Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BF0023

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
08-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/1165
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM3520, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat een emissie van gewone aandelen een belastbaar feit voor de kapitaalsbelasting vormt, ook als daarmee de inkoop van cumulatief preferente aandelen ten dele wordt gefinancierd. Dat er nauwe samenhang bestaat tussen beide transacties doet hier niet aan af, nu sprake is van versterking van het economisch potentieel (hoe tijdelijk ook) en geen van de in de jurisprudentie ontwikkelde uitzonderingen (omwisseling, wederverkoop en beleggingsmaatschappijen met een veranderlijk kapitaal) zich voordoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/48.2.5
FutD 2008-1861
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1165

Uitspraakdatum: 10 juli 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] N.V. gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres en verweerder worden belanghebbende en inspecteur genoemd.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 12 februari 2007 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslagen kapitaalsbelasting van 10 augustus 2006 en 13 oktober 2006 ter zake van de aandelenemissie op 31 maart 2005.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2008 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende belanghebbendes gemachtigden en de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Op 23 februari 2005 heeft belanghebbende bij persbericht aangekondigd voornemens te zijn om alle preferente aandelen C (hierna: prefs C) in het kapitaal van belanghebbende in te kopen. De prefs C waren alle in handen van twee investeringsmaatschappijen. Voor deze inkoop was een bedrag van in totaal $ 520.000.000 benodigd.

2.2. Belanghebbende heeft het bedrag van $ 520.000.000 bijeengebracht door middel van:

1. een aandelenemissie waarbij voor een bedrag van € 250.423.198 aan gewone aandelen in het kapitaal van belanghebbende is uitgegeven (hierna: de emissie);

2. het aangaan van een obligatielening tot een bedrag van circa € 150.000.000;

3. het benutten van beschikbare liquide middelen voor het overige.

De voorgenomen inkoop zou alleen plaatsvinden als vooraf duidelijk zou zijn dat bovengenoemde transacties tot de beoogde bedragen zouden slagen en de financiering van de inkoop derhalve vooraf zeker gesteld was. De verstrekking van de obligatielening was bovendien afhankelijk van het welslagen van de aandelenemissie en andersom. Zou één van de transacties niet slagen, dan zouden de andere transacties, evenals de voorgenomen inkoop, geen doorgang vinden dan wel terug gedraaid worden. Geen van die omstandigheden heeft zich echter voorgedaan. De uitgifte van het schuldpapier van de obligatielening heeft plaatsgevonden op 2 maart 2005 en de emissie is op 31 maart 2005 geëffectueerd.

2.3. Ter zake van de emissie heeft de inspecteur met dagtekening 10 augustus 2006 een naheffingsaanslag kapitaalsbelasting opgelegd tot een bedrag van € 1.377. Na door belanghebbende te zijn gewezen op een kennelijke tikfout heeft de inspecteur met dagtekening 13 oktober 2006 de tweede naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag van € 1.357.951. In totaal is aldus een bedrag van € 1.377.328 nageheven, zijnde 0,55% van € 250.423.198. Partijen zijn overeengekomen dat de uitspraken op bezwaar betreffende de naheffingsaanslagen in één geschrift zouden worden vervat. Op verzoek van partijen worden de beroepschriften tegen de uitspraken op bezwaar als één beroepsprocedure behandeld.

2.4. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de navolgende vragen:

1. Heeft de inspecteur ter zake van de emissie terecht kapitaalsbelasting nageheven?

2. Heeft de inspecteur de heffingsgrondslag juist bepaald?

De emissie

2.5. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet) wordt op het tijdstip van de emissie onder de naam kapitaalsbelasting een belasting geheven ter zake van het bijeenbrengen van in aandelen verdeeld kapitaal in in Nederland gevestigde lichamen. Van bijeenbrengen van in aandelen verdeeld kapitaal was sprake op 31 maart 2005, het tijdstip van de emissie door belanghebbende. Op grond van artikel 4 van Richtlijn 69/335/EG (hierna: de Richtlijn) geeft een verrichting zoals de emissie door belanghebbende aanleiding tot heffing van kapitaalrecht indien die verrichting het economisch potentieel van de begunstigde vennootschap versterkt.

2.6. Anders dan belanghebbende betoogt, is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval sprake van versterking van het economisch potentieel van belanghebbende. Tussen partijen is niet in geschil dat het door de emissie beschikbaar gekomen kapitaal nagenoeg onmiddellijk na de emissie volledig is aangewend voor de inkoop van de prefs C en dat sprake is van een zeker verband tussen de emissie en de inkoop. Belanghebbendes conclusie, dat deze samenhang ertoe leidt dat geen sprake is van versterking van het economisch potentieel, is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. De samenhang tussen de emissie en de inkoop, wat daar ook van zij, neemt niet weg dat het eigen vermogen van belanghebbende op enig moment is toegenomen en dat het bijeengebrachte kapitaal ook op enig moment, hoe kort ook, aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan. Voor belanghebbendes economische benadering van het belastbare feit in de kapitaalsbelasting is geen aanknopingspunt te vinden, noch in de Wet, noch in de Richtlijn of de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Zie in dit verband ook rechtsoverweging 5.3 van Hof ’s-Gravenhage van 6 mei 1999, nr. 96/2942, VN 1999/56.3.3, welke uitspraak door de Hoge Raad is bevestigd in het arrest van 27 september 2000, nr. 35 400, BNB 2000/364.

2.7. De in de jurisprudentie ontwikkelde uitzonderingsbepalingen voor omwisseling, wederverkoop en beleggingsmaatschappijen met veranderlijk kapitaal doen zich in het geval van belanghebbende niet voor. De uit de gedingstukken blijkende feiten en omstandigheden geven ook voorts geen aanleiding om de bestaande bepalingen voor uitzonderingssituaties verder op te rekken. Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd brengt hierin geen verandering. Het gelijk met betrekking tot de eerste vraag is daarom aan de zijde van de inspecteur.

De heffingsgrondslag

2.8. Krachtens artikel 35, eerste lid, van de Wet is kapitaalsbelasting verschuldigd over de waarde van de in het kader van de inbreng overgedragen goederen verminderd met de door het lichaam op zich genomen verplichtingen. Onder verplichtingen dienen in dit verband onder meer te worden verstaan schulden van de inbrenger die het lichaam heeft overgenomen. Ook door het lichaam aan de inbrenger toegekende crediteursrechten vormen aftrekbare verplichtingen, tenzij sprake is van een informele kapitaalinbreng.

2.9. De inkoop van de prefs C is, anders dan belanghebbende betoogt, geen door haar op zich genomen verplichting die de heffingsgrondslag vermindert. De verplichting jegens de afnemers van de geëmitteerde aandelen om het bijeengebrachte kapitaal voor bepaalde doeleinden aan te wenden vormt een toezegging van de zijde van belanghebbende, niet een reeds bestaande verplichting van de afnemers van de geëmitteerde aandelen die door belanghebbende is overgenomen. Nu van overige verplichtingen niets is gesteld of gebleken, is de grondslag voor de naheffingsaanslagen terecht gesteld op het totale bedrag van het bij de emissie bijeengebrachte kapitaal. Het gelijk met betrekking tot de tweede vraag is dus aan de zijde van de inspecteur.

Conclusie

2.10. Het bovenstaande brengt mee dat de heffing ter zake van de emissie terecht en op basis van de juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Derhalve is het beroep ongegrond verklaard.

2.11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 10 juli 2008 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. M.L. Weerkamp en mr. drs. G.H.C. Blommers, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dondorp-Loopstra, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.