Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BG5277

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-10-2008
Datum publicatie
26-11-2008
Zaaknummer
AWB 06/6355
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende zowel voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet als voor de toepassing van de BRK inwoner van Nederland is en daarmee binnenlands belastingplichtig. De rechtbank oordeelt verder dat de inspecteur, met al hetgeen hij heeft aangevoerd, het volgende aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende heeft getracht door het tussenschakelen van trustkantoren in onder meer Zwitserland en de Britse Maagdeneilanden en zakenrelaties in Nederland en Aruba zijn belangen in diverse buitenlandse vennootschappen aan het oog van de Nederlandse fiscus te onttrekken. Belanghebbende hield tevens een groot aantal bankrekeningen aan in onder meer Zwitserland, Luxemburg en Aruba die hij niet in zijn aangiften heeft verantwoord. In zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft belanghebbende grote bedragen aan zijn vennootschappen onttrokken in de vorm van contante opnames en overboekingen naar zijn buitenlandse bankrekeningen. Ook heeft belanghebbende zijn buitenlandse vennootschappen gebruikt om voor zijn vriendin en kinderen op Aruba een woning te kopen en hun levensonderhoud te bekostigen. Belanghebbende heeft getracht de geldstromen te verantwoorden door gefingeerde leningen en investeringen, maar is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting in redelijkheid vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/6355

Uitspraakdatum: 17 oktober 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 1998 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ? 144.333. De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.152.267, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van ƒ 1.198.713.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 november 2006 het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Het belastbaar inkomen is vastgesteld op ƒ 2.567.433, waarvan ƒ 2.033.146 is belast naar het bijzonder tarief van 25% (artikel 57a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, verder: de Wet). De inspecteur heeft geen uitspraak gedaan op het bezwaar voor zover dat gericht was tegen de boetebeschikking.

1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 2 januari 2007, ontvangen bij de rechtbank op 27 december 2006, in één geschrift vervat beroep ingesteld tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1995 en 1997, de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001, de aanslag vermogensbelasting voor het jaar 1999, de aanslag Wet arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen (WAZ) voor het jaar 1999, de aanslag vermogenbelasting voor het jaar 2000 en de aanslag WAZ voor het jaar 2000 alsmede de daarbij vastgestelde verhogingen en boetebeschikkingen. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.1. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2008 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigden, alsmede de inspecteur.

1.7.2. Tijdens de zitting zijn gezamenlijk behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de procedurenummers AWB 06/6297, 06/6298, 06/6299, 06/6335, 06/6336, 06/6337, 06/6339, 06/6340, 06/6341, 06/6342, 06/6344, 06/6345, 06/6346, 06/6347, 06/6350, 06/6351, 06/6353, 06/6354, 06/6355, 06/6356, 07/3467 en 07/3468.

1.8. De inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van de wederpartij wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Belanghebbende heeft ter zitting drie pleitnota’s voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

Woonplaats van belanghebbende

2.1. Belanghebbende, geboren op 10 april 1950, is op 20 juni 1969 gehuwd met [mevrouw]. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren, in 1973, in 1977 en in 1978. Belanghebbende en zijn gezin woonden vanaf 23 december 1991 aan [adres] te [woonplaats]. Bij vonnis van 24 december 1999 is de echtscheiding tussen belanghebbende en zijn echtgenote uitgesproken.

2.2. Na de echtscheiding bleven belanghebbende en zijn voormalige echtgenote bij de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven staan op [adres] in [woonplaats]. Op 14 juli 2004 heeft belanghebbende zich bij de Gemeentelijke Basisadministratie laten overschrijven naar het adres [adres], [woonplaats]. De woning daar is een nieuwbouwappartement dat is aangekocht in december 2000.

2.3. Tot en met 2002 heeft belanghebbende jaarlijks aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan als binnenlands belastingplichtige. In de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2001 en 2002 hebben belanghebbende en zijn voormalige echtgenote geopteerd voor fiscaal partnerschap.

2.4. Belanghebbende is ongeveer veertig jaar geleden via een besloten vennootschap een galvaniseerbedrijf gestart. In de loop der jaren heeft belanghebbende, voornamelijk in de galvaniseerbranche, meerdere ondernemingen in Nederland gekocht en opgericht. De werk¬maatschappijen zijn alle ondergebracht onder de holding [belanghebbende] Beheer BV (Beheer). Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van Beheer. Beheer is gevestigd in Nederland.

2.5. Op 14 januari 2002 is belanghebbende als verdachte gehoord door het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Belanghebbende verklaarde aldaar als volgt:

“Ik ben ruim dertig jaar gehuwd geweest met [mevrouw]. Uit dat huwelijk zijn drie kinderen geboren twee dochters en een zoon. Mijn dochters zijn respectievelijk 28 en 25 jaar en mijn [zoon] is 23. [zoon] woont nog thuis. Eind 1999 ben ik officieel gescheiden van [mevrouw]. Ondanks de scheiding wonen wij beiden nog op [adres] te [woonplaats].

Voorts kan ik u verklaren dat ik een dubbelleven leidt. Ik heb op Aruba twee kinderen, beiden jongens. Zij zijn geboren uit een relatie die ik met [mevrouw2] heb. De jongens zijn respectievelijk drie en bijna één jaar. Ik heb deze relatie met [mevrouw2] ruim drie jaar. Ik kende haar al echter zes jaar. Volledigheidshalve merk ik hierbij op dat [mevrouw] in het geheel niet weet dat ik een buitenechtelijke relatie heb met [mevrouw2].

Ten tijde dat ik op Aruba verblijf maak ik gebruik van een appartement gelegen op [woonplaats]. Wanneer ik in Nederland ben verblijf ik op het adres [adres] te [woonplaats]. Ik ben gemiddeld voor dertig procent op Aruba.”

2.6. In de periode van 13 juni 2000 tot en met 9 maart 2001 is de mobiele telefoon van belanghebbende afgetapt. In deze periode is 70% van de telefoongesprekken door belanghebbende vanuit Nederland gevoerd en 30% vanuit Aruba.

2.7. Op 28 november 1998 is belanghebbende samen met zijn Arubaanse relatie, [mevrouw2], een huurovereenkomst aangegaan voor een woning gelegen [adres], [woonplaats], op Aruba. In de overeenkomst is [woonplaats] als woonplaats van belanghebbende vermeld.

Buitenlandse belangen

2.8. Tot de gedingstukken behoort een ‘Gründungs- und Verwaltungsauftrag’, gedateerd 21 december 1989 en ondertekend door belanghebbende en [kantoor], een Zwitsers trustkantoor, inhoudende dat [kantoor] op eigen naam maar voor rekening en risico van belanghebbende de stichting [stichting] te [woonplaats] opricht en dat belanghebbende [kantoor] machtigt het benodigde kapitaal van CHF 30.000 af te schrijven van een rekening die wordt aangehouden bij de [bank], [adres], 8039 [woonplaats]. In de aangifte van belanghebbende is deze bankrekening niet vermeld. De directie van [stichting] wordt gevoerd door (onder meer) [directeur].

[NV]

2.9. Op 26 oktober 1992 heeft [stichting] een overeenkomst gesloten met [Holding] te (woonplaats), inhoudende dat [Holding] op eigen naam maar voor rekening en risico van [stichting] “nom. Afl. 100.000 houdt in [NV] te Aruba. Blijkens het handelsregister te (woonplaats) is [directeur] administratief president van [Holding]. De Arubaanse vennootschap [NV] is in maart 1992 opgericht met als aandeelhouders [aandeelhouder] ([aandeelhouder]) voor 51% en [aandeelhouder] voor 49%. Het nominaal geplaatst kapitaal is Afl. 100.000.

2.10. In november 1992 heeft [aandeelhouder] zijn 49% van de aandelen in [NV] om niet overgedragen aan [NV] en zijn functie als directeur neergelegd. Op 28 november 1992 is belanghebbende [aandeelhouder] opgevolgd als statutair bestuurder van [NV]. Op 14 januari 1993 heeft [aandeelhouder] zijn 51% van de aandelen in [NV] overgedragen aan [Holding]. De koopsom van Afl. 51.000 werd gecompenseerd met de nog openstaande stortingsverplichting tot ditzelfde bedrag. Op 2 februari 1993 zijn de statuten van [NV] gewijzigd. De notaris heeft daarvoor gefactureerd aan belanghebbende.

2.11. Op 7 december 2001 is [aandeelhouder] als getuige gehoord door de KLPD. [aandeelhouder] verklaarde aldaar als volgt:

“Eind 1991 is hij door belanghebbende benaderd om een geschikt investeringsproject op Aruba te vinden. De reden hiervoor was dat belanghebbende een hoger rendement wilde behalen met geld dat hij in Zwitserland had uitstaan. Gekozen is voor de realisatie van een appartementencomplex, genaamd [woonplaats]. Hiertoe is in maart 1992 [NV] opgericht. [aandeelhouder] was slechts op papier aandeel¬houder. Het startkapitaal voor de bouw van de eerste zestien appartementen is door belanghebbende vanuit Zwitserland gefinancierd. [Holding] is een aangelegenheid van belanghebbende.”

2.12. Op 29 juli 2002 is [aandeelhouder] als verdachte gehoord door de Arubaanse Politie. Hij verklaarde aldaar dat hij de aandelen in [NV] hield als een vriendendienst voor belanghebbende en dat [Holding] een aangelegenheid was van belanghebbende

2.13. In de administratie van [NV] over 1992, opgesteld door [de heer], is een schuld opgenomen van Afl. 1.000.000 aan [Holding]. In een fax van 23 oktober 1996 heeft [de heer] aan [directeur] gevraagd een ‘loan agreement’ voor dit bedrag op te stellen. [directeur] heeft een concept daarvoor aan [de heer] gezonden op 28 oktober 1996 met de mededeling dat de betalingen aan [NV] niet via [Holding] zijn gelopen. De rente is jaarlijks schuldig gebleven en op de lening bijgeschreven. In het onderhavige jaar bedroeg de rente Afl. 97.760 (ƒ 100.501).

2.14. Op 16 januari 2002 is [de heer] als verdachte gehoord door de KLPD. [de heer] verklaarde aldaar dat de leenovereenkomst tussen [Holding] en [NV] van 30 januari 1992 voor een bedrag van $ 750.000 valselijk is opgemaakt en dat hij de leenovereenkomst, in opdracht van belanghebbende, heeft voorzien van een valse handtekening en valse stempel.

2.15. Op de tussentijdse balans van [NV] per 30 november 1992 opgemaakt door [NV2] is een schuld opgenomen van Afl. 766.914,51 onder de vermelding “R/C [belanghebbende]”. Tevens is er een grootboekrekening “R/C [belanghebbende]”gemaakt.

Tot de gedingstukken behoort een handgeschreven gespreksnotitie van 6 mei 1993 van [aandeelhouder] inzake [NV], waarin wordt geschreven dat belanghebbende de aandeelhouder van [NV] is en dat belanghebbende vanuit Zwitserland, [bank], stortingen zal gaan doen in [NV].

2.16. De inspecteur heeft het door belanghebbende aangegeven inkomen verhoogd met de onder 2.13. vermelde rente.

[firma2]

2.17. Tot de gedingstukken behoort een ‘Auftrags- und Treuhandvertrag’, gedateerd 22 december 1989, tussen [stichting] en [firma] te [woonplaats] inhoudende dat [firma] op eigen naam maar voor rekening en risico van [stichting] 500 aandelen (50% van het aandelenkapitaal) houdt in [firma2] te (woonplaats). [firma2] is een Ierse vennootschap opgericht op 15 december 1989 en geliquideerd op 12 november 1999. De overeenkomst is namens [stichting] ondertekend door belanghebbende. De andere 50% aandelen in [firma2] wordt gehouden door [firma3] te Zwitserland.

2.18. Tot de gedingstukken behoort een ‘Sales Agreement’, ondertekend door belanghebbende en [aandeelhouder], inhoudende de verkoop op 10 juni 1992 door belanghebbende van 1.000 aandelen [firma2] aan [aandeelhouder]. Op 10 juli 1992 heeft belanghebbende aan zijn advocaat opdracht gegeven twee facturen ten laste van [firma2] te betalen en in de administratie van [firma2] te verwerken. De aandelen in [firma2] zijn geregistreerd op naam van [firma] en [firma3]. Op 11 augustus 1992 heeft [aandeelhouder] (kantoor), een Zwitsers trustkantoor, aangesteld als statutair bestuurder van [firma2]. Bij brief van 25 februari 1998 heeft [de heer] de overeenkomst met [kantoor] beëindigd met als motivering dat de verstandhouding tussen belanghebbende en [aandeelhouder] enerzijds en [directeur] anderzijds beschadigd was.

2.19. De gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], heeft in een rapport van 24 januari 2005 onder meer het volgende geschreven:

“De oprichting van [firma2] is dus ten dienst van [belanghebbende], die de feitelijke eigenaar is van de aandelen in [firma2].

De aandelen van [firma2] worden op 10 juni 1992 door de heer [aandeelhouder] gekocht van de heer [belanghebbende], de verkoopprijs bedroeg US $ 10.000,00. Op die zelfde datum vindt de eigendomsoverdracht van de aandelen plaats.

De bedoeling is altijd geweest dat [belanghebbende] op de achtergrond zou opereren en dat de 50% aandelen van [belanghebbende] op naam van [aandeelhouder] zouden staan.

Ook wordt op de zelfde dag een algemene en onherroepelijke volmacht aan de heer [belanghebbende] verstrekt om namens [aandeelhouder] de vennootschap in en buite rechte te vertegenwoordigen.”

2.20. [firma2] heeft een managementovereenkomst gesloten met [NV3], inhoudende onder meer dat [firma2] een supermarkt zou opzetten, inrichten en managen tegen een “fee” variërend van 3 tot 7% van de omzet. [firma2] heeft voor de supermarkt een pand laten bouwen dat zij in 1992 heeft verhuurd aan [supermarkt] voor $ 114.000 per jaar. Tot de gedingstukken behoren de verslagen van de afgetapte telefoon¬gesprekken van belanghebbendes mobiele en vaste telefoon in de periode van 13 juni 2000 tot en met 9 maart 2001, waarin belanghebbende zegt mede-eigenaar te zijn van [supermarkt].

2.21. Bij huiszoekingen op Aruba zijn een aantal versies aangetroffen van een “joint operating agreement” en een overeenkomst van geldlening van Afl. 4.500.000. tussen [firma2] en [supermarkt].

2.22. In de administratie van [supermarkt] is met betrekking tot de bouw van een supermarkt een schuld geboekt van Afl. 4.500.000 aan [firma2]. In de jaarstukken van [firma2] komt geen lening aan [supermarkt] voor. Bij de stukken bevindt zich een brief van de statutaire directie van [firma2] waarin wordt bevestigd dat de lening bij [firma2] niet bekend is.

2.23. Op naam van [firma2] werd een zichtrekening aangehouden bij de [bank] in België. De rekening is op 21 maart 2001 opgeheven. In 1998 heeft belanghebbende aan [bank] opdracht gegeven een bedrag van $ 300.000 (ƒ 594.000) te betalen voor de aankoop van de onder 2.7. vermelde woning [adres], [woonplaats], Aruba. De woning is aangekocht op naam van [corporatie]. en op 28 november 1998 voor $ 1.250 per jaar verhuurd aan belanghebbende en [mevrouw2]. Bij de huiszoeking op Aruba is in een kluis in de woning een map aangetroffen met daarop geschreven: “[belanghebbendes] personal things don't touch”. In de map zijn onder meer de certificaten van de aandelen van [corporatie]. aangetroffen. De aandelen luiden aan toonder. Op 17 augustus 2000 stuurt belanghebbende een faxbericht aan (kantoor) met onder meer de volgende tekst:

“Betreft: [corporatie]. Eind 1998 bent u van dienst geweest bij de aktivering van bovenvermelde onderneming t.b.v. de aankoop van een huis in [woonplaats]. [BV]I is direkteur van de onderneming en ondergetekende is de achterliggende aandeelhouder.“

2.24. Volgens het in 2.19. vermelde door de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], opgestelde rapport van 24 januari 2005 heeft belanghebbende in 1998 in totaal ƒ 1.139.796 contant opgenomen uit de kas van [supermarkt].

2.25. Op 23 juli 2002 is [aandeelhouder] als verdachte gehoord door de Arubaanse Politie. Hij verklaarde aldaar:

“Ik heb zelf tot september 1998 de [center] zelf gerund. Vanaf dat moment is de (belanghebbende [center] gaan runnen. Dat is nergens vastgelegd, maar vanaf dat moment is hij de feitelijke directeur geweest.”

2.26. De inspecteur heeft het door belanghebbende aangegeven inkomen verhoogd met het onder 2.23. vermelde bedrag van ? 594.000 en het onder 2.24. vermelde bedrag van ? 1.139.796, te belasten naar een tarief van 25%.

Buitenlandse bankrekeningen

2.27. Bij de [bank NV] op Aruba hield belanghebbende een bankrekening aan. Deze rekening stond tevens op naam van [mevrouw2] en [de heer] en is op 30 oktober 1998 geopend. Op deze rekening is in contanten gestort: op 1 november 1998 $ 15.000, op 4 november 1998 door [mevrouw2] $ 19.900 en op 17 december 1998 $ 10.000 (totaal ƒ 88.902). Tot de gedingstukken behoren drie “Source Of Funds Declarations” van 12 mei 1999 inzake contante stortingen van $ 17.000, $ 15.000 en $ 4.000 door [mevrouw2], inhoudende:

“Family. [belanghebbende] is the co-owner of [supermarkt] [center] + [woonplaats] (mevrouw2) is de fiancée of mr [belanghebbende] co-owner of [supermarkt] [center] + [woonplaats].”

In 1999 worden nog contante stortingen gedaan van $ 15.000, $ 10.000, $ 25.000 en $ 3.000.

2.28. Op 8 oktober 1998 zijn op naam van belanghebbende twee bankrekeningen geopend bij de [bank] te Luxemburg met de nummers (0000) en (0000). Op 15 oktober 1998 is contant ƒ 49.875 gestort op nummer (0000). Op 8 oktober 1998 is contant ƒ 149.750 gestort op nummer (0000). Op deze rekeningen is in het onderhavige jaar respectievelijk ƒ 388 en ƒ 538 aan rente genoten.

2.29. De inspecteur heeft het door belanghebbende aangegeven inkomen verhoogd met het onder 2.27. vermelde bedrag van ? 88.902 en de onder 2.28. vermelde bedragen van ? 49.875, ? 149.750, ? 388 en ? 538.

Investering Galvanolijn

2.30. [firma4] te [woonplaats] is op 10 mei 1999 opgericht door [kantoor], een trustkantoor in [woonplaats], met als aandeelhouder [firma5]. te [woonplaats] en als directeur [de heer]. Tot de gedingstukken behoort een trust agreement tussen [firma4] en belanghebbende van 29 november 2000 en tevens een brief van [de heer] aan belanghebbende van 14 augustus 2000 waarin [de heer] vraagt om uitbreiding van zijn werkzaamheden voor belanghebbende.

2.31. Beheer vormde in het jaar 1998 een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met onder meer de vennootschap BV ([BV]).

2.32. [BV] exploiteert een galvaniseerbedrijf in [woonplaats]. Als gevolg van een brand in oktober 1997 is schade ontstaan aan enkele verzinklijnen. [BV] ontving ter zake in 1997 van de verzekeringsmaatschappij een uitkering van ƒ 1.924.264,20. Van dit bedrag heeft Beheer per ultimo 1997 ƒ 1.000.000 gedoteerd aan een vervangingsreserve. Bij brief van 30 oktober 1997 heeft [BV] een offerte voor een gebruikte verzinklijn gevraagd aan [NV], ter attentie van [de heer] te [woonplaats], België. Bij brief van 8 december 1997 heeft [de heer] een offerte ontvangen van [firma] te [woonplaats], Zwitserland, voor een vanuit Spanje te leveren verzinklijn voor een totaalprijs van ƒ 1.171.100. Bij brief van 15 december 1997 heeft [de heer] aan [BV] de verzinklijn geoffreerd voor een totaalbedrag van ƒ 1.183.000, te betalen in vier termijnen. [BV] heeft de gefactureerde bedragen in 1998/99 aan [NV] betaald, en [NV] aan [firma]. In 1998 heeft [BV] ? 295.750 aan [NV] betaald.

2.33. Op 31 maart 1999 heeft [NV] aan [BV] onderdelen van een vanuit Spanje te leveren galvanolijn geoffreerd voor ƒ 189.600. De offerte is op 6 april 1999 voor akkoord getekend. Bij brief van 6 april 1999 heeft [NV] aan [firma] verzocht de goederen te leveren. [BV] heeft ter zake ƒ 189.600 betaald aan [NV]. [NV] heeft ƒ 182.400 betaald aan [firma]. Belanghebbende heeft ƒ 189.600 geboekt als investering in een te ontwikkelen draadeindenlijn.

2.34. Belanghebbende heeft op zijn bankrekening nummer (0000) bij de [bank] te Luxemburg de volgende betalingen ontvangen:

- ƒ 277.550,70 op 30 november 1998 met vermelding Rechnung 00,

- € 131.194,80 (ƒ 289.115,30) op 8 februari 1999 met vermelding [bank[woonplaats],

- € 183.672,76 (ƒ 404.761,50) op 4 juni 1999 met vermelding [bank[woonplaats] en

- € 81.734,89 (ƒ 180.547,50) op 30 december 1999 afkomstig van [firma], opdrachtgevende [woonplaats] bank de [bank] te [woonplaats].

2.35. [BV] heeft de betalingen aan [NV] van in totaal ƒ 1.372.600 (ƒ 1.183.000 plus ƒ 189.600) voor ƒ 1 miljoen ten laste van de vervangingsreserve gebracht en voor het meerdere geactiveerd.

2.36. De inspecteur heeft het door belanghebbende aangegeven inkomen verhoogd met het onder 2.32. vermelde bedrag van ƒ 295.750, te belasten naar een tarief van 25%.

Bewijsmiddelen

2.37. Op 15 maart 2001 heeft de KLPD huiszoekingen gedaan in de woning van belanghebbende aan [adres] te [woonplaats], op het vestigingsadres van [BV] [woonplaats] BV en op het vestigingsadres van [de heer] te [woonplaats]. Eveneens op 15 maart 2001 heeft het Recherche Samenwerkingsteam Nederlandse Antillen & Aruba huiszoekingen gedaan op Aruba in de woning van belanghebbende aan [adres] en op het vestigingsadres van [supermarkt]. In juli 2001 heeft de Belgische politie een huiszoeking gedaan in de woning van [de heer] in België. In de periode juni 2000 tot maart 2001 zijn de telefoongesprekken van belanghebbende getapt. In de periode december 2005 tot en met september 2006 heeft belanghebbende op verzoek van de inspecteur bankafschriften overgelegd van rekeningen bij [bank NV] te Aruba, bank te Luxemburg, (bank) te Luxemburg en [bank] te België.

3. Geschil

3.1. In geschil is:

- wat de gevolgen zijn van de omstandigheid dat de inspecteur niet binnen de wettelijke termijn van één jaar uitspraak op bezwaar heef gedaan;

- of sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs;

- of belanghebbende in Nederland woont of op Aruba;

- of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan en zo nee, of dat leidt tot omkering (verschuiving en verzwaring) van de bewijslast;

- of belanghebbende de in 2.13. vermelde lening heeft verstrekt aan [NV] en de bijgeschreven rente ten bedrag van ƒ 100.501 bij hem belast is;

- of belanghebbende aandeelhouder is van [firma2] en inkomsten uit aanmerkelijk belang uit [firma2] heeft genoten ten bedrage van in totaal ƒ 594.000 (bank) en ƒ 1.139.796 (kas);

- of de stortingen en rente op bankrekeningnummer 101670610 bij de [bank NV] te Aruba en op bankrekeningnummers (0000) en (0000) bij de [bank] te Luxemburg als inkomsten van belanghebbende moeten worden aangemerkt;

- of de investeringen door [BV] in de galvanolijn en de draadeindenlijn gefingeerd zijn en in verband daarmee aan belanghebbende in 1998 een uitdeling is gedaan van ƒ 295.750;

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 139.316. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Formeel

4.1. Het bezwaarschrift tegen de aanslag is ingediend op 16 maart 2001. De inspecteur heeft uitspraak gedaan op 27 november 2006. Deze uitspraak is gebaseerd op het op 31 mei 2006 uitgebrachte rapport inzake een bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek. Volgens dat rapport zou de boete worden verlaagd tot ƒ 148.500. In de uitspraak op bezwaar is de boete niet vermeld. De uitspraak betreft uitsluitend de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Belanghebbende is in beroep gekomen op 27 december 2006. Belanghebbende stelt terecht dat de wettelijke termijn van één jaar voor het doen van uitspraak is overschreden. Die overschrijding heeft echter geen gevolgen voor de aanslag. Belanghebbendes bezwaar betrof mede de boetebeschikking. Nu de inspecteur daarop geen uitspraak heeft gedaan, dient hij dat alsnog te doen. De rechtbank zal de inspecteur gelasten uitspraak te doen binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak.

4.2. Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, en beargumenteert dat met een verwijzing naar de rechtshulpverzoeken die zijn gedaan aan Luxemburg en Zwitserland in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat de inspecteur inzage heeft gehad in of informatie heeft gehad over de door Luxemburg en Zwitserland verstrekte inlichtingen. Belanghebbende heeft zijn stelling niet aannemelijk gemaakt.

Woonplaats van belanghebbende

4.3. Ingevolge artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont. Een natuurlijk persoon heeft naar de omstandigheden beoordeeld zijn woonplaats hier te lande indien hij een duurzame betrekking van persoonlijke aard met Nederland heeft. Bepalend is of uit uiterlijk waarneembare omstandigheden blijkt dat de banden van de belastingplichtige met Nederland voldoende sterk zijn om te kunnen aannemen dat hij hier te lande het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft.

4.4. De inspecteur, die een natuurlijk persoon als binnenlands belastingplichtig aanmerkt, dient feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat die persoon in Nederland woont.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur, met al hetgeen hij heeft aangevoerd, tegenover de betwisting hiervan door belanghebbende, geslaagd in dit bewijs. Daarvoor acht de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden, die zich hebben voorgedaan en betrekking hebben op de periode 1 januari 1995 tot 1 januari 2003, van belang:

- belanghebbende stond in 1998 en eerdere jaren ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie in [woonplaats];

- belanghebbende had samen met zijn (voormalige) echtgenote in voormelde periode de beschikking over een duurzame woongelegenheid in [woonplaats], Nederland;

- belanghebbende heeft in de jaren tot en met 2002 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan als binnenlands belastingplichtige;

- correspondentie van de advocaat van belanghebbende wordt naar het adres in [woonplaats] gestuurd;

- in de huurovereenkomst van 28 november 1998 wordt als woonplaats van belanghebbende [woonplaats] vermeld;

- in diverse stukken van en aan belanghebbende wordt [woonplaats] als woonplaats vermeld, er zijn geen stukken overgelegd waarin een woonplaats op Aruba wordt vermeld;

- de analyse van de getapte telefoongesprekken van de mobiele telefoon van belanghebbende laat zien dat hij 70% van de tijd in Nederland verblijft;

- belanghebbende heeft tegenover de KLPD verklaard 70% van de tijd in Nederland te verblijven;

- de correspondentie van de adviseurs van belanghebbende, voor zover deze tot de stukken behoort, is in het algemeen gericht aan het adres in [woonplaats];

- belanghebbende is de enig statutair directeur en enig aandeelhouder van Beheer, heeft daarin de juridisch en feitelijk beslissende zo niet alle zeggenschap en Beheer is gevestigd in Nederland.

4.6. Gelet op de vorenvermelde feiten en omstandigheden, in hun onderling verband beschouwd, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat belanghebbende in het onderhavige jaar zijn duurzame betrekkingen, zowel van financiële als van persoonlijke aard, met Nederland niet heeft verbroken. Aldus heeft belanghebbende in het onderhavige jaar een zodanige duurzame betrekking met Nederland gehad dat hij voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet moet worden geacht in Nederland te wonen. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat hij steeds de wil heeft gehad om Nederland metterwoon te verlaten, geldt dat niet de louter innerlijke wil, maar de objectieve feiten en omstandigheden van belang zijn bij de beoordeling van de woonplaats van een belasting¬plichtige. Al hetgeen hij heeft aangevoerd omtrent zijn verblijf op Aruba acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.

4.7. Het oordeel dat belanghebbende in het onderhavige jaar inwoner was van Nederland, neemt niet weg dat hij ook, naar Antilliaans recht, inwoner kan zijn geweest van Aruba. Veronderstellenderwijs er van uitgaande dat dat zo is, dient aan de hand van de Rijkswet houdende Belastingregeling voor het Koninkrijk van 28 oktober 1964 (BRK) te worden beoordeeld waar hij geacht wordt zijn woonplaats te hebben gehad.

4.8. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de BRK wordt een natuurlijk persoon, die ingevolge de desbetreffende belastingregelingen inwoner is van beide landen, geacht inwoner te zijn van het land waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide landen een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van het land waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen).

4.9. Zoals in 4.5. is overwogen had belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank in Nederland een duurzaam tehuis tot zijn beschikking. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vóór 28 november 1998, de datum waarop de huurovereenkomst voor de woning (woonplaats) is gesloten, beschikte over een duurzaam tehuis op Aruba in de zin van artikel 34, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de BRK.

4.10. Voor de periode vanaf 28 november 1998 is dan beslissend waar belanghebbende het middelpunt van zijn levensbelangen had. Belanghebbende heeft omtrent zijn levensbelangen op Aruba gesteld dat hij daar een partner en twee kinderen had met wie hij daar samenwoonde. Uit de door de inspecteur ingenomen stellingen valt af te leiden dat belanghebbende naar de mening van de inspecteur ook zakelijke belangen had op Aruba, namelijk [supermarkt] en [woonplaats]. Daartegenover staan de onder 4.5. aangehaalde argumenten omtrent belanghebbendes woonplaats in Nederland. Dit alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende in 1998, net als in voorgaande jaren, nog het middelpunt van zijn levensbelangen in Nederland had.

4.11. Gelet op het vorenoverwogene is belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige jaar ook voor de toepassing van de BRK inwoner van Nederland en daarmee binnenlands belastingplichtig.

[NV]

4.12. Vaststaat dat [NV] in 1992 ter lening een bedrag heeft ontvangen van Afl. 1.000.000 en dat de rente jaarlijks op deze lening werd bijgeschreven.

4.13. Belanghebbende stelt dat de lening door [Holding] aan [NV] is verstrekt.

4.14. De inspecteur heeft, met hetgeen hij heeft gesteld, naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de leenovereenkomst van 30 januari 1992 valselijk is opgemaakt en dat de lening niet is verstrekt door [Holding]. De rechtbank verwijst daarvoor met name naar de onder 2.14. weergegeven feiten.

4.15. Op grond van de onder 2.8. tot en met 2.15. weergegeven feiten en verklaringen, in onderling verband beschouwd, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende de onderhavige lening aan [NV] heeft verstrekt. De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat zowel [aandeelhouder], [aandeelhouder], [de heer] als [directeur] hierover een valse verklaring hebben afgelegd. De enkele ontkenning door belanghebbende acht de rechtbank in deze onvoldoende om dit bewijs te weerleggen.

4.16. Nu aannemelijk is dat de lening door belanghebbende is verstrekt, komt de rente op die lening aan belanghebbende toe. Niet is gesteld of gebleken dat die rente in 1998 niet vorderbaar of inbaar was. De inspecteur heeft het aangegeven inkomen derhalve terecht met ? 100.501 gecorrigeerd.

[firma2]

4.17. Belanghebbende ontkent in het onderhavige jaar de economisch aandeelhouder van [firma2] te zijn geweest . Belanghebbende stelt dat hij de aandelen in [firma2] op 10 juni 1992 heeft verkocht aan [aandeelhouder].

4.18. Juridische eigenaren van de aandelen [firma2] waren ook in het onderhavige jaar (en dus ook na 10 juni 1992) [stichting] en [firma3]. De economische eigendom van de 50% aandelen van [stichting] lag, naar blijkt uit de overeenkomst tussen belanghebbende en [kantoor], vermeld onder 2.8., in handen van belanghebbende. Als belanghebbende al iets aan [aandeelhouder] heeft verkocht, kan dat niet meer zijn dan de economische eigendom van de 50% van de aandelen die op naam stonden van [stichting].

4.19. De rechtbank acht op grond van de onder 2.8. en 2.17. tot en met 2.20. en 2.23.tot en met 2.25. vermelde feiten alsmede hetgeen de inspecteur gemotiveerd en door stukken ondersteund heeft gesteld in het verweerschrift onder 3.80. tot en met 3.97., aannemelijk dat belanghebbende het economische belang bij en de feitelijke beschikkingsmacht over de aandelen in [firma2] niet heeft verloren. De rechtbank acht aannemelijk dat de verkoop¬overeenkomst enkel is opgemaakt om te verhullen dat belanghebbende de economisch eigenaar van [firma2] was en is gebleven, hetgeen wordt bevestigd door de feitelijke handelswijze van belanghebbende. De rechtbank verwijst hiervoor naar het volgende:

- Belanghebbende stelt vanaf 10 juni 1992 de vertegenwoordiger te zijn geweest van [firma2], evenwel uit niets is gebleken dat belanghebbende een vergoeding voor zijn werkzaamheden heeft ontvangen. In een zakelijke relatie is dat ongebruikelijk, maar indien belanghebbende nog steeds gelieerd was aan [firma2] is dat wel begrijpelijk.

- In 1998 is door [firma2] ƒ 594.000 betaald voor de aankoop van de woning [adres] op Aruba (op naam van [firma]) welke woning belanghebbende met zijn partner ging bewonen. Voor die aankoop is geen enkel zakelijk argument aangevoerd. Duidelijk is dat in elk geval het persoonlijk belang van belanghebbende met die aankoop was gediend.

- De hoogte van de door belanghebbende in 1998 uit de kas van het door [firma2] beheerde [supermarkt] opgenomen bedragen (ƒ 1.139.796) wijst erop dat belanghebbende volledige zeggenschap had in en belang bij [supermarkt] en daarmee bij [firma2]. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat die gelden bestemd waren voor rentebetalingen en aflossingen op de lening van Afl. 4.500.000 van [firma2] aan (supermarkt) maar uit hetgeen onder 2.22. is weergegeven blijkt dat de lening niet door [firma2] is verstrekt. Ook is niet aannemelijk geworden dat de opgenomen gelden daadwerkelijk in [firma2] zijn gestort.

4.20. Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de aandelenoverdracht op 10 juni 1992 aan [aandeelhouder] geen materiele betekenis heeft en dat deze overdracht niets eraan afdoet dat belanghebbende over die aandelen kon beschikken als ware hij eigenaar en, derhalve, voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet, als aandeelhouder van [firma2] moet worden aangemerkt.

4.21. Blijkens de onder 2.20. vermelde overeenkomsten had [firma2] recht op huur en een “fee” van [supermarkt]. De rechtbank acht aannemelijk dat de door belanghebbende bij [supermarkt] opgenomen bedragen die huur en “fee” betroffen, nu voor de opnamen geen andere verklaringen zijn gegeven en dat de bedragen derhalve rechtens toekwamen aan [firma2]. Met de onder 2.20. tot en met 2.24. vermelde feiten heeft de inspecteur tegenover het onvoldoende gemotiveerde verweer van belanghebbende voldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende aldus in het onderhavige jaar ƒ 1.139.796 en ƒ 594.000 aan [firma2] heeft onttrokken. Gelet op hetgeen aannemelijk is geworden omtrent de positie die belanghebbende in [firma2] innam, moet belanghebbende zich destijds, zowel in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggevende van [firma2] als in zijn hoedanigheid van aandeelhouder, bewust zijn geweest van voormelde bevoordelingen. De bevoordelingen moeten dan ook worden aangemerkt als uitdelingen aan belanghebbende. De inspecteur heeft het aangegeven inkomen terecht verhoogd met ? 594.000 plus ? 1.139.796, te belasten naar een tarief van 25%.

Onjuiste aangifte

4.22. Uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen in 4.16. en 4.21., volgt dat belanghebbende inkomen heeft verzwegen ter grootte van ? 105.005 te belasten naar het normale tarief en ? 1.733.796, te belasten naar een tarief van 25%. Belanghebbende heeft in zijn aangifte een belastbaar inkomen vermeld van ? 144.303 en heeft zijn inkomen uit en belangen in [NV] en [firma2] verzwegen. Het verzwegen inkomen is naar het oordeel van de rechtbank zowel absoluut als verhoudingsgewijs dermate hoog dat niet gezegd kan worden dat belang¬hebbende de vereiste aangifte heeft gedaan. Artikel 25, zesde lid, AWR bepaalt dat de rechter alsdan het beroep afwijst tenzij gebleken is dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende de onjuistheid van de aanslag niet heeft aangetoond. De rechtbank zal beoordelen of de inspecteur in redelijkheid de overige correcties heeft kunnen aanbrengen.

Bankrekeningen [bank NV] te Aruba en [bank] te Luxemburg

4.23. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet bewezen dat de op de bankrekening bij de [bank NV] nummer (0000) gestorte bedragen afkomstig zijn van [mevrouw2]. [mevrouw2] heeft immers zelf verklaard, zoals onder 2.27. is weergegeven, dat de gelden afkomstig zijn van belanghebbende. Voorts heeft belanghebbende geen bewijs bijgebracht voor de stelling dat [mevrouw2] werkt bij [woonplaats] en de maandelijkse stortingen haar salaris zijn.

4.24. Belanghebbende heeft niet bewezen dat de in 1998 op de bankrekeningen bij de Bank nummers (0000) en (0000) gestorte bedragen afkomstig zijn van [firma2], nog daargelaten wat dan het karakter van die stortingen zou zijn. De rechtbank tekent hierbij aan dat de stortingen zijn gedaan op 8 oktober en 15 oktober 1998 terwijl [firma2] pas op 10 mei 1999 is opgericht en de trustagreement dateert van 29 november 2000.

4.26. Op grond van het onder 4.23. en 4.24. overwogene acht de rechtbank aannemelijk dat de gelden van belanghebbende afkomstig zijn. De inspecteur heeft de gestorte bedragen primair aangemerkt als inkomsten uit arbeid en daarbij verwezen naar de aanmerkelijke economische belangen van belanghebbende en diens handelsactiviteiten met (de heer). Blijkens de daarover gevonden faxen speelde deze handel zich af in het jaar 2000. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om aan te nemen dat dit contact ook in 1998 al bestond en zijn er ook geen aanwijzingen dat belanghebbende in 1998 nog andere werkzaamheden heeft verricht naast zijn werkzaamheden voor [firma2], [NV] en Beheer. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden redelijkerwijs niet aangenomen kan worden dat sprake is geweest van andere inkomsten uit arbeid. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende in 1998 aanzienlijke vermogensbestanddelen had buiten Nederland en dat de inspecteur in redelijkheid kon aannemen dat de stortingen afkomstig waren uit rendement op dat buitenlands vermogen zodat sprake is van inkomsten uit vermogen en eventueel uit vermogen dat deel uitmaakt van een aanmerkelijk belang in de zin van Afdeling 2a van de Wet. Nu de inspecteur de bedragen subsidiair heeft aangemerkt als inkomsten uit aanmerkelijk belang, te belasten naar 25%, zal de rechtbank hem daarin volgen. Derhalve is ƒ 288.527 belast naar dat tarief. De rente van ƒ 926 is belast naar het normale tarief.

De investeringen in Galvanolijnen, facturen [NV]

4.27. De rechtbank heeft in haar uitspraak van heden onder nummer 06/6336, waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd, beslist dat de contracten van Beheer met [NV] en van [NV] met [firma] realiteitswaarde ontberen en bedoeld zijn als versluiering voor een uitdeling door Beheer aan belanghebbende.

4.28. Gelet op hetgeen aannemelijk is geworden omtrent de positie die belanghebbende in Beheer innam, moet belanghebbende zich destijds, zowel in zijn hoedanigheid van leiding¬gevende van Beheer als in zijn hoedanigheid van enig aandeelhouder, bewust zijn geweest van voormelde bevoordelingen. De bevoordelingen moeten dan ook worden aangemerkt als uitdelingen.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de samenhangende zaken die zijn geregistreerd onder de nummers 06/6346, 06/6347, 06/6350, 06/6351, 06/6353, 06/6354, 06/6355 en 06/6356 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.207,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1 en toepassing van een factor 1,5 wegens meer dan 3 samenhangende zaken), waarvan € 150,93 wordt toegerekend aan deze zaak.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.567.433, waarvan ƒ 2.321.673 belast naar een tarief van 25 %;

- gelast de inspecteur uitspraak op bezwaar te doen inzake de boetebeschikking binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 150,93, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 17 oktober 2008 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr A.A. den Hartog en mr.drs. M.G.J.M. van Kempen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ [woonplaats].

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.