Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BE9426

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
28-08-2008
Zaaknummer
994947-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OVAR omdat aannemelijk is dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid tav de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedraging.

Vrijspraak voor het opzettelijk lozen van afvalwater omdat verdachte niet doelbewust heeft geloosd. Verdachte had namelijk maatregelen genomen om overschrijding van de vergunde waarden te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 994947-06

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 27 augustus 2008

in de strafzaak tegen

Shell Nederland Chemie B.V.

gevestigd te 3196 KK Rotterdam, Vondelingenweg 601

raadslieden mrs. Schmelzer en Fibbe, advocaten te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 augustus 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Koopmans, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

ten aanzien van feit 1

een ongewoon voorval in haar inrichting, te weten een emissie van etheenoxide, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, opzettelijk niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld bij het bevoegde bestuursorgaan,

ten aanzien van feit 2

zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een voorschrift van de aan haar verleende vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,

ten aanzien van feit 3

zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift van de aan haar verleende vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moet worden voor zover het betreft de niet opzettelijke variant van hetgeen de verdachte is tenlastegelegd.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Verdachte is tenlastegelegd dat zij al dan niet opzettelijk artikel 30a van de Wet verontreiniging oppervlakte-wateren heeft overtreden. Voor zover dit opzettelijk is begaan, is ingevolge artikel 2 van de Wet op de economische delicten sprake van een misdrijf, in de niet opzettelijke variant is sprake van een overtreding.

Artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde tot 1 februari 2008 dat het recht tot strafvordering voor overtredingen in twee jaren vervalt. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Onder feit 2 is de verdachte tenlastegelegd dat zij op 17 augustus 2004 de Wet verontreiniging oppervlaktewateren zou hebben overtreden. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat, voor zover het betreft de niet opzettelijke variant, het recht op strafvordering inmiddels is verjaard zodat de officier van justitie in zoverre niet-ontvankelijk verklaard zal worden.

Ten aanzien van het overige is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsoverwegingen

feit 1

Verdachte wordt verweten dat zij op 31 maart 2004 een ongewoon voorval in haar bedrijf niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld bij het bevoegde bestuursorgaan, de provincie.

Op 31 maart 2004 heeft op het bedrijf van verdachte een procesverstoring plaatsgehad tijdens de opstart van MEOD in de MEOD-fabriek. Gedurende deze opstart heeft een emissie van etheenoxide plaatsgevonden naar de atmosfeer . Eerst tijdens het kwartaaloverleg op 1 juli 2004 met de afdeling Waterstaat, Milieu en Vervoer van de provincie Noord-Brabant is de provincie op de hoogte gebracht van de procesverstoring en de emissie van etheenoxide. Bij brief van 8 juli 2004 heeft verdachte deze emissie schriftelijk bevestigd .

Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van verdachte, de heer [een medewerker], verklaard dat dit een ongewoon voorval is als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet Milieubeheer en heeft hij erkend dat is nagelaten dit voorval zo spoedig mogelijk te melden bij de provincie. Desgevraagd heeft de raadsman ter zitting uitdrukkelijk aangegeven dat door verdachte opzettelijk is nagelaten dit voorval onverwijld te melden.

De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

feiten 2 en 3

Door het dagelijks bestuur van Hoogheemraadschap van West-Brabant is aan verdachte vergunning verleend voor het lozen van afvalwater via de Afvalwaterpersleiding voor westelijk Noord-Brabant op de rioolwaterzuiveringsinstallatie Bath. Aan die vergunning zijn voorschriften verbonden. In voorschrift 4.1 is bepaald dat tijdens continue operatie het gehalte van Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (P.A.K.) niet meer mag bedragen dan 3 kg/etmaal.

Verdachte wordt verweten dat zij op 17 augustus 2004 en op 6 september 2004 heeft gehandeld in strijd met voorschrift 4.1 van de aan haar verleende vergunning.

Uit het proces-verbaal van het Waterschap Brabantse Delta van verbalisant [naam verbalisant] blijkt dat bij laboratoriumanalyse werd vastgesteld dat in het etmaalmonster van 18 augustus 2004 een P.A.K.-gehalte is waargenomen van 21.952 kg/etmaal en op 6 september 2004 een P.A.K.-gehalte van 7,286 kg/etmaal.

Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van verdachte, de heer [medewerker 2], erkend dat op 18 augustus 2004 het gehalte aan P.A.K. 21,9 kg/etmaal bedroeg en dat het P.AK.-gehalte op 6 september 7,3 kg/etmaal bedroeg.

Op grond hiervan kan vastgesteld worden dat tweemaal sprake is geweest van een overschrijding van de P.A.K.-gehaltes.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte welbewust heeft geloosd en dat daarbij opzettelijk de lozingsnormen zijn overschreden. Volgens de officier van justitie komt uit het dossier naar voren dat sprake is van onvoldoende oplettendheid van verschillende medewerkers en een gebrekkige installatie, dan wel een gebrekkig ontwerp van die installatie. Van een bedrijf als dat van verdachte mag verwacht worden dat ter voorkoming van dit soort incidenten drempels en waarschuwingen worden ingebouwd in de productieprocessen binnen de inrichting, teneinde eventuele fouten te herkennen en onderkennen en op die manier in staat te zijn de gevolgen van die fouten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. Volgens de officier van justitie ontbreken dergelijke waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen in het bedrijf van verdachte waardoor verdachte zich blootstelt aan de geenszins denkbeeldige kans dat zich incidenten kunnen voordoen met alle gevolgen van dien voor het milieu en of de gezondheid.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van opzettelijk handelen. Daartoe is het volgende aangevoerd. Het afvalwater wordt via de afvalwaterpersleiding geloosd op de zuiveringsinstallatie van het Waterschap Brabantse Delta te Bath. Voordat het water wordt geloosd zuivert verdachte het water voor. De olie wordt in de slopstanks van het water gescheiden en de olie wordt door middel van een afroominstallatie verwijderd. Als een overschrijding van vergunde waarden dreigt, vangt verdachte het afvalwater op in buffertanks. De voorzuivering van het afvalwater en de controle op die voorzuivering vinden plaats om te bewerkstelligen dat geen afvalwater naar de afvalwaterzuivering in Bath wordt afgevoerd met waarden hoger dan vergund.

Gesteld wordt dat verdachte er alles aan heeft gedaan om een overschrijding van de vergunning te voorkomen. Toen zij naar aanleiding van een voorval op 12 augustus 2004 constateerde dat een verhoogde hoeveelheid P.A.K.’s in het interne riool terecht was gekomen, heeft verdachte meteen maatregelen getroffen. De afvoer naar het Waterschap werd afgesloten en de waterbuffertanks werden ingeschakeld. De getroffen maatregelen bleken effectief. De inhoud van één van de buffertanks werd afgevoerd door ATM.

Op 16 augustus 2004 heeft verdachte het Waterschap om een gedoogbeschikking verzocht waarna deze is verleend met dien verstande dat de vracht P.A.K. maximaal 6 kilogram per etmaal mocht bedragen.

Meteen daarna is verdachte gecontroleerd gaan lozen. De dagen voorafgaand aan de lozing op 18 augustus 2004 is op basis van etmaalmonsters en steekmonsters uit de buffertank steeds bekeken of er ruimte was om water uit de buffertanks te lozen. Daarbij werd steeds een marge in acht genomen. Diezelfde procedure werd in acht genomen bij de lozing op 6

september 2004. Steeds werd berekend dat niet meer dan 5 kilogram P.A.K.’s geloosd werden, ruim binnen de vergunde norm van 6 kg. De marge werd aangehouden om de kleine kans uit te sluiten dat eventuele plotselinge, onverwachte verhogingen van het P.A.K.-gehalte zouden leiden tot overschrijving van de vergunde P.A.K.-waarden. Daarnaast is na de overschrijding op 18 augustus de onderlaag uit de buffertank via ATM afgevoerd (omdat dit de mogelijke oorzaak was) en zijn sindsdien dagelijks extra monsters genomen.

Geconcludeerd wordt dat uitgegaan mocht worden van de homogeniteit van de massa in de tanks en dat derhalve ook uitgegaan mocht worden van de resultaten van de genomen monsters.

Uit de vele getroffen maatregelen blijkt dat verdachte beoogd heeft overschrijding van de vergunde waarden te voorkomen. Van aanvaarding van enige kans op overschrijding is geen sprake, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat verdachte doelbewust te veel P.A.K.’s heeft geloosd. De vraag is of -zoals de officier van justitie heeft gesteld- sprake is van voorwaardelijk opzet.

Zoals de Hoge Raad al diverse malen heeft overwogen is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Vast staat dat door verdachte bewust afvalwater met P.A.K.’s is geloosd. Verdachte was zich bewust van het risico dat daardoor de lozingsnormen zouden kunnen worden overschreden Dat betekent nog niet dat verdachte daarmee ook bewust de aanmerkelijke kans op overschrijding van de P.A.K.-waarden op de koop toe heeft genomen.

Na het voorval op 12 augustus 2004 heeft verdachte een pakket aan maatregelen getroffen om te voorkomen dat de vergunde waarden zouden worden overschreden. Het verontreinigde water is opgeslagen in buffertanks en daarna gecontroleerd geloosd Gezien de daartoe getroffen maatregelen, zoals die door de verdediging zijn genoemd, staat voor de rechtbank vast dat verdachte haar best heeft gedaan om overschrijding van de vergunde P.A.K.-waarde te voorkomen. Uit de enkele omstandigheid dat desondanks te veel P.A.K.’s zijn geloosd kan niet worden afgeleid dat sprake was van aanvaarding van een aanmerkelijke kans daarop.

De officier van justitie heeft gesteld dat sprake is geweest van miscommunicatie, misinterpretatie en te snel en te lang drainen. Dit betrof echter het voorval op 12 augustus. Uit niets blijkt dat ook op 18 augustus en 6 september hiervan sprake is geweest. Ook is niet gebleken dat verdachte heeft nagelaten bepaalde maatregelen te treffen om overschrijding te voorkomen. Daarbij wijst de rechtbank op de verklaring van de deskundige Noordhoek bij de rechter-commissaris.

Uit dit alles volgt dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg, te weten het lozen van te veel P.A.K.’s , zou intreden.

Ook van voorwaardelijk opzet kan derhalve niet gesproken worden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk voorschrift 4.1 van de haar verleende vergunning heeft overtreden. Zij zal verdachte dan ook van de feiten 2 en 3 vrijspreken.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Op 31 maart 2004 te Moerdijk als degene die aan de Chemieweg

25 een inrichting, als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, dreef,

waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet

voordeed of had voorgedaan, te weten een emissie van etheenoxide, opzettelijk

dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd was

een vergunning krachtens artikel 8.1 van voornoemde wet voor een inrichting te

verlenen, heeft gemeld.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5.2 De strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting is door de verdediging verzocht verdachte voor feit 1 te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daartoe is gesteld dat niet alleen zij maar ook de provincie verontschuldigbaar dwaalde.

Aangevoerd is dat, uitgaande van de definitie van ongewoon voorval, voorschrift 1.7.1. van de milieuvergunning buiten toepassing gelaten had moeten worden. Er was immers sprake van een gebeurtenis die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten. Inschatting van een emissie in hoeveelheden is in het kader van het doen van een melding aan de provincie op de voet van artikel 17.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet aan de orde. Verdachte had het voorval daarom niet, aan de hand van het door haar vastgestelde en door de provincie goedgekeurde Meldschema, moeten classificeren maar zij had moeten handelen op grond van de wet. Verdachte had over moeten gaan tot een zo spoedig mogelijke melding.

Verdachte heeft gedwaald toen zij ervan uitging dat zij de aard van het voorval diende te toetsen aan het Meldschema en toen zij de uitkomst van het Meldschema maatgevend achtte voor het tijdstip van het doen van een melding aan de provincie. Ook de provincie heeft het Meldschema beschouwd als invulling van artikel 17.2 van de Wet milieubeheer.

Geconcludeerd wordt dat sprake is van verontschuldigbare rechtsdwaling hetgeen naar de mening van de verdediging dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte, mede als gevolg van de houding van het bevoegd gezag, mogelijk in de veronderstelling verkeerde dat het Meldschema een systeem was volgens welke de regeling van ongewone voorvallen aan het bevoegd gezag gemeld diende te worden, en daarmee heeft gedwaald, maar dat die dwaling allesbehalve verontschuldigbaar was. Immers, zo stelt de officier van justitie, als men gewoon de vergunning, alsmede de wettelijke regeling er op na had geslagen, had men eenvoudig kunnen vaststellen dat de vergunningvoorschriften 1.7.1 en 1.7.2 geen betrekking hadden of konden hebben op de ongewone voorvallen zoals bedoeld in artikel 17.1 en 17.2 van de Wet milieubeheer. Het is volgens de officier van justitie gerechtvaardigd te veronderstellen dat een dergelijke handelwijze van een wereldwijd opererende multinational met een uitgebreide juridische afdeling, kan en mag worden verwacht.

Verzocht is het verweer van de verdediging te verwerpen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Zoals de Hoge Raad onlangs nog heeft overwogen (zie onder meer Hoge Raad, 26 februari 2008, NJ 2008, 148) moet vooropgesteld worden dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde feit, vereist is dat aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen.

Bij de beoordeling hiervan gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals die uit het dossier blijken.

Bij besluit van 22 april 2003 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant aan verdachte een milieuvergunning verleend. Daarbij is onder meer het volgende voorschrift gesteld:

“(…) 1.7.1

Indien zich binnen de inrichting een ongewoon voorval voordoet anders dan bedoeld in artikel 17.1 Wet milieubeheer dient hiervan terstond mededeling te worden gedaan aan de Milieuklachtencentrale van de provincie Noord-Brabant (….)”

Door verdachte is hiervoor een classificatiesysteem opgesteld om de zwaarte van incidenten te bepalen en de hierbij behorende meldingssystematiek. Uitdrukkelijk is in de overwegingen die geleid hebben tot de milieuvergunning aangegeven dat dit systeem de goedkeuring van de provincie heeft en dat het classificatiesysteem een praktische uitwerking van het voorschrift is. Door de vertegenwoordiger van verdachte is ter zitting verklaard dat het verschil tussen voorschrift 1.7.1 en artikel 17.2 Wm tijdens overleggen met de provincie nooit aan de orde is gekomen.

Het classificatiesysteem is getiteld “classificatie milieu-incidenten”. Dit classificatiesysteem is naar het oordeel van de rechtbank kennelijk bedoeld als allesomvattend. Alle milieu-incidenten binnen het bedrijf van verdachte werden beoordeeld aan de hand van dit classificatiesysteem. Dit had ook de uitdrukkelijke instemming van de provincie.

Het onderhavige incident is door verdachte geclassificeerd als een “C-incident” hetgeen betekent dat een dergelijk incident in het kwartaaloverleg met de provincie gemeld moet worden. Op 1 juli 2004 is het onderhavige incident gemeld in het kwartaaloverleg met de provincie. Vast staat echter dat het ongewone voorval op grond van artikel 17.2 Wm zo spoedig mogelijk had moeten worden gemeld.

In een brief van 26 oktober 2004 van Gedeputeerde Staten van de provincie aan verdachte is vervolgens het volgende bericht:

“meldingsplicht

(….) Uit het vorenstaande blijkt dat het incident op 31 maart 2004 heeft plaatsgevonden en dat u ons tijdens het kwartaaloverleg op 1 juli 2004 hiervan op de hoogte heeft gebracht. Op 8 juli 2004 heeft u het incident schriftelijk aan ons bevestigd.

Om na te gaan of u bij de afwikkeling van het voornoemde etheenoxide-incident voldaan hebt aan de verplichtingen voortvloeiende uit hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer is door een provinciaal handhavingsteam bestaande uit medewerkers van vergunningverlening en handhaving een onderzoek ingesteld.

(….)

In voorschrift 1.7.1. van deze milieuvergunning is vastgelegd dat indien zich een ongewoon voorval voordoet - anders dan bedoeld in artikel 17.1 Wet milieubeheer - hiervan terstond mededeling moet worden gedaan aan de Milieuklachtencentrale van onze provincie. De mededeling dient onverwijld schriftelijk te worden bevestigd. Eveneens dienen omringende bedrijven, waarvoor genoemde gevolgen van belang zouden kunnen zijn, onverwijld te worden geïnformeerd.

Door Shell is hiervoor een classificatiesysteem van milieu-incidenten opgesteld om de zwaarte van incidenten te bepalen en de hierbij behorende meldingssystematiek. Wij hebben ingestemd met dit systeem. Het classificatiesysteem is een praktische uitwerking van bovengenoemd voorschrift.

Uit uw melding van 8 juli 2004 blijkt dat de hoeveelheid vrijgekomen etheenoxide direct na afloop van het incident door u ingeschat werd op enkele tientallen kilogrammen.

Op grond van het vigerende classificatiesysteem milieu-incidenten (revisie juli 2003) heeft u het voorval als een C-incident geclassificeerd en de provincie hiervan -overeenkomstig het classificatiesysteem- tijdens het kwartaaloverleg in kennis gesteld.

(….)

Uit vorenstaande concluderen wij - met u - dat u met betrekking tot de meldingsplicht heeft gehandeld overeenkomstig voorschrift 1.7.1 van de vigerende Wet milieubeheervergunning.

(….)”

De stelling van de verdediging dat ook de provincie dwaalde is, gelet op de hiervoor aangehaalde brief juist. De rechtbank is gebleken dat verdachte jaren heeft gehandeld volgens het door de provincie goedgekeurde classificatiesysteem. Voor de rechtbank staat dan ook vast dat sprake was van rechtsdwaling bij verdachte.

De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld of verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald.

Het bevoegd gezag, Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, heeft bij de goedkeuring van het allesomvattende classificatiesysteem niet onderkend dat verdachte op grond van artikel 17.2 Wm verplicht was en bleef zo spoedig mogelijk melding te maken van een ongewoon voorval als het onderhavige en heeft door de goedkeuring en de tekst van het besluit van 22 april 2003 bij verdachte kennelijk de onjuiste indruk gewekt dat het classificatiesysteem maatgevend was voor het tijdstip van melding bij de provincie. Dat de provincie hiervan eveneens is uitgegaan blijkt onmiskenbaar uit haar hiervoor genoemde brief van 26 oktober 2004. De rechtbank is van oordeel dat van de provincie verwacht had mogen worden dat zij op de hoogte was van de relevante regelgeving.

Rest de vraag of verdachte mocht vertrouwen dat het classificatiesysteem maatgevend was.

De rechtbank is enerzijds met de officier van justitie van oordeel dat van een groot, multinationaal chemisch bedrijf als verdachte - meer dan van een gemiddeld bedrijf - mag worden verwacht dat zij de nodige inspanningen aan de dag legt om zich te (laten) informeren over de relevante regelgeving. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich heeft gebaseerd op informatie van een gezaghebbende informatiebron, namelijk het bevoegd gezag, en dat verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van die informatie mocht vertrouwen. Daarbij heeft de rechtbank laten wegen dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor de veronderstelling dat verdachte op grond van haar ervaringen met de Wet milieubeheer elders in Nederland beter wist.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedraging. Verdachte is daarom niet strafbaar voor het bewezenverklaarde feit en dit dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

6 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het onder feit 2 tenlastegelegde voor zover het een overtreding betreft;

- verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1: overtreding van artikel 17.2 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde feit 1 en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. Breeman, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. De Graaf, rechters, in tegenwoordigheid van Van den Goorbergh, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 augustus 2008.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

zij op of omstreeks 31 maart 2004 te Moerdijk als degene die aan de Chemieweg

25 een inrichting, als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, dreef,

waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet

voordeed of had voorgedaan, te weten een emissie van etheenoxide, opzettelijk

dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd was

een vergunning krachtens artikel 8.1 van voornoemde wet voor een inrichting te

verlenen, heeft gemeld;

art 17.2 lid 1 Wet milieubeheer

2.

zij op of omstreeks 17 augustus 2004 te Moerdijk, terwijl aan haar door of

namens dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap van West-Brabant, op 12

december 1995, onder nummer 46447, een vergunning op grond van de Wet

verontreiniging oppervlaktewateren was verleend, al dan niet opzettelijk zich

heeft gedragen in strijd met één of meer aan voornoemde vergunning verbonden

voorschriften, immers bedroeg het gehalte aan Polycyclische aromatische

koolwaterstoffen (P.A,K.'s) tijdens continue operatie in een

volumeproportioneel etmaalmonster ter plaatse van lozingspunt 1 ongeveer 21,9

kg/etmaal, in elk geval meer dan 3 kg/etmaal (voorschrift 4.1);

art 30a Wet verontreiniging oppervlaktewateren

3.

zij op of omstreeks 6 september 2004 te Moerdijk, terwijl aan haar door of

namens dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap van West-Brabant, op 12

december 1995, onder nummer 46447, een vergunning op grond van de Wet

verontreiniging oppervlaktewateren was verleend, opzettelijk zich heeft

gedragen in strijd met één of meer aan voornoemde vergunning verbonden

voorschriften, immers bedroeg het gehalte aan Polycyclische aromatische

koolwaterstoffen (P.A,K.'s) tijdens continue operatie in een

volumeproportioneel etmaalmonster ter plaatse van lozingspunt 1 ongeveer 7,3

kg/etmaal, in elk geval meer dan 3 kg/etmaal (voorschrift 4.1);

art 30a Wet verontreiniging oppervlaktewateren