Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BF0029

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
08-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/4293
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 19 augustus 2003 heeft belanghebbende haar akkerbouwbedrijf verkocht. Uit de koopovereenkomst volgt voor belanghebbende en de koper de plicht mee te werken aan het verlijden van de akte van levering vóór of uiterlijk op 1 december 2003. Bij de verkoop is door iemand bemiddeld. Deze persoon en de koper hebben afspraken gemaakt over de verpachting van het bedrijf en een gebruiksovereenkomst gesloten met als ingangsdatum 1 januari 2004. In november 2003 heeft de bemiddelaar de akkerbouwgrond feitelijk in gebruik genomen. In de maanden augustus tot november van het jaar 2003 is er voor de laatste keer voor rekening van belanghebbende geoogst. De koper heeft aan het verlijden van de akte van levering vóór 1 december 2003 geen medewerking verleend. Op 12 juli 2004 heeft de levering alsnog plaatsgevonden. Hierbij is naast de koopsom een dwangsom en een rentevergoeding betaald. In geschil is of deze dwangsom en rente zijn belast als winst uit onderneming .

De rechtbank overweegt dat de tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming in de regel

verplicht tot het privé-vermogen behoort. Dit is slechts anders indien een gerede kans aanwezig is dat de exploitatie van de onderneming in de toekomst weer voor rekening van de verkoper zal geschieden.

Gelet op de feiten is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende haar onderneming in 2003 heeft gestaakt. Dat het risico ten aanzien van de verkochte onroerende zaken eerst bij ondertekening van de notariële akte van levering is overgegaan en de akte eerst in 2004 is gepasseerd doet daar niet aan af. De inspecteur is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er op 19 augustus 2003 een gerede kans aanwezig was dat de onderneming weer bij belanghebbende terug zou keren. De vordering ter zake van de koopsom behoort tot het privé-vermogen. De rente is geen winst uit onderneming. Ook de vordering die verband houdt met de dwangsom behoort tot belanghebbendes privé-vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/51.3.1
FutD 2008-1901
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/4293

Uitspraakdatum: 11 juli 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 10 september 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 384.785 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 50.077.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2008 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigden,

alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot naar een berekend naar een een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.251 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 102.199.

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 406,50, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan haar vergoedt.

2. Gronden

2.1. Op 19 augustus 2003 heeft belanghebbende haar akkerbouwbedrijf bestaande uit woonhuis met bedrijfsgebouwen en ondergrond verkocht aan [koper] voor een bedrag van € 3.584.863,70. In de koopovereenkomst hebben belanghebbende en [koper] zich over en weer verplicht om mee te werken aan het verlijden van de akte van levering vóór of uiterlijk op 1 december 2003. De koopsom zou worden voldaan bij het ondertekenen van de akte van levering. Bij voornoemde verkoop is bemiddeld door [de heer]. [koper] en [de heer] hebben afspraken gemaakt over de verpachting van het bedrijf door [koper] aan [de heer]. Zij hebben een gebruiksovereenkomst gesloten met als ingangsdatum 1 januari 2004. In november 2003 heeft [de heer] de akkerbouwgrond feitelijk in gebruik genomen. In de periode november/december heeft hij mest uitgereden op het land. In de maanden augustus tot november van het jaar 2003 is er voor de laatste keer voor rekening van belanghebbende geoogst. Op 1 januari 2004 diende belanghebbende de boerderij te hebben verlaten. Per 1 maart 2004 diende zij het woonhuis te verlaten.

2.2.1. [koper] heeft aan het verlijden van de akte van levering vóór 1 december 2003 geen medewerking verleend.

2.2.2. Bij verstekvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2003 is [koper] veroordeeld tot nakoming van de onder 2.1 genoemde overeenkomst. Hierbij is hij veroordeeld om uiterlijk op 1 december 2003 de koopsom te betalen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2003 tot de dag der algehele voldoening, alsmede om de onroerende zaak uiterlijk 1 december 2003 af te nemen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 4.000 per dag met een maximum van € 400.000.

2.2.3. De vordering van [koper] om belanghebbende te beletten voornoemd vonnis ten uitvoer te leggen is door rechtbank Rotterdam op 6 april 2004 afgewezen.

2.2.4. Op 12 juli 2004 heeft de levering plaatsgevonden. Hierbij is naast de koopsom een dwangsom ad € 350.000 en een rentevergoeding ad € 198.208,70 betaald.

2.3. Over het jaar 2003 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.329. Belanghebbende heeft in 2003 stakingswinst verantwoord. In de aangifte is een bedrag van € 25.776 aan rente die werd ontvangen van [koper] als winst verantwoord. In verband met de onder 2.2.4 genoemde dwangsom en rente heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning over 2003 vastgesteld op € 211.417. Bij de bestreden uitspraak is het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 202.729.

2.4. Over het jaar 2004 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.254 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 102.199. In verband met de onder 2.2.4 genoemde dwangsom en rente heeft de inspecteur over 2004 het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 384.785 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 50.077. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar is de aanslag gehandhaafd.

2.5. In geschil is het antwoord op de vraag of de onder 2.4 genoemde correcties terecht zijn. De inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt dat de dwangsom en rente tot belanghebbendes winst behoren. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend.

2.6. De tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming behoort in de regel

verplicht tot het privé-vermogen. Dit geldt ook indien de koopsom in termijnen moet worden betaald en aan de kredietwaardigheid van de koper kan worden getwijfeld, aangezien dit een omstandigheid is waarmee de verkoper bij de waardering van zijn vordering op de koper rekening dient te houden. Het voorgaande is slechts anders indien een gerede kans aanwezig is dat ten gevolge van bijzondere bij de verkoop gemaakte en met de betaling verband houdende bedingen de exploitatie van de onderneming in de toekomst weer voor rekening van de verkoper zal geschieden (vergelijk Hoge Raad 2 april 2004, nr. 38 832, onder meer gepubliceerd in BNB 2004/227). Het moment voor het beoordelen van deze gerede kans is het moment van het sluiten van de koopovereenkomst (vergelijk Hoge Raad 23 maart 1983 nr. 21 616, onder meer gepubliceerd in BNB 1983/230).

2.7. Gelet op de onder 2.1 en 2.2.2 vermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende haar akkerbouwbedrijf in ieder geval vóór 1 december 2003 heeft beëindigd. Belanghebbende heeft haar onderneming reeds in 2003 gestaakt. De rechtbank hecht hierbij tevens belang aan de wil van belanghebbende, welke tevens blijkt uit het feit dat belanghebbende via rechterlijke tussenkomst nakoming van de koopovereenkomst heeft gevorderd. Ter zitting heeft belanghebbende in het kader van de verkoop aan [koper] op 19 augustus 2003 hierover nog verklaard, en de inspecteur heeft erkend, dat zij absoluut wilde stoppen met het bedrijf en dat zij klaar was met het bedrijf. Dat het risico ten aanzien van de verkochte onroerende zaken eerst bij ondertekening van de notariële akte van levering van op [koper] overgaat en deze akte eerst op 12 juli 2004 is gepasseerd doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af.

2.8. De inspecteur is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er op 19 augustus 2003 een gerede kans aanwezig was dat de onderneming weer bij belanghebbende terug zou keren. [koper] heeft weliswaar kort na het sluiten van de overeenkomst schriftelijk aangegeven van de koop af te willen zien, maar dit is niet gehonoreerd. Uit de koopovereenkomst volgt ook dat [koper] de onderneming op 19 augustus 2003 onvoorwaardelijk van belanghebbende heeft gekocht. De koopovereenkomst is niet ontbonden en bij verstekvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2003 is [koper] veroordeeld tot nakoming van de overeenkomst. Van bijzondere bij de verkoop gemaakte en met de betaling verband houdende bedingen is niets gebleken. Dat [koper] in juli 2004 onder curatele is gesteld maakt voorgaande conclusie niet anders.

2.9. Gelet op het overwogene onder 2.8 hoort de vordering die belanghebbende ter zake van de koopsom op [koper] heeft verkregen in 2003 en 2004 tot haar privé-vermogen. De rente die belanghebbende ter zake van deze vordering heeft ontvangen, behoort dan ook niet tot belanghebbendes winst uit onderneming. Ook de vordering die verband houdt met de dwangsom die aan [koper] is opgelegd, behoort naar het oordeel van de rechtbank in 2003 en 2004 tot belanghebbendes privé-vermogen. Deze houdt immers verband met de vordering betreffende de koopsom, nu de koopsom betrekking heeft op de onroerende zaken en de dwangsom verband houdt met het (niet) verlenen van medewerking aan de juridische levering van deze onroerende zaken.

2.10. Gelet op het voorgaande dient de in geschil zijnde vraag ontkennend te worden beantwoord en is het gelijk aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil dat de aanslag moet worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.251 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 102.199.

2.11. Gelet op al het vorenoverwogene is beslist als voormeld.

3. Proceskosten

3.1. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn in de twee samenhangende zaken met nummer 07/4292 en 07/4293 op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ad € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 05 punt voor het indienen van de conclusie van repliek en 1 punt voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1), waarvan de helft of € 402,50 voor de onderhavige zaak.

3.2. Voor de overige door belanghebbende gemaakte proceskosten, te weten de reiskosten van belanghebbende zelf, wordt de inspecteur, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 8, waarvan wederom de helft of € 4 voor de onderhavige zaak.

Deze uitspraak is gedaan op 11 juli 2008 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.