Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BJ4784

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
07/2735
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/1896
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2735

Uitspraakdatum: 2 januari 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiseres], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor [adres], verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 2 juli 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) voor zover het betreft de personenauto’s met kentekens [kenteken X] en [kenteken Y] (aanslagnummer [aanslagnummer]BPM) en de gelijktijdig bij beschikking vastgestelde heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2007 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [gemachtigde], alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.326;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 328,50 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

-gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 285 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende exploiteert een taxibedrijf en heeft in dat verband de beschikking over een drietal personenauto’s met de kentekens [kenteken Z], [kenteken X] en [kenteken Y] (de auto’s). Belanghebbende beschikt voor de auto’s over een ingevolge de Wet personenvervoer 2000 geldige vergunning. Belanghebbende heeft voor de auto’s om teruggaaf van BPM verzocht. De teruggaven voor de twee laatstgenoemde auto’s zijn in één keer verleend bij beschikkingen van respectievelijk 18 september 2001 en 6 augustus 2003.

2.2.Op 2 mei 2006 zijn als uitvloeisel van een boekenonderzoek in het kader van de BPM door de inspecteur de teruggaven BPM (deels) gecorrigeerd. Dat heeft geresulteerd in een naheffingsaanslag tot een bedrag van € 13.109. Niet in geschil is de naheffing van de BPM voor zover het de auto met het kenteken [kenteken Z] betreft.

Algemeen kader

2.3.Artikel 16 van de Wet BPM luidde, voor zover te dezen van belang, tot 1 okober 2006 als volgt:

“1. Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend in drie gelijke jaarlijkse termijnen voor personenauto's die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer 2000 geldige vergunning, dan wel vergunningbewijs, zijn bestemd om openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten.

2. De aanspraak op teruggaaf ontstaat telkens voor een derde gedeelte nadat een, twee en drie jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de personenauto, overeenkomstig de vergunning danwel het vergunningbewijs, voor openbaar vervoer of taxivervoer in gebruik is genomen.

(…)

5. De teruggaaf bedraagt nihil indien de personenauto in de voorafgaande periode van een jaar niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000.

6. De inspecteur beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking.”

2.4.Bij Besluit van 6 juli 2000, [nummer] heeft de staatssecretaris van Financiën het volgende beleid gepubliceerd: “Vooruitlopend op een desbetreffende wetswijziging wordt in dit besluit goedgekeurd dat de ten aanzien van taxi’s betaalde belasting in één keer kan worden teruggegeven vanaf de datum waarop de desbetreffende personenauto gerechtigd is tot het voeren van de zogenoemde blauwe taxi-kentekenplaten. Dit wijkt in zoverre af van artikel 16 van de Wet BPM dat de huidige teruggaaf in drie jaarlijkse termijnen achteraf wordt vervangen door een teruggaaf in één keer.”

2.5.Bij Besluit van 27 juli 2001, nr. [nummer] heeft de staatssecretaris van Financiën het bovenstaande beleid bevestigd met dien verstande dat de laatste zin is vervangen door het volgende:

“Dit wijkt in zoverre af van artikel 16 van de Wet BPM dat de huidige teruggaaf in drie jaarlijkse termijnen achteraf wordt uitgebreid met de mogelijkheid tot teruggaaf in één keer vooraf. Dit betekent dat men ook kan blijven kiezen voor een teruggaaf in drie jaarlijkse termijnen achteraf.”

2.6.Op grond van artikel 20, eerste lid, van de AWR kan worden nageheven indien“ naar aanleiding van een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, (…) teruggaaf van belasting is verleend.”

Ten aanzien van de naheffingsaanslag

2.7. De auto met kenteken [kenteken X] is in het jaar 2001 gekocht. Aan belanghebbende is op verzoek bij beschikking van 18 september 2001 teruggaaf van de gehele BPM ad € 18.365 op grond van het Besluit van 6 juli 2000, [nummer] verleend. Bij de bestreden naheffingsaanslag is een bedrag van € 6.121 nageheven. Dit betreft de periode 27 augustus 2001 tot 27 augustus 2002.

2.8.De auto met kenteken [kenteken Y] is in het jaar 2003 gekocht. Aan belanghebbende is op verzoek bij beschikking van 6 augustus 2003 teruggaaf van de gehele BPM ad € 16.986 op grond van het Besluit van 27 juli 2001, nr. [nummer] verleend. Bij de bestreden naheffingsaanslag is een bedrag ad € 5.662 nageheven. Dit betreft de periode 19 juni 2003 tot 19 juni 2004.

2.9.Vaststaat dat voor de auto’s met de kentekens [kenteken X] en [kenteken Y], op verzoek, teruggaaf BPM in één keer is verleend in het jaar van aankoop, conform het onder 2.4, respectievelijk 2.5 vermelde beleid. Nu dat beleid afwijkt van het wettelijke systeem zoals neergelegd in het eerste en tweede lid van artikel 16 van de Wet BPM, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat sprake is geweest van teruggaaf van BPM naar aanleiding van een ingevolge de belasting¬wet gedaan verzoek. Artikel 20, eerste lid, van de AWR noch enig ander artikel uit de AWR voorziet in de mogelijkheid om belasting na te heffen die is teruggegeven op grond van een niet ingevolge de belastingwet gedaan verzoek.

2.10.Uit het voorgaande volgt dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd met de ter zake van deze auto’s nageheven BPM ten bedrage van € 6.121 en € 5.662. De naheffingsaanslag moet derhalve worden verminderd met € 11.783 tot € 1.326.

2.11.Met betrekking tot de heffingsrente merkt de rechtbank op dat de inspecteur ingevolge artikel 30f van de AWR heffingsrente in rekening diende te brengen nu er sprake is van een naheffingsaanslag BPM. Overigens is niet gesteld of gebleken dat het bedrag van de heffingsrente in casu onjuist is vastgesteld. Nu echter de naheffingsaanslag op grond van het bovenstaande zal worden verminderd, zal ook de in rekening gebrachte heffingsrente op grond van artikel 30h, tweede lid, van de AWR dienovereenkomstig worden verminderd.

2.12.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Voor de overige door belanghebbende gemaakte proceskosten, te weten reiskosten wordt de inspecteur, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 6,50. De reiskosten zijn becijferd op basis van het openbaar vervoer tweede klasse van [adres] naar Breda (vice versa).

Deze uitspraak is gedaan op 2 januari 2008 door mr A.A. den Hartog, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van Es-Hinnen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 11 januari 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.