Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BG1676

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-10-2008
Datum publicatie
28-10-2008
Zaaknummer
08/4482
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Drie maanden sluiting gedoogde coffeeshop op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet het schuurtje in de achtertuin van het in geding zijnde perceel worden aangemerkt als onderdeel van de coffeeshop en moet verweerder ook ten aanzien van deze ruimte bevoegd worden geacht tot toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Voorts is het voldoende aannemelijk dat op 10 juni 2008 vanuit de coffeeshop aan zeven personen meer dan de toegestane gebruikershoeveelheid van 5 gram is verkocht. Aangezien het de tweede keer is dat er bij de coffeeshop een overtreding van de AHOJ-G-criteria is geconstateerd en het gemeentelijk beleid juist op dit soort overtredingen ziet, heeft verweerder in redelijkheid geoordeeld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, die afwijking van het gemeentelijk beleid zouden rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 08 / 4482 HOREC VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoeker] [naam coffeeshop],

wonende te Tilburg, verzoeker,

gemachtigde mr. R.J.G. Ensink,

en

de burgemeester van de gemeente Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 27 augustus 2008 (bestreden besluit), inzake de sluiting van de inrichting van verzoeker, [naam coffeeshop], aan de [adres coffeeshop] gedurende drie maanden ingevolge artikel 13b van de Opiumwet. Tevens heeft hij op 23 september 2008 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 3 oktober 2008, waarbij aanwezig waren de gemachtigde van verzoeker en [naam leidinggevende/beheerder] (leidinggevende/beheerder van [naam coffeeshop]), tevens bijgestaan door mr.drs. B.F.J. Bollen en [naam tolk] als tolk, en namens verweerder [woordvoerder verweerder].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker exploiteert een alcoholvrij horecabedrijf annex coffeeshop op het adres plaatselijk bekend [adres coffeeshop]. Bij besluit van 19 december 2007 heeft verweerder [naam coffeeshop] voor de duur van één maand gesloten, omdat er op dat adres op 23 november 2007 ruim 22 kilo softdrugs is aangetroffen. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en verweerder heeft dat bezwaar ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij uitspraak van 4 februari 2008 afgewezen (procedurenummer 08 / 87 HOREC). Er is geen beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar, waardoor dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden.

Bij een inspectie op 10 juni 2008 is op het adres [adres coffeeshop] opnieuw een grote hoeveelheid softdrugs aangetroffen, in totaal 1194,2 gram. Daarnaast is op 10 juni 2008 door de Politie geconstateerd dat in [naam coffeeshop] aan zeven personen meer dan 5 gram softdrugs werd verkocht. Bij brief van 18 juli 2008 heeft verweerder verzoeker bericht over zijn voornemen om gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet en te besluiten om [naam coffeeshop] gedurende drie maanden te sluiten. Verzoeker heeft daartegen bij brief van 4 augustus 2008 zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit aangegeven de inrichting van verzoeker aan de [adres coffeeshop] gedurende drie maanden te sluiten en gesloten te houden en wel van 1 oktober 2008 tot 1 januari 2009. De door verzoeker naar voren gebrachte punten zijn voor verweerder geen aanleiding geweest om zijn voorgenomen besluit niet ten uitvoer te brengen. Verweerder heeft daarbij vermeld dat dit zal betekenen dat hij de inrichting met bestuursdwang, op kosten van verzoeker, zal afsluiten en afgesloten zal houden en dat verzoeker het toepassen van bestuursdwang kan voorkomen door zelf de inrichting vóór 1 oktober 2008 af te sluiten en tot en met 31 december 2008 afgesloten te houden.

2.2 Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat de in het schuurtje aangetroffen softdrugs niet aan de handelsvoorraad van de coffeeshop mag worden toegerekend, aangezien het schuurtje niet behoort tot de coffeeshop of het bij die coffeeshop behorende erf. Ten aanzien van het op 10 juni 2008 geconstateerde bezit van softdrugs bij zeven buitenlandse drugstoeristen, staat het volgens verzoeker geenszins vast dat zij die softdrugs hebben gekocht bij [naam coffeeshop]. Verzoeker stelt dat het bestreden besluit niet kan steunen op een zorgvuldige voorbereiding en/of deugdelijke motivering. Voorts doet verzoeker een beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid van verweerder als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Verzoeker acht de door verweerder opgelegde maatregel disproportioneel en acht het bestreden besluit in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM).

Verzoeker stelt dat hij door het bestreden besluit onmiskenbaar wordt benadeeld en heeft om die reden de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen, althans een zodanige voorlopige voorziening te treffen als hij in een goede justitie oordelend juist acht.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voorzover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.5 [naam coffeeshop] is een gedoogde coffeeshop. Bij besluit van 13 augustus 2007 heeft verweerder een exploitatievergunning op grond van artikel 38 van de Algemene plaatselijke verordening voor het uitoefenen van een alcoholvrij horecabedrijf annex koffieshop aan verzoeker verleend. Op dinsdag 10 juni 2008 hebben Politie Midden en West Brabant en de afdeling Handhaving van de gemeente Tilburg in een gezamenlijke actie een controle gehouden bij gedoogde coffeeshops, waarbij – onder meer – is gecontroleerd of voldaan werd aan de gedoogcriteria:

- A: geen affichering;

- H: geen harddrugs;

- O: geen overlast;

- J: geen verkoop aan jeugdigen en geen toegang voor jeugdigen;

- G: geen verkoop van drugs met een gewicht van meer dan 5 gram per transactie en geen aanwezigheid van softdrugs met een gewicht van in totaal meer dan 500 gram.

Bij de controle is gesproken met [naam leidinggevende/beheerder]. Op de begane grond, op de eerste verdieping en op de vliering zijn geen onregelmatigheden aangetroffen. In het voor publiek toegankelijke bedrijfsgedeelte van de coffeeshop is een toegestane hoeveelheid van 415 gram softdrugs aangetroffen. Op de achterplaats van de coffeeshop stond een vrijstaand houten schuurtje. Het schuurtje was afgesloten en is door [naam leidinggevende/beheerder] op verzoek van de politie geopend. Aldaar is een geopende plastic tas aangetroffen, met daarin twee zakken weed. Na weging van de twee zaken bleek het om een hoeveelheid te gaan van ongeveer 815 gram. In totaal heeft de politie in beslag genomen een nettogewicht van 184 gram hasj(blokjes) en 101 voorgedraaide joints, alsmede 175 gram weed in plastic curverbakjes en de tas met 815 gram weed. Gehoord zijn [medewerker coffeeshop] en [naam leidinggevende/beheerder]. [naam leidinggevende/beheerder] heeft onder meer verklaard dat hij de voorraad voor de coffeeshop regelt en dat hij de voorraad softdrugs in het houten schuurtje net voor de controle had binnengekregen. [medewerker coffeeshop] heeft verklaard dat in het schuurtje de drankvoorraad voor de coffeeshop wordt bewaard en dat hij de in het schuurtje aangetroffen softdrugs van een onbekende man heeft gekocht voor € 3.300,=.

Op dezelfde dag hebben medewerkers van het Joint Hit Team zeven bezoekers van [naam coffeeshop] gecontroleerd. Geconstateerd is dat deze bezoekers meer dan de toegestane gebruikershoeveelheid van 5 gram bij zich hadden (respectievelijk 7,2 gram, 9,7 gram, 6,8 gram 10,7 gram, 8,0 gram, 13,4 gram en 7 gram/2 joints). Allen zijn als verdachten gehoord en hebben verklaard dat zij de verdovende middelen hadden aangekocht in [naam coffeeshop] van een buitenlandse man van tussen de 30 en 35 jaar oud.

De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder bevoegd was om bestuursdwang toe te passen als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet.

Het bestreden besluit is gebaseerd op het geheel van onderzoeksbevindingen van 10 juni 2008 ter plaatse van het bedrijfsgedeelte van het pand [adres], de bovenverdiepingen en de op de achterplaats staande schuur. Verweerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat de schuur als opslagruimte ten dienste staat van de coffeeshop. Ter zitting is de feitelijke situatie geschetst. Het schuurtje staat op het perceel van de coffeeshop in de achtertuin. De achtertuin is via de achterzijde van de coffeeshop te bereiken, maar ook via een brandgang tussen de panden [adres] en [adres]. Die brandgang is afgesloten en wordt gebruikt door [adres], [adres] en [adres]. De achtertuin is vervolgens vrij toegankelijk doch door verzoeker is niet betwist dat de schuur alleen door de leidinggevenden van de coffeeshop wordt gebruikt. Het schuurtje is met een slot vergrendeld, en gebleken is dat [naam leidinggevende/beheerder] over de sleutel beschikt. De door verzoeker aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 7 september 2005 is niet vergelijkbaar met de onderhavige situatie, nu in de aangehaalde uitspraak sprake was van twee afzonderlijke percelen en er een afstand was gelegen van 150 meter van de coffeeshop tot de woning waar de softdrugs zijn aangetroffen. Uit de verklaringen die door [medewerker coffeeshop] en [naam leidinggevende/beheerder] zijn afgelegd blijkt voorts dat het schuurtje ten dienste van de coffeeshop wordt gebruikt, onder meer als opslag voor de drankvoorraad. Zij hebben bovendien verklaard de voorraad softdrugs zelf in ontvangst te hebben genomen, en daarvoor een bedrag van € 3.300 te hebben betaald. Dat in het schuurtje ook tuingereedschap wordt opgeslagen doet daaraan niet af. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, moet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het schuurtje in de achtertuin van het perceel [adres] worden aangemerkt als onderdeel van [naam coffeeshop] en moet verweerder ook ten aanzien van deze ruimte bevoegd worden geacht om toepassing te geven aan artikel 13b van de Opiumwet.

Ten aanzien van de bij de zeven bezoekers aangetroffen softdrugs heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat geenszins vaststaat dat deze bezoekers de aangetroffen drugs bij [naam coffeeshop] hebben gekocht. Verzoeker heeft verklaringen overgelegd van de medewerkers van de coffeeshop ([naam medewerkers coffeeshop], [naam leidinggevende/beheerder] en [medewerker coffeeshop]), waarin zij hebben aangegeven instructies te hebben ontvangen met betrekking tot de verkoop van softdrugs en de daarbij te hanteren hoeveelheden, conform de gemeentelijke richtlijnen, en dat zij zich daaraan hebben gehouden. Daarnaast heeft verzoeker verklaringen overgelegd van drie van de zeven aangehouden personen ([naam aangehouden personen]), waarin zij hebben aangegeven dat zij de aangetroffen softdrugs bij meerdere coffeeshops hebben gekocht, bij [naam coffeeshop] en bij [naam coffeeshop]. Tevens hebben zij verklaard dat zij, om tot een schikking te kunnen komen, moesten verklaren dat zij alles bij [naam coffeeshop] hadden gekocht, en dat zij dat hebben gedaan om ervan af te zijn.

De voorzieningenrechter ziet in de overgelegde verklaringen geen reden om aan de inhoud van het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal te twijfelen. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan te nemen dat de verklaringen tegenover de politie onder druk zijn afgelegd. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking hetgeen in het aanvullend proces-verbaal van 30 september 2008 is vermeld, dat – zo is ter zitting gebleken – op verzoek van verweerder in het kader van de volledige heroverweging van de bezwaren van verzoeker door het Joint Hit Team is opgesteld. In dat proces-verbaal zijn de waarnemingen van het Joint Hit Team uiteengezet, en is – onder meer – verklaard dat alle verdachten in alle vrijheid hun verklaring hebben afgelegd en dat aan hen de cautie is medegedeeld. Voorts kent de voorzieningenrechter minder gewicht toe aan de verklaringen die door de medewerkers van de coffeeshop zijn afgelegd gezien het persoonlijk belang dat de werknemers daarbij hebben, rekening houdend met de loyaliteit jegens hun werkgever en eventuele (strafrechtelijke) gevolgen van hun handelen binnen de coffeeshop. Ook aan de verklaringen van de drie bezoekers kan de voorzieningenrechter niet de waarde toekennen, die verzoeker daaraan toegekend wil zien. De voorzieningenrechter neemt daarbij aanmerking dat verzoeker de drie bezoekers zelf heeft benaderd, dat de verklaringen niet door henzelf zijn opgesteld, maar dat deze vooraf zijn uitgetypt en gelijkluidend zijn, en derhalve vermoedelijk door verzoeker zelf zijn opgesteld. De voorzieningenrechter acht de verklaringen voorts tegenstrijdig met de waarnemingen van het Joint Hit Team, dat verdachten aan kwamen rijden, hun voertuigen parkeerden in de directe nabijheid van [naam coffeeshop], enkele minuten verbleven in [naam coffeeshop] en vervolgens weer in hun voertuig zijn gestapt en weg zijn gereden. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat Coffeeshop [naam coffeeshop] op loopafstand van [naam coffeeshop] ligt en acht het onwaarschijnlijk dat de bezoekers voorafgaand aan het bezoek aan [naam coffeeshop] met de auto en buiten het blikveld van het Joint Hit Team Coffeeshop [naam coffeeshop] hebben bezocht. Toen de voorzieningenrechter dit ter zitting aan verzoeker voorhield, heeft verzoeker bovendien gesteld dat het niet Coffeeshop [naam coffeeshop] betrof, maar [naam coffeeshop].

Samengevat maken de combinatie van de waarnemingen van het Joint Hit Team met de verklaringen die de betrokken personen tegenover het Joint Hit Team hebben afgelegd, het naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat op 10 juni 2008 vanuit [naam coffeeshop] aan zeven personen meer dan de toegestane gebruikershoeveelheid van 5 gram is verkocht.

2.6 In de Nota Lokaal Drugsbeleid 1997 is – in de lijn van de landelijke AHOJ-G-criteria – bepaald dat in een gedoogde koffieshop een handelsvoorraad softdrugs van 500 gram aanwezig mag zijn en dat er geen verkoop mag plaatsvinden van grotere hoeveelheden dan 5 gram per transactie. Daarbij is vermeld dat onder transactie wordt verstaan: alle verkoop in één koffieshop op één dag aan één afnemer.

Verweerder voert ten aanzien van de aan hem toegekende bevoegdheid als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet een beleid, dat is vastgelegd in de Richtlijnen voor de toepassing van bestuursdwang ingevolge artikel 13b Opiumwet (de Richtlijnen). De procedure en de duur van de sluiting zijn in de Richtlijnen schematisch weergegeven. Uit dat schema blijkt dat bij een overtreding van het criterium ‘geen verkoop van meer dan 5 gram softdrugs per transactie en geen aanwezigheid van meer dan 500 gram softdrugs’ na een eerste constatering een waarschuwing volgt en dat na een tweede constatering overgegaan wordt tot sluiting voor een periode van (minimaal) één maand. Voorts is in de Richtlijnen vermeld dat de zwaarte van de maatregelen is gerelateerd aan de mate waarin overtreding van het verbod leidt tot aantasting van de rechtsorde c.q. inbreuk op de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat. Met de sluiting wordt beoogd de gewoonte te doorbreken van bepaalde klanten om de inrichting ten behoeve van drugsbevoorrading te bezoeken. Het doel is ook de toestroom van handelaren naar de inrichting te doen afnemen alsmede de verstoring van de openbare orde, die met de toeloop van gebruikers en handelen gepaard gaat. Een cumulatie van overtredingen kan volgens de Richtlijnen leiden tot het sluiten van een inrichting gedurende een langere periode. De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze Richtlijnen hem niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist voorkomen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder een juiste toepassing gegeven aan zijn beleid. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het de tweede keer is dat er bij [naam coffeeshop] een overtreding van de AHOJ-G-criteria is geconstateerd en dat het gemeentelijke beleid juist op dit soort overtredingen ziet. Volgens verweerder is er daarom geen sprake is van bijzondere omstandigheden, die afwijking van het beleid zouden rechtvaardigen, zodat hij geen aanleiding ziet voor toepassing van artikel 4:84 van de Awb. De voorzieningenrechter acht dit standpunt niet onredelijk.

Verweerder heeft ten aanzien van het beroep van verzoeker op artikel 6 van het EVRM ter zitting toegelicht dat hij met het toepassen van bestuursdwang niet beoogt een straf op te leggen, maar dat hij beoogt de naleving van de Opiumwet c.q. de daaraan gerelateerde gedoogcriteria te waarborgen, hetgeen niet een punitief karakter draagt. Verweerder stelt zich derhalve op het standpunt dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is op het bestreden besluit. De voorzieningenrechter volgt verweerder daarin.

2.7 Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in bezwaar naar verwachting worden gehandhaafd. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

Gelet op dit oordeel is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, en in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2008.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 22 oktober 2008.