Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BG7080

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-12-2008
Datum publicatie
16-12-2008
Zaaknummer
800712-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte doodt zijn echtgenote met een hamer. Moord of doodslag ? Moord bewezen verklaard. Sterk verminderd toerekeningsvatbare verdachte. Gevangenisstraf van 7 jaar opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800712-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 december 2008

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Grave te Grave

raadsman mr. Van Gils, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 december 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Breman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, al dan niet met voorbedachte rade, zijn echtgenote heeft gedood.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn echtgenote heeft vermoord en baseert zich daarbij met name op de verklaring van verdachte en het rapport van de patholoog. Verder heeft de officier van justitie zich gebaseerd op het rapport van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek. Volgens de officier van justitie blijkt uit dit rapport dat het bloedbeeld er op duidt dat het slachtoffer zich heeft verweerd, zij heeft zich afgeweerd met haar hand, hetgeen blijkt uit de verwonding aan haar hand.

De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat weliswaar niet duidelijk is geworden wat verdachte heeft bewogen maar dat niet is gebleken dat verdachte uit blinde emotie heeft gehandeld. Zij wijst erop dat verdachte zich nog kan herinneren dat hij de hamer in de schuur is gaan halen.

Ten slotte heeft de officier van justitie aangevoerd dat niet is gebleken dat het door verdachte gebruikte medicijn Paliperidol bijwerkingen heeft die van invloed kunnen zijn geweest op het handelen van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van de tenlastegelegde moord omdat geen sprake is van voorbedachte raad. Daarbij heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende overtuigend bewijs is voor een door verdachte genomen besluit en een daarop volgend moment waarop hij over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad kon nadenken en zich daarvan rekenschap kon geven. De verdediging heeft daarbij gewezen op het rapport van het Pieter Baan Centrum. In dit rapport hebben de onderzoekers aangeven dat het aannemelijk is dat verdachte door eigen emoties overvallen werd. Beschreven wordt een innerlijk conflict. Aan de ene kant had verdachte zijn vrouw meer dan ooit nodig, terwijl juist de relatie ernstig onder druk kwam te staan als gevolg van de besproken wens van zijn vrouw om te verhuizen naar Utrecht.

Geen verweer is gevoerd ten aanzien van de tenlastegelegde doodslag.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat de echtgenote van verdachte, [slachtoffer], op 20 juni 2008 in haar woning in Tilburg is overleden. Uit onderzoek naar de feiten en omstandigheden rondom haar overlijden is het navolgende naar voren gekomen.

Naar aanleiding van een melding via 112 dat een man zijn vrouw mogelijk zou hebben gedood, zijn verbalisanten naar het adres [adres van de moord] gegaan . Daar troffen zij de verdachte aan die onder het bloed zat. Verdachte vertelde hen dat hij dacht dat hij zijn vrouw had vermoord. In de woning troffen de verbalisanten een vrouw aan. Rond haar hoofd lag een grote plas bloed. Op diverse plekken was het hoofd zwaar beschadigd. Achter het achterhoofd van de vrouw lag een grote hamer, vermoedelijk een vuisthamer. Een van de verbalisanten controleerde of de vrouw nog een ademhaling of hartslag had. Hij bemerkte dat dat niet het geval was.

Uit de sectie is onder meer gebleken dat er in ieder geval 6 maal geweld op het hoofd werd toegepast. Dit heeft geleid tot ernstige hersenbeschadiging en tot ernstig bloedverlies. De letsels aan het hoofd en de hersenen verklaren op zich het overlijden volledig. Geconcludeerd wordt dat het overlijden van mevrouw [slachtoffer] volledig verklaard wordt door ernstig schedel-hersentrauma en daardoor opgetreden uitval van hersenfuncties.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zijn vrouw al 30 jaar lang terug wil naar Utrecht. Hij kon dat (financieel) niet geregeld krijgen. In het verleden leidde dit wel eens tot spanningen tussen verdachte en zijn vrouw. Ook het weekend voor de fatale gebeurtenis hadden verdachte en zijn vrouw daar woorden over. Verdachte had het gevoel dat hij verwijten naar zijn hoofd kreeg. Over hetgeen er op 20 juni 2008 is gebeurd heeft verdachte verklaard dat hij om ongeveer 9.00 uur samen met zijn vrouw is gaan ontbijten aan de tafel in de keuken. Toen verdachte op enig moment zijn boterham op had stond hij op en is hij vanuit de keuken naar de schuur gelopen. In de schuur pakte verdachte de hamer die hij wel eens gebruikte om hout te klieven. Nadat hij de hamer had gepakt, liep hij vervolgens de schuur uit en ging hij terug naar de keuken. Toen hij de keuken binnenkwam, benaderde hij zijn vrouw van achteren. Zij zat aan de keukentafel met haar rug naar verdachte toe. Toen verdachte achter haar stond heeft hij zijn vrouw met de hamer op het achterhoofd geslagen. Verdachte denkt dat hij de hamer met twee handen heeft vastgehad.

Verdachte heeft verder verklaard dat hij zag dat zijn vrouw na de klap van haar stoel viel. Toen zij op de grond lag, heeft verdachte haar nog een aantal keren met de hamer geslagen. Op vragen van verbalisanten heeft verdachte verklaard dat hij op zoek was naar een oplossing. Hij heeft gezegd dat hij dacht dat hij wilde dat de verwijten ophielden.

Ook ter zitting heeft verdachte verklaard zich te kunnen herinneren dat hij na het ontbijt is opgestaan en naar de schuur is gelopen en daar de hamer heeft gepakt. Hij heeft gezegd dat hij onderweg naar de schuur niet heeft geaarzeld. Hij heeft ook aangegeven dat er geen moment van aarzeling of dralen is geweest terwijl hij terugliep naar de keuken nadat hij de hamer had gepakt. Het is volgens verdachte één doorgaande beweging geweest. Daarna heeft hij zijn vrouw een aantal malen met de hamer op het hoofd geslagen. Ter zitting heeft verdachte ook nog bevestigd dat hij bij de politie heeft verklaard dat hij wilde dat de verwijten zouden ophouden.

Gelet op hetgeen hiervoor is aangehaald staat voor de rechtbank vast dat verdachte zijn vrouw heeft gedood door haar meerdere keren met een hamer op het hoofd te slaan.

Moord of doodslag?

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of sprake is van moord of doodslag. Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank begrijpt het verweer van de verdediging aldus dat verdachte, overmand door emoties, niet in staat is geweest om een beslissing te nemen. Vanwege een innerlijk conflict kan de daad van verdachte niet bewust gepland zijn geweest.

Uit de verklaringen van verdachte en uit het rapport dat is uitgebracht door het Pieter Baan Centrum kan worden afgeleid dat bij verdachte inderdaad sprake moet zijn geweest van een innerlijk conflict. Aangegeven is dat het maalde in zijn hoofd, dat hij op zoek was naar een oplossing voor het conflict over de verhuizing naar Utrecht.

Kijkend naar de feitelijkheden zoals hiervoor al aangehaald - verdachte zat te ontbijten met zijn vrouw, hij is opgestaan, naar de schuur gelopen, heeft de hamer gepakt, is teruggelopen naar de keuken en heeft zijn vrouw diverse malen met de hamer op het hoofd geslagen - kan niet anders geoordeeld worden dat verdachte is opgestaan in de keuken ter uitvoering van het kennelijk door hem genomen besluit om naar die schuur te gaan om daar een hamer te pakken en zijn vrouw daarmee op het hoofd te slaan. Tijdens deze feitelijke handelingen heeft verdachte de gelegenheid gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit na te denken en heeft hij vervolgens hieraan uitvoering gegeven.

De stelling van de verdediging dat verdachte door emoties overmand niet in staat is geweest een besluit te nemen vindt geen steun in het hiervoor al aangehaalde rapport van het Pieter Baan Centrum. De rapporteurs van het PBC overwegen in hun rapport dat er zowel vóór als direct na het plegen van het feit in het geheel geen aanwijzingen te vinden zijn dat evident psychotische symptomen in de vorm van wanen of hallucinaties een rol hebben gespeeld. Wel was sprake van een depressief toestandsbeeld waardoor verdachte meer piekerde en somber was en minder tot activiteiten en constructieve oplossingen kwam dan anders. Hieruit kan echter naar het oordeel van de rechtbank niet afgeleid worden dat verdachte daardoor niet in staat was een besluit te nemen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt het verweer van de verdediging dan ook verworpen.

Dat het gebruik van medicatie van invloed is geweest op het nemen van het besluit is de rechtbank niet gebleken. Noch het rapport van forensisch geneeskundige [naam deskundige] noch het rapport van het Pieter Baan Centrum geven daartoe aanleiding.

Gelet op de feiten en op de uitlatingen van verdachte met betrekking tot het oplossen van het conflict is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorbedachte raad zodat moord bewezen verklaard kan worden.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair

op 20 juni 2008 te Tilburg opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] (zijn verdachtes vrouw) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een hamer meermalen op het hoofd van die(slachtoffer) geslagen, tengevolge waarvan voornoemde (slachtoffer) is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van het voorarrest. Bij de formulering van de eis heeft de officier van justitie het rapport van het Pieter Baan Centrum betrokken waarin is geconcludeerd dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is te achten. Verder heeft de officier van justitie aangegeven dat verdachte met de juiste medicatie en een GGZ-behandeling goed te behandelen is. Tijdens de detentie zou al bekeken kunnen worden hoe verdachte, nadat hij is vrijgekomen, het best behandeld zou kunnen worden.

Ten slotte heeft de officier van justitie bij de formulering van haar eis rekening gehouden met de omstandigheid dat de kans op herhaling klein is.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat het feit verdachte slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend. Bij verdachte is sprake van een depressieve stoornis en van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en ontwijkende of vermijdende trekken. Verder is aangevoerd dat de kans op herhaling uiterst klein wordt geacht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zijn vrouw, die nietsvermoedend en rustig zat te ontbijten, diverse keren met een hamer op haar hoofd geslagen waarna zij is overleden.

Moord wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven.

Het spreekt voor zich dat dit misdrijf een enorme schok teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden. Voor de nabestaanden moet het bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen. Gebleken is dat het ook voor verdachte zelf bijzonder moeilijk is om te leven met het feit dat hij zijn vrouw heeft gedood.

Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt.

Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Verder heeft de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat betrokken het uitgebreid gemotiveerde rapport dat is uitgebracht door psycholoog [naam deskundige] en psychiater [naam deskundige] van het Pieter Baan Centrum.

Verdachte is zeven weken opgenomen en geobserveerd geweest in het Pieter Baan Centrum. Naar aanleiding van gesprekken met verdachte en observaties hebben de onderzoekers in hun rapport aangegeven dat bij verdachte sprake is van een depressief toestandsbeeld. Uit het rapport komt het volgende beeld over verdachte naar voren.

Verdachte is uit zichzelf niet erg geneigd het leven naar zijn eigen hand te zetten en ingrijpende keuzes te maken, eerder volgt hij de keuzes en het oordeel van anderen. Hij gedijt het best in een omgeving die niet al te veeleisend is en niet aan veel ingrijpende veranderingen onderhevig is. Verdachte gaat conflicten uit de weg of hij lost deze op door vast te houden aan bepaalde opvattingen en overtuigingen omdat hem dit een vorm van zekerheid en structuur biedt.

Samen met zijn vrouw vond verdachte een zeker evenwicht en heeft hij jarenlang tamelijk goed gefunctioneerd en kon hij werken als kunstschilder, restaurateur en cursusleider.

Ingrijpende veranderingen in zijn leven probeerde verdachte tegen te houden. Jarenlang heeft de vrouw van verdachte te kennen gegeven dat zij wilde verhuizen naar Utrecht. Verdachte heeft zich daar altijd tegen verzet omdat hij ervan overtuigd was dat hij dit financieel niet zou kunnen opbrengen.

De rapporteurs geven aan dat bij verdachte gesproken kan worden van een milde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en vermijdende trekken. Zijn draagkracht was beperkt. Bij overschrijding van zijn draagkracht is verdachte kwetsbaar voor het ontwikkelen van psychotische symptomen.

In 2006 heeft verdachte een psychose doorgemaakt. Daarna heeft hij niet meer op zijn oude niveau kunnen functioneren. Hij raakte in een langdurige depressieve toestand waardoor hij niet meer in staat was om te werken. Zijn zelfbeeld en zelfvertrouwen hebben hier ernstig onder geleden. Hij kende soms wel wat oplevingen, maar over het algemeen was hij somber en soms wanhopig en zag hij geen uitweg meer.

De veronderstelling lijkt gerechtvaardigd dat verdachte in de weken voor de moord veel hinder ondervond van zijn vermoeidheid, zijn gebrek aan creativiteit en zijn somberheid. Zijn vrouw kon zijn gedrag ook niet meer goed aan. Zij drong opnieuw en herhaaldelijk aan op verhuizing naar Utrecht. Bij verdachte kan dit geleid hebben tot verhoging van het stressniveau. Door het depressieve toestandsbeeld was verdachte nog minder dan normaal in staat hier een constructieve wending aan te geven. Deze oplopende relationele spanningen hebben het innerlijk conflict bij verdachte doen toenemen. Hij had zijn vrouw meer dan ooit nodig, terwijl juist de relatie met zijn vrouw ernstig onder druk kwam te staan. Uiteindelijk beëindigde verdachte het conflict met zijn vrouw, maar vooral het innerlijk conflict, door haar te doden.

Beide deskundigen zijn van mening dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, maar dat hij in mindere mate dan de gemiddelde normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid te bepalen. Verdachte was lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens dat dit feit hem slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.

Ten slotte concluderen de deskundigen van het Pieter Baan Centrum dat de kans op herhaling uiterst klein is te noemen waardoor een behandeladvies in een strafrechtelijk kader niet gerechtvaardigd is.

De rechtbank kan zich geheel vinden in de conclusie van de deskundigen dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is en neemt deze conclusie ook over. De rechtbank zal hiermee bij de bepaling van hoogte van de gevangenisstraf rekening houden. Daarbij merkt de rechtbank op dat bij verdachte sprake is van de hoogste gradatie van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie hiermee onvoldoende rekening heeft gehouden bij de formulering van haar eis. Om die reden zal de rechtbank verdachte een lagere gevangenisstraf opleggen dan is gevorderd.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 7 jaar passend en geboden is. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om een lichtere straf op te leggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: moord;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bakx, voorzitter, mr. Tempelaar en mr. Combee, rechters, in tegenwoordigheid van Van den Goorbergh, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 december 2008.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 20 juni 2008 te Tilburg opzettelijk en met voorbedachten

rade [slachtoffer] (zijn verdachtes vrouw) van het leven heeft beroofd, immers

heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een

hamer, althans een zwaar en/of hard voorwerp één of meermalen op het hoofd van

die Faber geslagen, tengevolge waarvan voornoemde Faber is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 juni 2008 te Tilburg opzettelijk [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een hamer,

althans een zwaar en/of hard voorwerp, één of meermalen op het hoofd van die

Faber geslagen, tengevolge waarvan voornoemde Faber is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht