Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BI4267

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
AWB 07/498
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/1331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/498

Uitspraakdatum: 23 januari 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 22 januari 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2008 te [woonplaats].

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende woont in Nederland en heeft tot begin 2004 in Duitsland in loondienst gewerkt. In 2004 is belanghebbendes dienstbetrekking in Duitsland beëindigd en is hij in Nederland als zelfstandig ondernemer gestart. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar winst uit een Nederlandse onderneming, inkomsten uit vroegere dienstbetrekking en inkomsten uit loondienst (Duitsland) genoten. Daarnaast heeft hij (negatieve) inkomsten uit zijn in Nederland gelegen eigen woning.

2.2. Als gevolg van negatieve inkomsten uit eigen woning in de jaren vóór 2004 beschikt belanghebbende over uit in die jaren vrij te stellen buitenlands inkomen uit werk en woning in de zin van artikel 11 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna: het Besluit) dat kan worden doorgeschoven naar volgende jaren (doorschuifregeling). Het totaal per ultimo 2003 door te schuiven bedrag is bij beschikking in de zin van artikel 11, eerste lid, van het Besluit vastgesteld op € 56.074.

2.3. Met inachtneming van de onder 2.2 genoemde doorschuifregeling heeft de inspecteur de inkomstenbelasting over het jaar 2004 berekend op nihil. Hierbij is van het onder 2.2 genoemde bedrag € 16.414 in aanmerking genomen.

2.4. Belanghebbende is verzekerd en daarmee premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen. De naar nationaal Nederlands recht verschuldigde premie voor de volksverzekeringen is berekend zonder toepassing van de onder 2.2 vermelde doorschuifregeling. In geschil is uitsluitend of dit terecht is.

2.5. Anders dan belanghebbende meent, ziet de doorschuifregeling van artikel 11 van het Besluit uitsluitend op de heffing van belastingen en niet tevens op de heffing van premie volksverzekeringen. Dit besluit heeft op grond van artikel 1, eerste lid, daarvan namelijk alleen betrekking op de heffing van de aldaar genoemde belastingen. De doorschuifregeling is in het onderhavige geval van toepassing op grond van artikel 20, derde lid, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen enz. (hierna: het verdrag). Ook het verdrag heeft ingevolge artikel 1 daarvan uitsluitend betrekking op de heffing van bepaalde in het tweede lid beschreven belastingen en dus niet op de berekening van premie volksverzekeringen.

2.6. De beperking van de doorschuifregeling tot de heffing van inkomstenbelasting is niet in strijd met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM. De doorschuifregeling is niet afhankelijk gesteld van de nationaliteit van belastingplichtigen. Er is weliswaar sprake van een verschil in behandeling van ingezetenen al naar gelang zij in het verleden werkzaamheden hebben verricht in Nederland danwel een in ander land, zoals in het geval van belanghebbende, in Duitsland, evenwel het verschil in behandeling sluit aan bij het relevante verschil in omstandigheden tussen de betreffende gevallen (vergelijk: Hof ‘s Hertogenbosch 22 september 2000, nr. 98/0079, onder meer gepubliceerd in VN 2001/4.14 en Hof Arhem 20 juli 2005, nr.03/00180, onder meer gepubliceerd in NTFR2005-1126).

2.7. Voor zover belanghebbende heeft aangevoerd dat de wet onredelijk is en derhalve in zoverre niet of anders moet worden toegepast, moet dit standpunt worden verworpen. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, is namelijk voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen.

2.8. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 23 januari 2008 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.