Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BI4220

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-03-2008
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
AWB 07/1050
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/1338

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1050

Uitspraakdatum: 21 maart 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 28 februari 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2008 te [woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de inspecteur. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 2 februari 2007 de onderhavige aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.425, conform de door belanghebbende ingediende aangifte. Hierbij is een bedrag van € 1.087 eigenwoningforfait, en een bedrag aan aftrekbare hypotheekrente van € 5.673, in aanmerking genomen.

2.2. In geschil is het antwoord op de vraag of terecht een bedrag aan eigenwoningforfait bij de aanslag in aanmerking is genomen.

2.3. Belanghebbende beroept zich op het gelijkheidsbeginsel en stelt daartoe dat het bedrag van het eigenwoningforfait ten onrechte in aanmerking is genomen, omdat bij andere belastingplichtigen dit forfait niet in aanmerking wordt genomen indien en voorzover dit forfait hoger is dan de aftrekposten van de eigen woning, artikel 3.123a van de Wet IBV 2001.

2.4. Naar het oordeel van de rechtbank is van strijd met het gelijkheidsbeginsel geen sprake. Voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel moet het immers gaan om gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn. Daar is in het onderhavige geval geen sprake van. Belanghebbende, die aan hypotheekrente een veelvoud van het bedrag van het eigenwoningforfait in aftrek brengt, is niet te vergelijken met een belastingplichtige die geen of een geringe schuld heeft ter zake van de eigen woning en een bedrag aan hypotheekrente in aftrek brengt dat dit forfait niet overtreft.

2.5. Voorzover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat de wetgever voor de heffing van inkomstenbelasting ten aanzien van de eigen woning geen onderscheid mag maken tussen belastingplichtigen die een gering bedrag aan aftrekbare uitgaven ter zake van de eigenwoning hebben en degene die dat niet hebben, merkt de rechtbank op dat het de rechter in belastingzaken niet is toegestaan de innerlijke waarde van de wet te toetsen. De in geschil zijnde vraag dient derhalve bevestigend te worden beantwoord.

2.6. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 21 maart 2008 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.