Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BG5020

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-10-2008
Datum publicatie
21-11-2008
Zaaknummer
AWB 08/72
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende woont in Nederland en heeft in België een auto gehuurd voor de duur van 12 maanden. Belanghebbende heeft om vrijstelling van BPM verzocht. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat deze afwijzing terecht is, nu belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld in

de artikelen 2 tot en met 4 van het Uitvoeringsbesluit BPM. Ook een vrijstelling op grond van de artikelen 37 tot en met 39 van de AWR behoort niet tot de mogelijkheden. De stelling van belanghebbende dat de heffing van BPM in strijd is met de artikelen 49 tot en met 55 van het EG-Verdrag kan pas aan de orde komen op het moment dat er daadwerkelijk BPM wordt geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-2440
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/72

Uitspraakdatum: 2 oktober 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 5 december 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking afwijzing BPM-vrijstelling.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2008. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is woonachtig in Nederland en heeft op 1 juli 2007 een huurovereenkomst gesloten met de in België gevestigde maatschappij [BVBA]. Op grond van deze overeenkomst heeft belanghebbende voor de duur van twaalf maanden een auto van het merk [merk], [type], gehuurd (hierna: de auto). De auto is voorzien van het Belgische kenteken [00-00] en is niet in Nederland geregistreerd als personenauto in het krachtens de Wegenverkeerswet aangehouden register van opgegeven kentekens. Ter zake van de auto is geen BPM betaald noch is daarvoor een vrijstelling verleend.

2.2. Op 18 september 2007 heeft belanghebbende met de auto in Nederland gebruik gemaakt van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet. Bij deze constatering is aan belanghebbende een informatie- en waarschuwingsformulier uitgereikt. Belanghebbende heeft daarop met dagtekening 9 oktober 2007 een verzoek om vrijstelling van BPM ingediend bij de inspecteur. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen.

2.3. In geschil is of aan belanghebbende een vrijstelling van BPM moet worden verleend.

2.4. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna Wet BPM) kan bij algemene maatregel van bestuur, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, vrijstelling van BPM worden verleend voor uit een ander land afkomstige personenauto’s en motorrijwielen. Aan deze bepaling is uitvoering gegeven in de artikelen 2, 3,3a en 4 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna het Uitvoeringsbesluit). Niet in geschil is dat belanghebbende niet voldoet aan de in de artikelen 2, 3, 3a en 4 van het Uitvoeringsbesluit gestelde voorwaarden. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat belanghebbende op grond van de Wet BPM niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van BPM.

2.5. Belanghebbende heeft gesteld dat hij op grond van de artikelen 37, 38 en 39 van de AWR in aanmerking komt voor een vrijstelling van BPM. In deze artikelen zijn bevoegdheden opgenomen om in bepaalde gevallen regels te stellen in het kader van de voorkoming van dubbele belasting of vrijstelling van belasting. Deze bevoegdheden komen echter toe aan de wetgever en niet aan de inspecteur of rechter. De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende dan ook.

2.6. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de heffing van BPM in het onderhavige geval in strijd is met de artikelen 49 tot en met 55 van het EG-Verdrag. Deze stelling kan belanghebbende voor het onderhavige geschil echter niet baten, daar naar het oordeel van de rechtbank een onderzoek naar de juistheid van die stelling pas aan de orde kan komen op het moment dat er daadwerkelijk BPM wordt geheven.

2.7. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 2 oktober 2008 door mr.drs. G.H.C. Blommers, voorzitter, mr. D. Hund, en mr.drs. M.G.J.M. van Kempen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

In verband met afwezigheid van de voorzitter, is de uitspraak ondertekend door mr. D. Hund.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.