Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BF0519

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-07-2008
Datum publicatie
12-09-2008
Zaaknummer
07 / 992
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dagloonberekening volgens art. 2 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen. In het refertejaar ontving betrokkene een WW-uitkering. Deze uitkering is tijdelijk verlaagd in verband met onvoldoende solliciteren. In de systematiek van het historisch dagloon werkt deze verlaging van de WW-uitkering door bij de berekening van het WIA-dagloon. Betrokkene acht dat in strijd met het ne-bis-in-idem-beginsel. Rechtbank acht de dagloonberekening in het licht van de nota van toelichting bij het Besluit dagloonregels niet onrechtmatig. Geen strijd met hogere regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer : 07 / 992 WIA

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. A.G.B. Bergenhenegouwen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(UWV; kantoor Dordrecht), verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 januari 2007 (bestreden besluit), inzake de vaststelling van het dagloon. Het beroepschrift is ingediend bij de rechtbank Dordrecht, die het ter verdere behandeling heeft doorgezonden naar deze rechtbank.

Het beroep is behandeld ter zitting van 22 mei 2008, waarbij aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder [medewerker verweerder].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft vanaf 18 april 2003 van verweerder een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Over de periode van 5 mei 2003 tot 25 augustus 2003 is het uitkerings¬percentage verlaagd van 70% naar 50% in verband met onvoldoende solliciteren.

Vanaf 1 augustus 2003 is eiser in loondienst werkzaam geweest als grafisch ontwerper. Op 24 januari 2004 is hij arbeidsongeschikt geraakt. Na het voltooien van de wachttijd in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft verweerder eiser met ingang van 21 januari 2006 een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend. Bij primair besluit van 4 oktober 2006 is het dagloon vastgesteld op € 107,62. Dat bedrag is in verband met aanpassing aan het wettelijk minimumloon verhoogd tot € 108,63.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat op onjuiste wijze de WW-uitkering die in het refertejaar werd uitbetaald wordt meegenomen bij de dagloonberekening. De korting op die uitkering werkt nu door in het dagloon van de WGA. Eiser acht dat niet juist. De dagloonregels zouden op dit punt onverbindend moeten worden geacht wegens strijd met het ne-bis-in-idem-beginsel. Voorts is in januari 2004 een bedrag aan vakantiebijslag betaald van € 1.104,- dat betrekking heeft op het jaar 2003. Dat bedrag dient volgens eiser bij de berekening van het dagloon te worden betrokken.

2.3 In artikel 13, eerste lid, van de WIA is bepaald dat voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

In het derde lid is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld.

De regels, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de WIA zijn gesteld bij Besluit van 8 oktober 2005, genaamd Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit dagloonregels).

In artikel 2, tweede lid, van het Besluit dagloonregels, is bepaald dat voorzover het loon bestaat uit een uitkering op grond van de ZW, de WW, de WAO, de Wet WIA of hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, bij de berekening van het dagloon in de plaats van die uitkering als loon in aanmerking wordt genomen: ((100 x A) / B) - (C + D)

waarbij:

A staat voor de uitkering op grond van de ZW, de WW, de WAO, de Wet WIA of hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg;

B staat voor:

a. 70, dan wel

b. indien het uitkeringspercentage van de uitkeringen op grond van de ZW, de WAO, hoofdstuk 6 van de Wet WIA, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of hoofdstuk IV van de WW hoger is dan 70%, het uitkeringspercentage waarnaar de uitkering is berekend; of

c. 100, indien de artikelen 53 of 63 van de Wet WIA van toepassing zijn, dan wel

d. indien de teller van de factor, bedoeld in artikel 53 of 63 van de wet WIA lager is, de waarde van die teller;

C staat voor toeslagen op de uitkering op grond van de Toeslagenwet; en

D staat voor aanvullingen op de uitkering.

In artikel 2, derde lid is bepaald dat voorzover het tweede lid van toepassing is bij de toepassing van artikel 3, als genoten respectievelijk opgebouwde vakantiebijslag in aanmerking wordt genomen: (100 x A) / B, waarbij:

A staat voor de in het in aanmerking te nemen tijdvak daadwerkelijk genoten respectievelijk opgebouwde vakantiebijslag;

B gelijk is aan de factor B, bedoeld in het tweede lid.

In artikel 24, tweede lid, van het Besluit dagloonregels is bepaald dat indien de werknemer in de aangiftetijdvakken in refertejaren gelegen vóór 1 januari 2007 loon heeft genoten, waarin bedragen aan vakantiebijslag en van extra periodiek salaris zijn opgenomen, artikel 3, eerste lid, voor de dagloonberekening buiten aanmerking blijft en dat het dagloon berekend wordt door het loon, dat de werknemer heeft genoten in het refertejaar te delen door 261.

2.4 Het geschil tussen partijen spitst zich toe op twee kwesties, namelijk op de vraag of in de berekeningswijze die in het Besluit dagloonregels is beschreven moet worden uitgegaan van de feitelijk in 2003 genoten WW-uitkering of van de onverlaagde WW-uitkering, alsmede op de vraag of de vakantiebijslag die in januari 2004 werd uitbetaald bij de berekening van het dagloon moet worden betrokken.

2.4.1 De doorwerking van de maatregel

De rechtbank stelt vast dat de wetgever in 2005 met de zogenaamde Wet Walvis een vereenvoudiging van de uitvoering van de werknemersverzekeringen heeft beoogd. Gestreefd is naar uniformering van de dagloonsystematiek. Uit de memorie van toelichting bij de Wet Walvis blijkt dat de wetgever er voor heeft gekozen het dagloon te baseren op hetgeen de werknemer in het refertejaar heeft genoten, het zogenaamde historisch dagloon. Onderkend is dat omstandigheden in de referteperiode een negatieve invloed kunnen hebben gehad op de hoogte van het dagloon. Met sommige van die situaties dient, volgens de memorie van toelichting, bij de uitwerking in de lagere regelgeving rekening te worden gehouden.

De wijze van vaststelling van het dagloon is beschreven in het Besluit dagloonregels. In artikel 2 van dat besluit is beschreven hoe een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen dient te worden omgerekend naar een dagloon. Daarbij geldt als uitgangspunt een uitkeringspercentage van 70 of hoger. De consequentie daarvan is dat voor een werknemer wiens uitkering berekend wordt naar een lager percentage dan 70 het dagloon niet het niveau behaalt van het loon dat voorheen werd genoten en waarop de uitkering is gebaseerd. Het Besluit dagloonregels kent bijzondere bepalingen voor sommige van deze werknemers, met name voor degenen die door ziekte of verlof minder loon hebben ontvangen.

Eiser meent dat hij door de systematiek van het historisch dagloon twee keer gestraft wordt voor de gedraging die aanleiding gaf tot de verlaging van zijn WW-uitkering. Hij meent dat de dagloonregels op dit onderdeel onverbindend verklaard zouden moeten worden en hij meent voor die opvatting steun vinden in een uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 maart 2008, die gepubliceerd is www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BC7509. Het dagloon zou volgens eiser berekend moeten worden door de verlaagde WW-uitkering niet met 100/70 maar met 100/50 te vermenigvuldigen.

De rechtbank heeft begrip voor eisers beleving dat hij zwaar gestraft wordt voor een schending van de sollicitatieplicht. De maatregel op eisers WW-uitkering heeft gevolgen die veel verder reiken dan bij het opleggen van die maatregel voorzien en bedoeld is. Toch kan niet anders worden geoordeeld dan dat verweerder op correcte wijze de WW-uitkering bij de berekening van het dagloon heeft betrokken.

Voor een werknemer in eisers situatie zijn in het Besluit dagloonregelen geen bijzondere bepalingen opgenomen. Uit de nota van toelichting bij het Besluit dagloonregelen blijkt dat de regelgever zich bewust is geweest van de gevolgen die dat kan hebben. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2, tweede lid, is immers opgemerkt: “Deze herleiding van de bruto-uitkering brengt met zich mee dat als betrokkene een uitkeringssanctie onderging, deze sanctie kan doorwerken in latere uitkeringen.”

De rechtbank overweegt voorts dat van strijdigheid met het ne-bis-in-idem-beginsel geen sprake is, alleen al omdat de verlaging van eisers WW-uitkering geen punitieve sanctie is.

Het bestreden besluit berust derhalve op een juiste toepassing van het Besluit dagloonregels, terwijl van strijdigheid met hogere regeling of met een algemeen rechtsbeginsel niet is gebleken.

2.4.2 De vakantiebijslag

Eiser stelt zich op het standpunt dat vakantiebijslag die in januari 2004 is uitbetaald bij de berekening van het dagloon moet worden betrokken omdat die toeslag betrekking heeft op het refertejaar 2003.

De rechtbank overweegt dat in artikel 24, tweede lid, van het Besluit dagloonregels een overgangsregeling is getroffen waardoor ten aanzien van eiser artikel 3, eerste lid, buiten toepassing dient te blijven bij de vaststelling van het dagloon. Volgens deze overgangsregeling dient bij de vaststelling van het dagloon in aanmerking te worden genomen het loon dat in het refertejaar is genoten.

Volgens het bestreden besluit moet de in januari 2004 genoten vakantiebijslag niet in aanmerking worden genomen omdat die vakantiebijslag niet is genoten in het refertejaar. Nu verweerder het criterium “genoten in het refertejaar” hanteert, neemt de rechtbank aan dat toepassing is gegeven aan artikel 24, tweede lid. Die wijze van dagloonvaststelling laat geen ruimte om rekening te houden met buiten het refertejaar genoten inkomsten. Eisers grief met betrekking tot de vakantiebijslag kan dan ook niet slagen.

De rechtbank merkt daar ten overvloede bij op dat ook in de methodiek van artikel 3, eerste lid, deze grief van eiser geen doel zou kunnen treffen, omdat in die methodiek geen betekenis toekomt aan de vraag welke bedragen met betrekking tot vakantiebijslag wanneer zijn ontvangen.

2.5 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

2.6 Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling, noch tot veroordeling van verweerder tot schadevergoeding, zoals door eiser verzocht.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G.M. Wouters, voorzitter, en mrs. P.H.J.G. Römers en V.M. Schotanus, rechters, en in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2008.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 14 juli 2008