Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BF3650

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-09-2008
Datum publicatie
29-09-2008
Zaaknummer
484280 cv 08-2812
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 15 lid 1 onder c EEX-Verordening. Internationale bevoegdheid bij een consumentenovereenkomst. Activiteiten richten op lidstaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Tilburg

zaak/rolnr.: 484280 2812/08

vonnis d.d. 3 september 2008

inzake

[eiser],

wonende te Tilburg,

eisende partij in conventie bij exploot van dagvaarding d.d. 21 maart 2008,

verweerder in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. T.M. ten Velde,

tegen:

De NV Garage Adriaansen G.,

gevestigd te Poppel, België,

gedaagde partij in conventie bij voormeld exploot,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: Walschots Verzekeringen.

Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de navolgende stukken:

a. de inleidende dagvaarding,

b. het daarop gewezen verstekvonnis,

c. de dagvaarding in verzet tevens houdende voorwaardelijke reconventie,

d. de conclusie van antwoord in verzet en antwoord in voorwaardelijke reconven¬tie,

e. de conclusie van repliek in verzet en repliek in voorwaardelijke reconven¬tie,

f. de conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie.

De inhoud van deze stukken, met inbegrip van de daarbij over¬gelegde bescheiden, wordt als hier ingevoegd beschouwd.

Het geschil en de beoordeling daarvan

in conventie

Eiser vordert samengevat dat voor recht verklaard wordt dat de reparatieovereenkomst ontbonden is op grond van ondeugdelijke prestatie, dat eiser niet aansprakelijk is voor de gepretendeerde schade die samenhangt met de diefstal van de leenauto en dat gedaagde onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld hetgeen gedaagde toerekenbaar is en hem aansprakelijk maakt voor de geleden schade.

Eiser vordert voorts dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van de door eiser betaalde som van € 606,76 en vergoeding van de geleden geestelijke en lichamelijke schade ten bedrage van € 4500,--.

Hij legt, in het kort weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag.

Op 15 december 2006 heeft eiser zijn voertuig ter reparatie aangeboden aan gedaagde en heeft na vier maanden andermaal een reparatieopdracht gegeven vanwege hetzelfde mankement. Op 30 april 2007 heeft hij die opdracht gegeven toen gedaagde naar het huisadres van eiser was afgereisd.

Gedaagde bood eiser een leenauto aan, die later in de straat van eiser is gestolen gedurende de leenperiode. Gedaagde stelde zich op het standpunt dat eiser de volledige waarde van de gestolen auto moest vergoeden. Totdat dit bedrag zou zijn betaald hield gedaagde de auto van eiser onder zich. Hij heeft zich tegenover de kinderen van eiser smadelijk over hem uitgelaten. Op 2 mei 2007 heeft eiser een bezoek gebracht aan gedaagde en zijn voertuig teruggeëist dan wel een deugdelijke reparatie. Na bemiddeling heeft eiser uiteindelijk onder protest een bedrag van € 606,76 betaald voor reparatie en stallingskosten. De vordering ten aanzien van de gestolen auto heeft gedaagde toen laten vallen. Eiser heeft de auto door een derde moeten laten repareren omdat de reparatie niet of ondeugdelijk is uitgevoerd. Als gevolg van het handelen van gedaagde heeft eiser enige tijd in het ziekenhuis gelegen en ernstige hartklachten opgelopen.

De betaling van € 606,76 geschiedde onder protest omdat eiser zo spoedig mogelijk over zijn voertuig moest beschikken. Het bedrag blijkt nergens op gebaseerd te zijn omdat er geen stallingsovereenkomst was gesloten en de reparatie niet is uitgevoerd.

Gedaagde heeft in eerste instantie de onbevoegdheid van de kantonrechter ingeroepen nu sprake is van een eiser met woonplaats in Nederland en een verweerder met de vestigingsplaats in België. Zij verwijst daartoe naar EG-Verordening 44/2001.

De kantonrechter overweegt als volgt.

De hoofdregel van EG-Verordening 44/2001 ofwel de Europese Executieverordening wordt door gedaagde vooropgesteld. Eiser verwijst daarentegen naar artikel 16 daarvan, nu sprake is van een consument die een vordering instelt tegen een wederpartij die handelt in de uitoefening van een bedrijf of beroep, op grond waarvan zowel het gerecht van het grondgebied waar de consument woonplaats heeft als het grondgebied waar de wederpartij woonplaats heeft bevoegd is.

Gedaagde wijst er echter terecht op dat in artikel 15 deze mogelijkheid slechts wordt opengesteld in een geval waarin de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat en de overeenkomst onder die activiteiten valt.

Gedaagde heeft aangevoerd dat dit niet voor haar opgaat nu zij haar garage heeft in België en daar haar activiteiten ontplooit.

De kantonrechter moet constateren dat uit de stellingen van beide partijen volgt dat gedaagde eenmaal naar het adres in Nederland is gegaan waar eiser woont om op de schademelding in te gaan. Daarbij is kennelijk ook de opdracht gegeven die heeft geleid tot de reparatie althans de factuur van € 606,76 die thans ter beoordeling voorligt.

Daaruit volgt echter niet dat gedaagde zich tot de Nederlandse markt richt, immers het was op verzoek van eiser dat gedaagde naar hem toegekomen is. Het is niet de bedoeling dat de consument op deze wijze kan beïnvloeden waartoe de commerciële wederpartij zich richt; het moet een actieve insteek van de commerciële persoon betreffen.

Of gedaagde zich op andere wijze richt tot de Nederlandse markt is niet gesteld of anderszins bekend. Het is de vraag of dit wel relevant is in de verhouding tussen partijen, immers zij hebben onbetwist al jaren een zakelijke relatie. Er kan van worden uitgegaan dat eiser zich steeds vervoegd heeft bij de garage van gedaagde om zijn auto te laten repareren. Waar op verzoek van eiser en kennelijk bij wijze van uitzondering (“tegen de normale gang van zaken in” en “op een dag dat de garage gesloten was” [ zie brief van 8 mei 2007, overgelegd door eiser]) gedaagde naar eiser is gegaan om hem tegemoet te komen, kan van het zich richten op de Nederlandse markt jegens eiser in ieder geval niet blijken.

De slotsom is dat de uitzondering van artikel 15 jo 16 EEX-Verordening niet kan worden aangenomen en dat de vordering niet voor de Nederlandse maar voor de Belgische rechter aangebracht dient te worden zodat de kantonrechter zich onbevoegd dient te verklaren.

Eiser dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

In voorwaardelijke reconventie

Ingeval van bevoegdverklaring stelt eiseres Garage Adriaansen NV een tegenvordering in ten bedrage van €3.425,04.

Gedaagde heeft zich tegen toewijzing daarvan verzet.

De kantonrechter komt aan een beoordeling van de vordering niet toe omdat niet aan de voorwaarde wordt voldaan.

De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

Verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;

verwijst de eisende partij in de kosten van het geding en veroordeelt die partij tot betaling van deze kosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot op heden begroot op € 400,-- voor salaris van de gemachtigde van gedaagde.

In voorwaardelijke reconventie

Verstaat dat de vordering niet voor behandeling in aanmerking komt.

Aldus gewezen door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter te Tilburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.