Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BG7083

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-12-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
AWB 06/819
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2009/16
NTFR 2009/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/819

Uitspraakdatum: 22 december 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 6 januari 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen van 6 juni 2005.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2006 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur. Belanghebbende noch haar gemachtigde zijn, met kennisgeving aan de rechtbank, verschenen.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1 Op 9 september 2004 is door ambtenaren van de Belastingdienst geconstateerd dat belanghebbende, die hier te lande woonachtig is, met een hier te lande niet-geregistreerde, van het Belgisch kenteken [0000] voorziene, personenauto (hierna: de auto) in de gemeente [woonplaats] van de weg gebruik maakte. Belanghebbende werd toen medegedeeld dat het door haar met de auto gebruik maken van de weg in Nederland ingevolge de Wet op de belastingen van personenauto's en motorrijwielen (hierna: Wet BPM) als een belastbaar feit wordt aangemerkt. Belanghebbende is door de ambtenaren geïnformeerd door uitreiking van een informatie- en waarschuwingsformulier.

2.2 De auto staat in België geregistreerd en is verzekerd op naam van de vader van belanghebbende, [de heer], wonende te [woonplaats] in België (hierna: de vader).

2.3 Op 28 maart 2005 hebben ambtenaren van de Belastingdienst opnieuw geconstateerd dat belanghebbende met de auto in de gemeente [woonplaats] van de weg gebruik maakte. Bij deze aanhouding verklaarde belanghebbende blijkens het door de controlerende ambtenaren opgemaakte formulier:

"Ik gebruik de auto alleen om de kinderen naar huis te brengen.”

In beroep herhaalt belanghebbende dat zij de auto heeft gebruikt om enkele vriendinnen van haar dochter naar huis te brengen. Omdat haar eigen auto niet bleek te willen starten, heeft zij de auto van haar vader geleend.

2.4 Naar aanleiding van de tweede controle van 28 maart 2005 is belanghebbende, op grond van de constatering bij de eerste controle op 9 september 2004, de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd en is die aanslag mitsdien naar die datum berekend.

2.5 In geschil is primair het antwoord op de vraag of de auto belanghebbende feitelijk ter beschikking stond als bedoeld in artikel 1, lid 5, van de Wet BPM.

2.6 De rechtbank gaat ervan uit dat de in geschil zijnde vraag slechts het feitelijk ter beschikking staan op 28 maart 2005 kan betreffen, omdat, indien veronderstellenderwijs de auto op die datum belanghebbende niet ter beschikking stond, er zich op die datum en op geen enkele andere datum een feit heeft voorgedaan op grond waarvan de waarschuwing van 9 september 2004 van kracht werd en een naheffingsaanslag naar laatstgenoemde datum diende te worden opgelegd.

2.7 Ingevolge artikel 1, lid 1, van de Wet BPM wordt onder de naam “belasting van personenauto's en motorrijwielen” een belasting geheven met betrekking tot personenauto's en motorrijwielen. Het vijfde lid van genoemd artikel bepaalt, dat ingeval een niet-geregistreerde personenauto of een niet-geregistreerd motorrijwiel feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. In artikel 5, lid 2, van de Wet BPM is verder bepaald, dat met betrekking tot een niet-geregistreerde personenauto of een niet-geregistreerd motorrijwiel de belasting wordt geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.

2.8 Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in Nederland woonachtig is en dat zij hier te lande zonder over een vrijstelling te beschikken, met een niet in Nederland geregistreerde auto op het controletijdstip van de openbare weg gebruik heeft gemaakt.

2.9 Zo’n samenstel van feitelijkheden brengt in het algemeen met zich dat tot de aanwezigheid van een belastbaar feit als in de Wet bedoeld, moet worden geconcludeerd. Nu belanghebbende de aanwezigheid van een belastbaar feit ontkent, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende aannemelijk maakt dat de auto haar niet feitelijk ter beschikking stond als bedoeld in voormeld artikel 1, lid 5.

2.10 Het enkele feit dat de desbetreffende auto niet het eigendom van belanghebbende is maar van haar vader, behoeft in het geheel niet te verhinderen dat die auto belanghebbende feitelijk ter beschikking stond. Uit de verklaring van belanghebbende ter gelegenheid van de aanhouding volgt dat belanghebbende feitelijk de beschikking over de auto had. Zij gebruikte de auto immers zonder een concrete opdracht daartoe van de eigenaar van de auto. De rit dient als een rit voor privé-doeleinden te worden beschouwd. Daarin ligt voorts een aanwijzing voor de juistheid van de stelling van de inspecteur dat belanghebbende ten tijde van de controle feitelijk de beschikking over de auto had. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd is als bewijs voor de juistheid van haar stelling onvoldoende.

2.11 Subsidiair stelt belanghebbende dat, zo er al sprake is van een belastbaar feit in de zin van de Wet BPM, de inspecteur gelet op de omstandigheden van dit geval niet in redelijkheid tot het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag heeft kunnen.

2.11.1 Voor zover belanghebbende hiermee bedoelt dat toepassing van de wet in haar geval onredelijk is en de wet derhalve in zoverre niet of anders moet worden toegepast, moet dit standpunt worden verworpen. Gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829 houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28), dient de rechtbank volgens de wet recht te spreken en mag het in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen.

2.11.2 Voor zover belanghebbende zich beroept op toepassing van de hardheidsclausule, overweegt de rechtbank dat de in artikel 63 van de AWR bedoelde bevoegdheid, om in bepaalde gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de belastingwetgeving mochten voordoen, niet toekomt aan de rechter, maar is voorbehouden aan de Minister van Financiën.

2.12 Ook de meer subsidiaire stelling van belanghebbende dat de verschuldigde belasting onjuist is berekend, treft geen doel. Uit de gedingstukken, met name de bijlagen 3 tot en met 5 bij het verweerschrift, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de inspecteur bij de berekening van de onderhavige naheffingsaanslag is uitgegaan van de juiste maatstaf zoals neergelegd in artikel 9, lid 1, lid 3, lid 4, lid 6 en lid 9, van de Wet BPM. De aanslag is tot het juiste bedrag aan belasting opgelegd. Ook overigens heeft belanghebbende geen argumenten aangevoerd die zouden kunnen leiden tot vermindering van de aanslag.

2.13 Tot slot faalt ook belanghebbendes stelling dat de Wet BPM, althans de uitleg die de inspecteur daaraan geeft, in strijd is met het EG-recht. Een situatie waarvoor Richtlijn 83/182 en Richtlijn 83/183 gelden is niet aan de orde, nu de BPM niet kan worden gekarakteriseerd als een verbruiksbelasting in verband met invoer in de zin van voornoemde Richtlijnen. Een situatie zoals in de zaak Van de Coevering (Hof van Justitie EG 27 juni 2006) is evenmin aan de orde. Daar betrof het immers een situatie van huur van een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig.

2.14 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

2.15 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 22 december 2006 door mr. J.J.J. Engel, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.