Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BF0795

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-08-2008
Datum publicatie
15-09-2008
Zaaknummer
AWB 08/1966
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2009:BL7442, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / heffingskortingen in jaar geboorte kind / beroep ongegrond

Belanghebbende heeft in de tweede helft van het jaar een kind gekregen. Tussen partijen is in geschil of zij in het onderhavige jaar in aanmerking komt voor de kinderkorting, de combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting, de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting. Nu het kind minder dan zes maanden op hetzelfde adres stond ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegeven als belanghebbende, komt zij niet voor de betreffende heffingskortingen in aanmerking. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar een besluit waarin is goedgekeurd dat bepaalde heffingskortingen, die zijn uitbetaald via een voorlopige teruggaaf, niet behoeven te worden terugbetaald bij overlijden van het kind in de eerste helft van het jaar, faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/59.2.4
FutD 2008-1968
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/1966

Uitspraakdatum: 29 augustus 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 16 april 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2006 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.682.

Zitting

Een onderzoek ter zitting is met toestemming van partijen achterwege gebleven.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Op 29 juli 2006 heeft belanghebbende een kind gekregen. Dit kind is op 31 juli 2006, de eerste werkdag na haar geboorte, in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres van belanghebbende, te weten [straat] te [woonplaats].

2.2. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar recht heeft op de kinderkorting, de combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting, de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting.

2.3. In de artikelen 8.12, 8.14, 814a, 8.15 en 8.16 van de Wet IB 2001, in welke artikelen de in 2.2 genoemde kortingen zijn neergelegd, wordt als voorwaarde gesteld dat in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een kind tot de huishouding van de belastingplichtige behoorde dat gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige stond ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat het in 2.1 genoemde kind in het onderhavige jaar minder dan zes maanden op hetzelfde adres stond ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens als belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert belanghebbende, gezien het in 2.3 overwogene, in het onderhavige jaar niet voor de in 2.2 genoemde kortingen. Daaraan doet niet af dat het kind niet eerder dan op 31 juli 2006 kon worden ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens.

2.5. Voorts verwijst belanghebbende naar het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 29 juni 2001, nr. RTB2001/1725, gepubliceerd in onder meer VN 2001/37.9. In dat besluit is goedgekeurd dat bepaalde heffingskortingen, die via een voorlopige teruggaaf zijn uitbetaald, niet behoeven te worden terugbetaald indien uitsluitend door het overlijden van het kind, achteraf bezien, niet aan de zesmaandsvoorwaarde wordt voldaan. Belanghebbende stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat de toepassing van het besluit is beperkt tot overlijdensgevallen en niet ook geldt voor gevallen waarin door geboorte niet aan de zesmaandsvoorwaarde is voldaan.

2.6. Naar het oordeel van de rechtbank dient, nu in het in 2.5 genoemde besluit begunstigend beleid is gepubliceerd, te worden onderzocht of, vanuit de ratio van de wet en van het beleid bezien, sprake is van rechtens en feitelijk voldoende vergelijkbare gevallen en, zo ja, of voor de ongelijke behandeling van die vergelijkbare gevallen een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond bestaat.

2.7. In het in 2.5 genoemde besluit is beleid vastgelegd dat is ontwikkeld naar aanleiding van vragen van het Tweede-Kamerlid Kuyper, op welke vragen een antwoord is gegeven in het persbericht van het Ministerie van Financiën van 12 april 2001, nr. 2001/112, onder meer gepubliceerd in VN 2001/22.11. Vraag 5 van Tweede-Kamerlid Kuyper hield in of het terugvorderen van een verleende voorlopige teruggaaf, ingeval door overlijden niet aan het zesmaandscriterium is voldaan, niet een ongewenste hardheid in zich heeft. Vraag 6 hield in of de staatssecretaris van Financiën bereid was om voor dergelijke gevallen maatregelen te nemen om de terugvordering achterwege te laten. De vragen 5 en 6 zijn tezamen beantwoord, waarbij is aangegeven dat het inderdaad wenselijk is dat een uitbetaalde voorlopige teruggaaf in geval van overlijden niet wordt teruggevorderd.

2.8. De rechtbank overweegt dat uit de vraagstelling van Tweede-Kamerlid Kuyper en uit de wijze van beantwoording door de staatssecretaris van Financiën kan worden afgeleid dat het in 2.5 genoemde begunstigend beleid wordt gevoerd om de in 2.7 geschetste ongewenste hardheid weg te nemen. Vanuit deze ratio van het beleid bezien, heeft belanghebbende, op wie in dit opzicht de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat zij feitelijk en rechtens in een dusdanig zelfde positie verkeert als belastingplichtigen die, achteraf bezien, door overlijden van het kind niet aan het zesmaandscriterium voldoen. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt dan ook.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 29 augustus 2008 door mr. J.J.J. Engel, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.