Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BF6005

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
06-10-2008
Zaaknummer
08 / 3833
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting gedoogde coffeeshop voor een maand op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

De aan de coffeeshop grenzende kantoorruimte en de bijbehorende ruimtes moeten worden aangemerkt als onderdeel van de coffeeshop en verweerder moet ook ten aanzien van deze ruimtes bevoegd worden geacht tot toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Dat de kantoorruimte een ander adres betreft en wordt gebruikt door een andere B.V. voor andere activiteiten acht de voorzieningenrechter niet relevant.

Verweerder heeft vooralsnog voldoende aannemelijk gemaakt dat de professionele aanpak met de daarbij behorende structurele overschrijding van de handelsvoorraad niet is verdisconteerd in de richtlijnen, en dat die omstandigheden een afwijking van die richtlijnen rechtvaardigen. Het overslaan van de waarschuwing en de sluiting voor een maand acht de voorzieningenrechter niet onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 08 / 3833 HOREC VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoekster],

te [vestigingsplaats], verzoekster,

gemachtigde mr.drs. B.F.J. Bollen,

en

de burgemeester van de gemeente Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 28 juli 2008 (bestreden besluit), inzake de sluiting van haar inrichting – Coffeeshop [naam coffeeshop] – voor de duur van een maand ingevolge artikel 13b van de Opiumwet.

Tevens heeft zij op 19 augustus 2008 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 augustus 2008, waarbij namens verzoekster aanwezig waren [leidinggevende] en gemachtigde en namens verweerder [medewerker verweerder]

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster exploiteert een alcoholvrij horecabedrijf (Coffeeshop [naam coffeeshop]) op het adres [adres] te [vestigingsplaats]. Op 20 februari 2008 heeft verweerder verzoekster een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening verleend. Bij een inspectie op 10 juni 2008 is een grote hoeveelheid softdrugs aangetroffen, in totaal 129,236 kilogram. Bij brief van 12 juni 2008 heeft verweerder verzoekster bericht over zijn voornemen om gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet en te besluiten om Coffeeshop [naam coffeeshop] gedurende drie maanden te sluiten. Verzoekster heeft daartegen bij brief van 24 juni 2008 zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

De zienswijzen hebben voor verweerder geen aanleiding gevormd om niet tot tijdelijke sluiting over te gaan, maar wel om de duur van de sluiting terug te brengen van drie maanden tot één maand. Verweerder heeft verzoekster bij het bestreden besluit kenbaar gemaakt dat hij Coffeeshop [naam coffeeshop] aan de [adres] te [vestigingsplaats] gedurende één maand sluit, en wel van 1 september 2008 tot 1 oktober 2008. Verweerder heeft daarbij vermeld dat dit zal betekenen dat hij de inrichting met bestuursdwang, op kosten van verzoekster, zal afsluiten en afgesloten zal houden en dat verzoekster het toepassen van bestuursdwang kan voorkomen door zelf de inrichting vóór 1 september 2008 af te sluiten en tot en met 30 september 2008 afgesloten te houden.

2.2 Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat in de coffeeshop zelf niets onrechtmatigs is aangetroffen. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de kantoorruimte, inclusief kelderruimte, niet behoort tot de coffeeshop en dat de aldaar aangetroffen hoeveelheid softdrugs niet toegerekend kan worden aan de (handels)voorraad van de coffeeshop. Subsidiair stelt verzoekster dat verweerder, overeenkomstig zijn beleid, in het onderhavige geval had moeten volstaan met een waarschuwing. Verweerder heeft, afgezien van de hoeveelheid aangetroffen softdrugs, geen motivering gegeven om van het beleid af te wijken, zodat verweerder in redelijkheid niet van het beleid had mogen afwijken. Nu de maatregel een reparatoir karakter moet dragen, kan de grondslag voor het afwijken van het beleid bovendien niet gevonden worden in de wens om harder te kunnen straffen. Verzoekster acht het bestreden besluit disproportioneel, nu de coffeeshop ongemeen hard geraakt wordt door de sluiting van een maand.

Afgezien van [leidinggevende] zijn nog zes andere personeelsleden voor wat betreft hun levensonderhoud afhankelijk van de inkomsten uit de coffeeshop. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter om die reden verzocht het bestreden besluit te schorsen.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voorzover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.5 Coffeeshop [naam coffeeshop] is een gedoogde coffeeshop. Op dinsdag 10 juni 2008 hebben Politie Midden en West Brabant en de afdeling Handhaving van de gemeente Tilburg in een gezamenlijke actie een controle gehouden bij gedoogde coffeeshops, waarbij – onder meer – is gecontroleerd of voldaan werd aan de gedoogcriteria:

?A: geen affichering;

?H: geen harddrugs;

?O: geen overlast;

?J: geen verkoop aan jeugdigen en geen toegang voor jeugdigen;

?G: geen verkoop van drugs met een gewicht van meer dan 5 gram per transactie en geen aanwezigheid van softdrugs met een gewicht van in totaal meer dan 500 gram.

Bij de controle is gesproken met [leidinggevende] en [naam]. Geconstateerd is dat het kantoor achter Coffeeshop [naam coffeeshop] zonder bouwvergunning is uitgebreid met een aanbouw. [leidinggevende] had de sleutel voor de kantoorruimte. Onder die illegale aanbouw is een kelder aangetroffen. De kelder bleek toegankelijk via een onder een vloerkleed verborgen luik in de vloer van de aanbouw, welk luik een vloerplaat van een lift was, die met behulp van een afstandsbediening naar beneden kon zakken. In de kelder is een grote hoeveelheid henneptoppen en hasj aangetroffen: in totaal 95,7 kilogram hennep en 30,8 kilogram hasj. Ook in de kluis en in een lade van een keu-kenblok in het kantoor werden softdrugs aangetroffen, in totaal 167 gram hennep en 2.469 gram hasj. Daarnaast is in de kluis in het kantoor een groot geldbedrag aangetroffen. [leidinggevende] heeft verklaard inderdaad meer drugs in huis te hebben dan de 500 gram die toegestaan is. Hij heeft aangegeven dat zich in de kelder de hele voorraad van de zomer bevond. Hij had een voorraad aangelegd, omdat in de zomer de drugs schaars zouden zijn. [leidinggevende] vond het bovendien niet veilig om elke keer de coffeeshop te bevoorraden.

De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder bevoegd is om bestuursdwang toe te passen als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet.

Uit het bestreden besluit, en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat het bestreden besluit is gebaseerd op het geheel van onderzoeksbevindingen van 10 juni 2008 ter plaatse van het bedrijfsgedeelte van het pand [adres] en het aangrenzende kantoor en de daarbij behorende ruimtes aan [adres]. Verweerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat de kantoorruimte, de aanbouw aan de kantoorruimte en de daaronder gelegen kelderruimte als opslagruimtes ten dienste staan van de coffeeshop. De voorzieningenrechter wijst in dat verband op de verklaring van [leidinggevende] dat de aangetroffen softdrugs in de kelderruimte, in de kluis en in de lade van het keukenblok in het kantoor de handelsvoorraad van de coffeeshop betreft. Daarbij beschikt [leidinggevende], zijnde een van de leidinggevenden van de coffeeshop, over de sleutel van de desbetreffende kantoorruimte en deze wist tevens de lift van de kelderruimte te bedienen. Bovendien bevond zich in de kantoorruimte een monitor, met daarop live beelden van de kassa, de bar, de ingang en de zaal van coffeeshop [naam coffeeshop]. Voorts kan van het geldbedrag van in totaal ruim € 42.000, dat in de kluis van de kantoorruimte aan [adres] is aangetroffen, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid worden aangenomen dat dit de opbrengst vanuit de coffeeshop betreft. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, moet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de kantoorruimte aan [adres] en de daarbij behorende ruimtes, waaronder de onderliggende kelderruimte, worden aangemerkt als onderdeel van Coffeeshop [naam coffeeshop] en moet verweerder ook ten aanzien van deze ruimtes bevoegd worden geacht om toepassing te geven aan artikel 13b van de Opiumwet. Dat de kantoorruimte een ander adres betreft en ook wordt gebruikt door [naam bedrijf] voor andere activiteiten acht de voorzieningenrechter in dat kader niet relevant.

Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat verweerder op goede gronden alle op het adres [adres] op 10 juni 2008 aangetroffen softdrugs heeft betrokken in het bestreden besluit, te weten een totaalgewicht van 129,236 kilogram. Verweerder heeft verzoekster daarvoor terecht verantwoordelijk gehouden.

2.6 In de Nota Lokaal Drugsbeleid 1997 is – in de lijn van de landelijke AHOJ-G-criteria – bepaald dat in een gedoogde koffieshop een handelsvoorraad softdrugs van 500 gram aanwezig mag zijn. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze maximaal toegestane handelsvoorraad door verzoekster ruimschoots is overschreden.

Verweerder voert ten aanzien van de aan hem toegekende bevoegdheid als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet een beleid, dat is vastgelegd in de Richtlijnen voor de toepassing van bestuursdwang ingevolge artikel 13b Opiumwet (de Richtlijnen). De procedure en de duur van de sluiting zijn in de Richtlijnen schematisch weergegeven. Uit dat schema blijkt dat bij een overtreding van het criterium ‘geen aanwezigheid van meer dan 500 gram softdrugs’ na een eerste constatering een waarschuwing volgt en dat na een tweede constatering overgegaan wordt tot sluiting voor een periode van (minimaal) één maand. De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze Richtlijnen hem niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist voorkomen.

In dit geval was er sprake van een eerste constatering, hetgeen volgens de matrix tot een waarschuwing zou leiden. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven een geconstateerde overschrijding in beginsel wordt vermoed incidenteel te zijn. In het onderhavige geval is er echter volgens verweerder overduidelijk geen sprake van een incidentele situatie, maar van een bewust gecreëerde structurele situatie. Het maakt onderdeel uit van de wijze van exploitatie van de coffeeshop, dat het kantoor en de kelderruimte fungeren als een opslagplaats voor een grote hoeveelheid softdrugs als een soort tussenstation tussen ‘groothandel’ en de eigenlijke coffeeshop. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit een bijzondere bij de vaststelling van de beleidsregels niet verdisconteerde omstandigheid, die een afwijking van de beleidsregels rechtvaardigt in die zin, dat hij de tussenstap van de waarschuwing heeft overgeslagen. Verweerder heeft daarbij vermeld dat hij een waarschuwing in dit geval een te lichte maatregel zou vinden.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onder de gegeven omstandigheden – de enorme hoeveelheid aangetroffen softdrugs in samenhang met de gecreëerde ondergrondse opslagruimte – in redelijkheid geoordeeld dat er in dit geval sprake is van een bewust gecreëerde structurele situatie en heeft verweerder dit in redelijkheid aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Verweerder heeft in dat verband genoegzaam aannemelijk gemaakt dat voornoemde professionele aanpak met de daarbij behorende structurele overschrijding van de handelsvoorraad niet is verdisconteerd in de richtlijnen en dat die omstandigheden een afwijking van de richtlijnen rechtvaardigen. Het overslaan van de waarschuwing en de sluiting voor 1 maand kan in licht van voornoemde feiten niet als onredelijk worden aangemerkt.

2.7 Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in bezwaar naar verwachting worden gehandhaafd. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.8 Gelet op dit oordeel is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, en in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2008.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 16 september 2008.