.2 vermelde bedrag gelijk is aan het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende, is de rechtbank van oordeel dat het premie-inkomen op het juiste bedrag is vastgesteld.

2.9. Belanghebbende heeft gesteld dat zij met de belastingdienst afspraken heeft gemaakt naar aanleiding van een procedure die over het jaar 2003 voor het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is gevoerd. Volgens belanghebbende is zij op grond van deze afspraken over het onderhavige jaar geen AWBZ-premie verschuldigd. Uit de stukken van het geding blijkt dat de door belanghebbende aangehaalde procedure de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003 van haar echtgenoot betrof en dat de gemaakte afspraken zien op de belastingplicht van belanghebbende en haar echtgenoot met betrekking tot het jaar 2003. De rechtbank is derhalve van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betreffende afspraken mede betrekking hebben op de verschuldigdheid van AWBZ-premie over het jaar 2004. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende derhalve.

2.10.Ter zitting heeft belanghebbende nog gesteld dat een medewerker van de belastingdienst aan haar echtgenoot heeft toegezegd dat zij voor het onderhavige jaar geen AWBZ-premie is verschuldigd. De inspecteur heeft betwist dat een dergelijke toezegging is gedaan. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende, nu zij deze op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. Mede gezien de betwisting door de inspecteur had dit wel op haar pad gelegen.

2.11.Belanghebbende heeft over het jaar 2004 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ontvangen. Volgens deze voorlopige aanslag is belanghebbende geen premie volksverzekeringen verschuldigd. Belanghebbende heeft gesteld dat zij bij het invullen van de aangifte hulp heeft gehad van een medewerker van de belastingdienst en dat zij er om die reden op mag vertrouwen dat er ook bij het opleggen van de definitieve aanslag geen premie volksverzekeringen verschuldigd is. De inspecteur heeft betwist dat belanghebbende hulp heeft gehad van een medewerker van de belastingdienst. De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de ambtenaar van de belastingdienst die belanghebbende zou hebben geholpen bij het invullen van haar aangiftebiljet enige uitlating of toezegging heeft gedaan waarop belanghebbende zich in redelijkheid tegenover de belastingdienst zou mogen beroepen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

2.12.De rechtbank gaat voorbij aan de grieven van belanghebbende voor deze niet de premieheffing betreffen.

2.13.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 29 mei 2008 door mr. A.J. Kromhout, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 3 juni 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep