Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BF0087

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
09-09-2008
Zaaknummer
07/4168
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft zijn aangifte IB/PH niet tijdig ingediend. Op grond daarvan is aan hem een verzuimboete opgelegd. In geschil is of dit terecht is.

Belanghebbende beroept zich op AVAS. De rechtbank overweegt dat voorzover belanghebbende zich beroept op het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2006, nr. 40 369, LJN AU7741, uit dat arrest niet volgt dat de inspecteur bij een verzuimboete gehouden is om ter zake van het verzuim enige vorm van schuld bij belanghebbende te bewijzen. Uit het arrest volgt wel dat de vraag of sprake is van AVAS uitsluitend vanuit de positie van belanghebbende dient te worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is bij belanghebbende evenwel geen sprake van AVAS. De verzuimboete is terecht opgelegd. Belanghebbendes beroep op opgewekt vertrouwen kan hem niet baten omdat de omstandigheden waar hij zich op beroept zijn gelegen in de relatie tussen de inspecteur en de voormalig adviseur en/of belanghebbende en de voormalig adviseur (vergelijk BNB 2000/343).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/4168

Uitspraakdatum: 17 juli 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (Duitsland),

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 17 september 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem bij beschikking van 7 april 2007 opgelegde verzuimboete ad € 567.

Onderzoek ter zitting

Partijen hebben de rechtbank schriftelijk toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Aan belanghebbende is voor het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PH) over het jaar 2004 uitstel verleend tot 1 april 2006. Daarna is nog tweemaal nader uitstel verleend, het laatst tot 1 juli 2006. Op 1 december 2006 is aan belanghebbende een aanmaning voor het doen van de aangifte IB/PH over het jaar 2004 gezonden. Daarbij is de gelegenheid geboden om tot 22 december 2006 de aangifte in te dienen. Belanghebbende heeft de aangifte niet voor deze datum ingediend. Over de jaren 2002 en 2003 heeft belanghebbende zijn aangifte IB/PH eveneens niet tijdig ingediend. In verband daarmee zijn over deze jaren verzuimboeten opgelegd.

2.2. Met dagtekening 7 april 2007 is aan belanghebbende een ambtshalve aanslag IB/PH opgelegd. Gelijktijdig met het vaststellen van deze aanslag heeft de inspecteur op grond van artikel 67a van de AWR wegens een derde verzuim de onderhavige verzuimboete opgelegd.

2.3. In geschil is of de verzuimboete terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat de

aangifte IB/PH voor het jaar 2004 niet tijdig is ingediend.

2.4. Belanghebbende beroept zich op afwezigheid van alle schuld (hierna: AVAS). De inspecteur legt in geval van AVAS geen verzuimboete op. Indien (eerst) bij bezwaar blijkt dat sprake is van AVAS, vernietigt de inspecteur de boete. De inspecteur betwist dat in het geval van belanghebbende sprake is van AVAS, zodat de bewijslast in deze op belanghebbende rust.

2.5. Voorzover belanghebbende zich beroept op het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2006, nr. 40 369, LJN AU7741, overweegt de rechtbank dat uit dat arrest niet volgt dat de inspecteur bij een verzuimboete gehouden is om ter zake van het verzuim enige vorm van schuld bij belanghebbende te bewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit genoemd arrest wel dat de vraag of sprake is van AVAS uitsluitend vanuit de positie van belanghebbende dient te worden beoordeeld.

2.6. In januari 2006 heeft belanghebbende bij de belastingdienst een statusoverzicht van de aangiften IB/PH over de jaren 2002 tot en met 2004 opgevraagd. Met de ontvangst van dit overzicht was belanghebbende op de hoogte van het voor de indiening van de aangifte IB/PH over het jaar 2004 verleende uitstel. Belanghebbende stelt kort gezegd dat het niet tijdig indienen van de aangifte het gevolg is van een dispuut tussen hem en zijn voormalige adviseur. Dit dispuut betrof evenwel onder andere de afwikkeling van de aangifte IB/PH 2004. Gelet hierop en het feit dat belanghebbende op de hoogte was van het voor de aangifte IB/PH 2004 verleende uitstel kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat belanghebbende ter zake van de te late indiening van zijn aangifte geen enkel verwijt treft. Dat belanghebbende meende recht te hebben op afwikkeling van de dienstverlening door de voormalige adviseur doet hier niet aan af. Er is geen sprake van AVAS bij belanghebbende zodat, gelet op het overwogene onder 2.1 en 2.2 en het bepaalde in artikel 67a van de AWR, terecht een verzuimboete is opgelegd. De rechtbank acht een boete van € 567 passend en geboden.

2.7. Belanghebbendes stelling dat hij aan de mededeling in de brief van de inspecteur

van 1 december 2006 inhoudende dat voor het indienen van de aangifte IB/PH geen verder uitstel meer zou worden verleend het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat over het ontlopen van de verzuimboete met de inspecteur geen nadere afspraken waren te maken, wat daar ook van zij, kan belanghebbende niet baten. Belanghebbende was op de hoogte van het voor de indiening van de aangifte IB/PH over het jaar 2004 verleende uitstel. Dat hij ervoor heeft gekozen om met betrekking tot de indiening van de aangifte niet te trachten tot nadere afspraken met de inspecteur te komen, dient voor zijn rekening te blijven. Een afspraak die niet is gemaakt, daargelaten of dit ten onrechte is of niet, kan het onderhavige verzuim niet wegnemen. Ook belanghebbendes stelling dat hij erop mocht vertrouwen dat zijn voormalige adviseur tot het beëindigen van het tussen hen levende dispuut zou verzoeken om uitstel van de aangifte IB/PH over 2004 kan hem niet baten. Dit omdat de omstandigheden waar belanghebbende zich in dit kader op beroept niet zijn gelegen in de relatie tussen belanghebbende en de inspecteur, maar in de relatie tussen de inspecteur en de voormalig adviseur en/of belanghebbende en de voormalig adviseur (vergelijk Hoge Raad 14 juli 2000, nr. 35 549, onder meer gepubliceerd in BNB 2000/343).

2.8. Belanghebbende heeft nog gesteld dat het horen in strijd met artikel 7:5 van de Awb heeft plaatsgevonden nu de heer Geomini zowel bij de voorbereiding van het besluit als bij het hoorgesprek betrokken is geweest. Vast staat dat de heer Geomini betrokken is geweest bij het hoorgesprek. De inspecteur heeft evenwel gemotiveerd en met stukken onderbouwd weersproken dat de heer Geomini betrokken is geweest bij het opleggen van de onderhavige boete. Belanghebbende heeft zijn stelling niet aannemelijk gemaakt.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2008 door mr. M. van Kempen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.