Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BF0441

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
11-09-2008
Zaaknummer
AWB 08-149
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM5919, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

OB: aftrek voorbelasting algemene kosten van school. Belanghebbende verstrekt voortgezet onderwijs. Tevens verstrekt zij (in de schoolkantine) spijzen en dranken. Dat is een belaste activiteit. De kantine wordt ook voor onderwijsactiviteiten gebruikt. Het onderwijs wordt voor 90% gefinancierd uit subsidies. Niet in geschil is dat die subsidie geen “vergoeding” is in de zin van de OB. Daarnaast ontvangt belanghebbende schoolgeld. Dat is volgens de rechtbank wel een vergoeding in de zin van de OB. Belanghebbende is dus ook t.a.v. het verstrekken van onderwijs ondernemer. Voor de aftrek van voorbelasting van algemene kosten geldt dan de pro rata methode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1927
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/149

Uitspraakdatum: 19 juni 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen[woonplaats]n het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 14 december 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2007 verleende teruggaaf omzetbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2008.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verleent teruggaaf van een bedrag van € 6.995;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 285 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende houdt zich hoofdzakelijk bezig met het verstrekken van voortgezet onderwijs. Belanghebbende exploiteert 11 schoolgebouwen op diverse lokaties. In al deze gebouwen bevindt zich een kantine waarin tegen betaling spijzen en dranken worden verstrekt aan personeelsleden en leerlingen. Bij de kantine bevindt zich steeds een ruimte waarin spijzen en dranken worden bereid (de bereidingsruimten). De kantine is veelal geintegreerd in de aula van de school. In het algemeen worden de kantines zowel gebruikt voor het - aan omzetbelasting onderworpen - verstrekken van spijzen en dranken als voor het - van omzetbelasting vrijgesteld - verstrekken van onderwijs of daaraan gerelateerde prestaties.

2.2. Belanghebbende is voor de berekening van de aftrekbare voorbelasting op de algemene kosten (hierna: de apparaatkosten) per leslocatie uitgegaan van 100% belast gebruik van de bereidingsruimten en 80% belast gebruik van de kantines. In verband met de lopende discussie met de inspecteur over de hoogte van het aftrekpercentage heeft belanghebbende over het onderhavige tijdvak geen omzetbelasting over de apparaatkosten in aftrek gebracht in de aangifte omzetbelasting. Vervolgens heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aan haar opgelegde teruggaafbeschikking, waarbij zij extra teruggaaf vraagt voor de omzetbelasting op de apparaatkosten. Deze extra teruggaaf heeft belanghebbende becijferd op € 8.382,33. Voor de berekening van de aftrek van de BTW op de apparaatkosten hanteert belanghebbende de volgende formule:

(100% * m2 bereidingsruimte) + (80% * m2 kantine personeel en leerlingen) * 100%

Totale m2 gebouw

2.3. De inspecteur stelt dat op de 80% belast gebruik voor de kantines een reductie moet worden toegepast voor niet aan omzetbelasting onderworpen gebruik als overblijfruimte op tijden dat er geen spijzen en dranken worden verstrekt. Hij berekent de reductie op basis van (1) de omzet van de kantines en (2) het uit het Nationaal Scholierenonderzoek blijkende bedrag dat per leerling in schoolkantines wordt besteed. Aldus berekent de inspecteur het aantal scholieren dat bij belanghebbende gebruik maakt van de kantines op 5,54% van het totale aantal scholieren. Op basis van deze berekening heeft de inspecteur de aftrekbare voorbelasting op de apparaatkosten en de extra teruggaaf berekend op € 1.387.

2.4. Ter zitting heeft de inspecteur een alternatieve berekening gepresenteerd waarbij hij de aftrekbare voorbelasting berekent op basis van de gemiddeld per leerling in de kantine doorgebrachte tijd waarbij spijzen en dranken worden afgenomen, ten opzichte van de totale openingstijd van de kantines.

2.5 In geschil is het antwoord op de vraag voor welk bedrag de voorbelasting op de apparaatkosten in aftrek kan worden gebracht.

2.6. Ter zitting heeft belanghebbende nader het standpunt ingenomen dat de aftrekbare voorbelasting moet worden berekend met toepassing van de pro rata methode van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: Uitvoeringsbeschikking). De inspecteur stelt dat de pro rata methode in het onderhavige geval geen toepassing kan vinden omdat belanghebbende ter zake van het onderwijs geen economische activiteiten verricht en dat moet worden uitgegaan van het werkelijke gebruik van de kantines. Indien de pro rata methode toch wordt toegepast, moeten volgens de inspecteur de door belanghebbende ontvangen overheidssubsidies meetellen als vrijgestelde vergoedingen.

2.7. De eerste vraag die moet worden beantwoord is, of belanghebbende ter zake van het verrichten van onderwijs economische activiteiten verricht in de zin van artikel 2 van de BTW Richtlijn. Indien belanghebbende ter zake van het onderwijs geen economische activiteiten verricht, is immers de voorbelasting die ziet op het onderwijs niet aftrekbaar. Van economische activiteiten is slechts sprake indien belanghebbende haar onderwijsdienst onder bezwarende titel, derhalve tegen vergoeding, verricht.

2.8. Tussen partijen is blijkbaar niet in geschil dat de overheidssubsidie die belanghebbende ontvangt niet is aan te merken als een “vergoeding” in de zin van de omzetbelasting omdat van overheidszijde geen sprake is van verbruik. De rechtbank acht dat standpunt juist, mede gezien het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2004, nr. 39 956 (BNB 2004/430).

2.9. Belanghebbende heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de overheidssubsidie slechts ongeveer 90% is van de totale inkomsten die zij ter zake ontvangt en dat er nog een derde geldstroom is. Als voorbeeld van een “andere inkomsten” heeft belanghebbende aangehaald het schoolgeld. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende daarmee doelt op de bedragen die op grond van de Les- en cursusgeldwet worden geheven van leerlingen van 18 jaar en ouder, die aan belanghebbende toekomen en, op grond van het bepaalde in artikel 96m van de Wet op het voortgezet onderwijs, in mindering komen op de bekostiging van het Rijk. Op grond van artikel 3 van de Les- en cursusgeldwet is lesgeld verschuldigd ter zake van het door een leerling die op de eerste dag van het desbetreffende cursusjaar de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs. De rechtbank is met belanghebbende van oordeel dat een betaling door een leerling op grond van de Les- en cursusgeldwet een vergoeding is in de zin van de BTW-Richtlijn. Dit leidt tot het oordeel dat belanghebbende ter zake van het geven van onderwijs vergoedingen ontvangt in de zin van de BTW richtlijn en derhalve haar dienst onder bezwarende titel verricht.

2.10. Het onder 2.9. overwogene leidt tot de conclusie dat belanghebbende ook ter zake van het geven van onderwijs economische activiteiten verricht in de zin van de BTW-richtlijn en de Wet OB. Belanghebbende verricht derhalve al haar activiteiten als ondernemer in de zin van de omzetbelasting. Nu zij zowel vrijgestelde als belaste prestaties verricht, moet de aftrekbare voorbelasting dan in beginsel worden berekend op basis van de pro rata methode.

2.11. De rechtbank ziet niet in waarom, zoals de inspecteur stelt, de pro rata methode in dit geval niet kan worden toegepast. Vaststaat dat het werkelijke gebruik van de kantines niet aan de hand van objectief en nauwkeurig te vast te stellen gegevens is vast te stellen, nu die kantines niet exclusief voor belaste of vrijgestelde prestaties worden gebruikt. De berekeningen van de inspecteur berusten op gemiddelden en aannames en niet op objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens. Dat de uitkomst van de pro rata mogelijk tot een hogere aftrek van voorbelasting leidt dan de aftrek bij berekening op basis van werkelijk (belast) gebruik, is ook geen argument nu dat eenmaal eigen is aan de toepassing van een forfaitaire regeling als deze.

2.12. Nu de door belanghebbende ontvangen overheidssubsidies niet aangemerkt kunnen worden als een vergoeding voor een prestatie, en derhalve buiten de sfeer van de omzetbelastingwetgeving vallen, kunnen deze inkomsten niet als “vergoedingen” meegenomen worden in de pro rata berekening van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, Uitvoeringsbeschikking. Partijen hebben ter zitting verklaard dat belanghebbende in dat geval, uitgaande van toepassing van de pro rata methode, het bedrag van de geclaimde voorbelasting op de apparaatskosten niet te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft derhalve recht op een aanvullende teruggaaf van € 8.382 min € 1.387 of € 6.995. Derhalve is het gelijk aan de zijde van belanghebbende en is het beroep gegrond verklaard.

2.13. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2008 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.