Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BG6326

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-12-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
800971-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte wegens mishandelingen. Gemotiveerde vrijspraak van toebrengen zwaar lichamelijk letsel.

Bij strafbepaling rekening gehouden met de inhoud van het rapport van de psycholoog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800971-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 december 2008

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum] Gabileh (Somalië)

wonende te [adres]

raadsman mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 november 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Van Damme, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer 1];

Feit 1 subsidiair: [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

Feit 2 primair: heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer 2];

Feit 2 subsidiair: [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is ten aanzien van het onder 1 primair tenlastgelegde van mening dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken, omdat het opgelopen letsel niet ziet op de zwangerschap van het slachtoffer.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en baseert zich daarbij op de aangifte van het slachtoffer en de verklaringen van verdachte.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair tenlastegelegde en baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen van [slachtoffer 2]. Hij is van mening dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door het slaan met de kinderwagen in de richting van het hoofd/lichaam [slachtoffer 2].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair tenlastegelegde, omdat het opgelopen letsel niet ziet op de zwangerschap van het slachtoffer. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is de verdediging van mening dat alleen het bestanddeel ‘geslagen’ bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft toegegeven dat hij [slachtoffer 1] alleen in het gezicht geslagen heeft. Verdachte ontkent de andere geweldshandelingen gepleegd te hebben. Voorts wordt aangevoerd dat er zich in het procesdossier geen medische informatie bevindt, waaruit het letsel zou blijken.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 2 primair tenlastegelegde, omdat het slaan met een kinderwagen niet kan leiden tot een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit het dossier blijkt dat het letsel een blauwe plek is en dat het slachtoffer pijn heeft gehad. Daarnaast biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan te kunnen nemen. De verdediging wijst hiervoor op een arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 18 april 2007, gepubliceerd in de Nieuwsbrief met nummer 2007, 306.

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op grond van de wijze van tenlastelegging, gaat de rechtbank ervan uit dat het bestanddeel “zwaar lichamelijk letsel” ziet op de zwangerschap van aangeefster [slachtoffer 1]. Nu niet gebleken is van enige invloed van de in de tenlastelegging genoemde geweldshandelingen op de zwangerschap, spreekt de rechtbank verdachte vrij van het primair ten laste gelegde.

Op grond van de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte staat vast dat verdachte op 16 augustus 2008 te Tilburg bij de woning van [slachtoffer 1] is geweest. Er is toen tussen hen beiden een ruzie ontstaan. Volgens aangeefster is zij toen door verdachte met een vuist op haar linkeroog geslagen en tegen haar onderbeen getrapt, waarna verdachte haar bij beide onderarmen heeft beetgepakt en door elkaar heeft geschud. Zij geeft aan daardoor pijn en letsel te hebben opgelopen, te weten een blauw oog, een blauwe plek op haar been, blauwe plekken op haar armen en pijn over haar hele lichaam als gevolg van het schudden.

Verdachte geeft aan dat hij aangeefster weliswaar in het gezicht heeft geslagen, maar alleen met de vlakke hand, en dat hij haar bij de polsen heeft vastgepakt.

Op grond van de verklaring van aangeefster tezamen met de bevindingen van de verbalisant , die heeft geconstateerd dat aangeefster een verdikt gezicht had met blauwe plekken en dat hij een van de kinderen hoorde zeggen dat papa mama had geslagen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte met de vuist heeft geslagen en dat aangeefster daardoor pijn heeft ondervonden. Op grond van de letselbeschrijving zoals opgenomen in de aangifte , die, gelet op het taalgebruik, een weergave moet vormen van hetgeen de verbalisant heeft gezien, tezamen met de aangifte, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte aangeefster heeft geschopt en bij haar polsen heeft vastgepakt en pijn heeft ondervonden. Dat aangeefster door elkaar is geschud, acht de rechtbank op grond hiervan niet bewezen.

Feit 2

Op grond van de verklaring van verbalisant [slachtoffer 2] dat toen hij verdachte vertelde dat hij was aangehouden op verdenking van mishandeling van [slachtoffer 1], verdachte een volle vuilniszak naar hem heeft gegooid en dat verdachte daarna een aantal keren met een kinderwagen heeft geslagen op armen, benen en gezicht, tezamen met de verklaring van verdachte waaruit blijkt dat hij een vuilniszak en een kinderwagen in zijn handen heeft gehad en daarmee heeft gezwaaid, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met die voorwerpen [slachtoffer 2] heeft geslagen. Omdat niet vaststaat met welke kracht met de kinderwagen is geslagen en niets bekend is omtrent het gewicht van de wagen, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door zijn handelingen zwaar lichamelijk letsel heeft kunnen toebrengen. Dat daarmee pijn kan worden toegebracht acht de rechtbank wel bewezen.

Het gooien met een vuilnis zak acht de rechtbank zonder nadere toelichting omtrent de inhoud van de vuilniszak, onvoldoende om aan te nemen dat daardoor zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan of zelfs pijn.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande alleen een mishandeling met een kinderwagen bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 (subsidiair)

op 16 augustus 2008 te Tilburg opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), met zijn vuist op haar linkeroog heeft geslagen en/of tegen haar been getrapt en bij de polsen gepakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Feit 2 (subsidiair)

op 16 augustus 2008 te Tilburg opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] met een kinderwagen tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht en rekening houdend met het strafblad van verdachte gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 180 uur met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringstoezicht gedurende de proeftijd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij de strafbepaling rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid. De verdediging stelt voor verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Daarnaast wordt voorgesteld verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke straf, zodat een verplicht reclasseringstoezicht opgelegd kan worden. Tenslotte kan naast voornoemde straffen, indien de rechtbank dat nodig acht, een werkstraf opgelegd worden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 1], de moeder van zijn kinderen, door haar met zijn vuist/hand op haar linkeroog te slaan, door tegen haar been te trappen en bij haar polsen te pakken. Het feit vond bovendien plaats in haar woning, terwijl de eigen woning een plek dient te zijn waar men zich veilig moet kunnen voelen. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan de mishandeling van politieagent [slachtoffer 2] door hem met een kinderwagen tegen het hoofd te slaan. Dergelijke mate van geweld maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit en gezondheid van de slachtoffers, maar de ervaring leert, dat slachtoffers van een dergelijke mate van geweld daarvan nog geruime tijd zowel lichamelijk als geestelijk hinder en klachten kunnen ondervinden. De rechtbank vindt dit dan ook ernstige feiten.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder door de strafrechter is veroordeeld terzake geweldsdelicten. Daarnaast loopt verdachte in een proeftijd van een eerder door de strafrechter opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden wederom geweldsdelicten te plegen.

GZ-psycholoog drs. [naam deskundige] heeft een rapport opgemaakt over verdachte.

De deskundige is tot de conclusie gekomen dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte. Daarnaast is er een sterke neiging tot alcoholmisbruik.

Tevens is een verstandelijke beperking vastgesteld, die voldoet aan de diagnostische criteria van lichte zwakzinnigheid. De ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling waren aanwezig ten tijde van de gepleegde mishandelingen. Op grond daarvan komt de deskundige tot de conclusie dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de mishandelingen. Gezien deze stoornissen en het overmatig gebruik van alcohol is de kans op recidive aanwezig. De deskundige adviseert dan ook een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen om een verplicht reclasseringstoezicht mogelijk te maken waarbinnen verdachte onder meer kan worden behandeld in verband met zijn alcoholprobleem. De reclassering is bereid gevonden om hiervoor een extra inspanning te leveren.

De rechtbank kan zich verenigen met de conclusies en het advies van de deskundige en maakt deze tot de hare.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij bereid is om hulp en begeleiding te aanvaarden om op deze wijze aan zijn alcoholprobleem te werken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 92 dagen noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk. Met deze voorwaardelijke straf wordt voorts beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan het voorarrest.

Daarnaast zal aan verdachte, gelet op de ernst van de feiten, een werkstraf van 60 uren worden opgelegd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1. primair en 2. primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: Mishandeling;

feit 2 subsidiair: Mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 92 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Schoenmakers en mr. De Coninck, rechters, in tegenwoordigheid van Vermaat, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 december 2008.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 16 augustus 2008 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], (die op

dat moment zeven maanden zwanger was) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe

te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met zijn vuist/hand op tegen haar

linkeroog heeft geslagen en/of tegen haar been getrapt en/of bij de polsen

gepakt en vervolgens door elkaar geschud, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 augustus 2008 te Tilburg opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 1]), met zijn vuist/hand op tegen haar linkeroog

heeft geslagen en/of tegen haar been getrapt en/of bij de polsen gepakt en

vervolgens door elkaar geschud, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 16 augustus 2008 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die Van

[slachtoffer 2] met een kinderwagen tegen zijn hoofd en lichaam heeft geslagen en/of

een vuilniszak met inhoud naar die Van [slachtoffer 2] heeft gegooid, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 augustus 2008 te Tilburg opzettelijk mishandelend

[slachtoffer 2] met een kinderwagen tegen het hoofd heeft geslagen en/of een

vuilniszak tegen/naar diens armen/lichaam heeft gegooid, waardoor deze letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht