Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BE9081

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
08-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/1205
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM3462, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:69, Overig
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende bezit een aantal panden die tot de rendementsgrondslag van box 3 behoren. Tussen partijen is onder andere in geschil of de inspecteur per peildata 1 januari en 31 januari de waarden van de panden juist heeft vastgesteld en zo ja, of belanghebbende een beroep kan doen op een te honoreren vertrouwen op grond van een afspraak gemaakt naar aanleiding van een boekenonderzoek inzake de aanslagen vermogensbelasting 1998 en 1999 dan wel naar aanleiding van een afspraak die gemaakt zou zijn in een mediationgesprek tussen belanghebbende en een inspecteur van de Belastingdienst.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voor wat betreft de waarden van de panden op de peildata in zijn bewijslast is geslaagd. Voorts wijst de rechtbank het beroep van belanghebbende dat hij vertrouwen kan ontlenen aan de gemaakte afspraak naar aanleiding van het boekenonderzoek naar de aanslagen vermogensbelasting 1998 en 1999 af, nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt en het de rechtbank ook anderszins niet is gebleken dat deze afspraak zou gelden voor latere jaren. Tenslotte wordt belanghebbendes beroep op schending van het vertrouwensbeginsel in het kader van het mediationgesprek door de rechtbank afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1868
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1205

Uitspraakdatum: 3 juli 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.502 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 38.505.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 februari 2007 de aanslag waartegen zich het bezwaarschrift van 26 mei 2005 heeft gericht, gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 15 februari 2007, ontvangen bij de rechtbank op 16 maart 2007, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep, alsmede in het beroep tegen de samenhangende zaken met procedurenummers AWB 07/1204 en 07/1206, heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van in totaal € 39.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. De inspecteur heeft vóór de zitting op 19 november 2007 een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.7. Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2007 te [woonplaats]. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan op 19 februari 2008 afschriften aan partijen zijn verstuurd.

1.8. Bij brief van 25 november 2007 heeft belanghebbende aan de rechtbank te kennen gegeven dat hij niet akkoord gaat met het ter zitting gedane compromisvoorstel van de inspecteur.

1.9. Op 30 november 2007 heeft de griffier schriftelijk aan partijen medegedeeld dat de rechtbank, gelet op het feit dat partijen niet nader tot overeenstemming zijn gekomen, aanleiding ziet om met toepassing van artikel 8:64 van de Awb het onderzoek in de samenhangende zaken AWB 07/1204, 07/1205 en 07/1206 te hervatten.

1.10. Partijen hebben vóór de tweede zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Het betreft het nader stuk van de inspecteur, gedagtekend 22 februari 2008, en de nadere stukken van belanghebbende, gedagtekend 25 en 26 februari 2008.

1.11. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008 te [woonplaats].

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, ter bijstand vergezeld van zijn echtgenote, alsmede de inspecteur.

1.12. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

1.13. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is eigenaar van de panden [straat], [straat], [straat] en [straat], allen gelegen in [woonplaats] (hierna: de panden). Het pand [straat] betreft een bovenwoning, inclusief magazijn en een twintigtal garageboxen. Alle panden worden door belanghebbende aan derden verhuurd.

2.2. In 2000 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden naar onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften vermogensbelasting 1998 en 1999. Uit het rapport van het boekenonderzoek van 10 september 2001 blijkt, voor zover hier van belang, het navolgende:

“5.1. Overige onroerende zaken

(…) Voor de vermogensbelasting geldt als waarderingsmaatstaf voor de overige onroerende zaken de waarde in het economische verkeer. Mijn uitgangspunt was om de waarde van deze onroerende zaken tenminste te stellen op de WOZ-waarde. Belastingplichtige was het hier absoluut niet mee eens en wilde uitgaan van een vast percentage (60 a 70%) van de WOZ-waarde. Ik heb vervolgens opdracht gegeven aan onze afdeling waardebepaling om de waarde in het economische verkeer van deze onroerende zaken vast te stellen. Deze heeft tot tweemaal toe contact opgenomen met belastingplichtige, waarbij geen concrete datum voor deze taxatie vastgesteld is. Daarom heb ik met belastingplichtige afgesproken (zie punt 4.4 van dit rapport) om bij het vaststellen van de aanslag uit te gaan van de WOZ-waardes. (…)

7. Slotopmerkingen

(…) Belastingplichtige gaat akkoord met de correcties, met uitzondering van de correctie onder punt 5.1 van dit rapport. (…)

7.1. Afspraak

Met belastingplichtige is afgesproken om bij het vaststellen van de aanslag vermogensbelasting voor de waarde van het overig onroerend goed uit te gaan van de WOZ-waarde. Ik ben bereid om ambtshalve deze waardes te verminderen tot door onze afdeling waardebepaling vastgestelde waardes. Belastingplichtige dient daartoe wel tijdig (binnen 6 weken) na datering van de aanslagen bezwaar te maken. (…)”

Belanghebbende heeft in ieder geval bezwaar aangetekend tegen de aanslag vermogensbelasting 1999. Bij uitspraak op bezwaar van 10 juni 2002 is het bezwaar van belanghebbende afgewezen met als reden dat ondanks meerdere verzoeken van de behandelaar van het bezwaarschrift belanghebbende niet heeft mee willen werken aan een taxatie van de panden.

2.3. Belanghebbende rekent de panden in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 als bezittingen tot de rendementsgrondslag van box 3. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de panden gewaardeerd dienen te worden conform de afspraak in het controlerapport van 10 september 2001, te weten op de WOZ-waarden naar waardepeildatum 1 januari 1997, verhoogd met een indexatie. Belanghebbende waardeert de panden per 1 januari 2001 en 31 december 2001 daarom als volgt:

1-1-2001 31-12-2001

[straat] € 25.865 € 46.285

[straat] € 32.944 € 68.067

[straat] € 72.151 € 149.747

[straat] (bovenwoning, incl. magazijn en garageboxen)

€ 224.167

€ 245.034

Totale waarde panden € 355.127 € 509.133

2.4. Bij brief van 29 maart 2005 deelt de inspecteur aan belanghebbende mede dat hij gaat afwijken van de aangifte onder andere omdat de waarden van de panden op beide peildata te laag zijn. De inspecteur waardeert de panden, conform de WOZ-waarden naar waardepeildatum 1 januari 2001, per 1 januari 2001 en 31 december 2001 als volgt:

1-1-2001 31-12-2001

[straat] € 77.143 € 77.143

[straat] € 113.445 € 113.445

[straat] € 249.579 € 249.579

[straat] (bovenwoning, incl. magazijn en garageboxen)

€ 248.734

€ 248.734

Totale waarde panden € 688.901 € 688.901

2.5. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de behandelaar van het bezwaarschrift onder andere in de brieven van 11 augustus 2005 en 26 september 2005 aan belanghebbende verzocht om een afspraak te maken met de taxateur van de Belastingdienst voor het inpandig taxeren van de panden.

2.6. Bij brief van 30 augustus 2005 schrijft belanghebbende aan de behandelaar van het bezwaarschrift het volgende, voor zover hier van belang:

“ (…) Ik heb u verteld dat er na intensief overleg per eind 2001 met uw dienst, op basis van een boekencontrole, de afspraak is gemaakt dat er m.b.t. het “overige onroerend goed” niet getaxeerd zou worden en dat de (toenmalige) WOZ waardes het uitgangspunt zouden zijn voor de aanslag vermogensbelasting. Dit is in voornoemd rapport uitdrukkelijk schriftelijk vastgelegd. Kortom deze hier vastgestelde waardes dienen te gelden als WEV per die datum.

Nu alsnog taxeren is dan ook niet aan de orde en geeft bovendien ook absoluut geen pas. Het zou immers betekenen dat er toen gewoon voor niets is onderhandeld! Daarnaast kan zo’n taxatie, waarbij, nu, met terugwerkende kracht de waarde moet worden bepaald, op een tijdstip dat maarliefst 4 jaar (!!) terug in de tijd ligt, nooit meer een correcte uitkomst opleveren. (…)

Op grond van dit alles blijf ik dan ook van mening dat taxatie dus sowieso niet aan de orde is en dat we voor box 3 uit moeten gaan van de waardes zoals deze zijn afgesproken en vastgesteld. (…)”.

2.7. De panden zijn niet inpandig getaxeerd, omdat een afspraak hierover niet tot stand is gekomen.

2.8. Op verzoek van de behandelaar van het bezwaarschrift verstrekt belanghebbende bij brief van 9 november 2005 voor het onderhavige jaar een opgaaf van de huurinkomsten van de panden.

2.9. Namens de inspecteur heeft [taxateur], taxateur van de Belastingdienst op 5 oktober 2005 de panden door middel van een zichttaxatie getaxeerd. In de taxatierapporten van 25 januari 2006 zijn op basis van de beschikbare gegevens en de zichttaxatie van 5 oktober 2005 de waarden van de panden per peildata 1 januari 2001, 1 januari 2002, 1 januari 2003, 1 januari 2004 en 1 januari 2005 geschat. De taxateur heeft de waarden van de panden per 1 januari 2001 en 31 december 2001 als volgt geschat:

1-1-2001 31-12-2001

[straat] € 113.000 € 122.000

[straat] € 99.000 € 102.000

[straat] € 304.000 € 330.000

[straat] (bovenwoning, incl. magazijn en garageboxen)

€ 274.000

€ 298.000

Totale waarde panden € 790.000 € 852.000

2.10. Gelet op het feit dat de in 2.9 genoemde waarden hoger zijn dan de in 2.4 genoemde waarden, heeft de inspecteur op 12 februari 2007 het bezwaar afgewezen.

2.11. In het kader van deze procedure heeft namens de inspecteur, [taxateur], de panden nogmaals getaxeerd. De heer [taxateur] heeft tot dezelfde waarden geconcludeerd als de in 2.9 genoemde waarden.

2.12. Op 29 november 2006 heeft een mediationgesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende en [inspecteur], namens de Belastingdienst. Als mediators zijn [mediator] (gecertificeerd NMI-mediator en werkzaam bij de Belastingdienst en [mediator] opgetreden. Bij brief van 30 november 2006 doet de heer [mediator] aan partijen een verslag van hetgeen is besproken toekomen. Deze brief luidt voor zover hier van belang als volgt:

“(…) -[belanghebbende] wenst 2 weken bedenktijd om akkoord te gaan met het waarderen van de panden naar de waarde in het economisch verkeer per 1 januari 2007. Dat houdt in dat de waardering volgens punt 7.1 uit het controlerapport van [taxateur] tot die datum geldt.

(…)

Hopende e.e.a. juist verwoord te hebben wens ik u veel succes in het vinden van een acceptabele oplossing voor de geschilpunten. (…)”

2.13. Op of omstreeks 5 december 2006 heeft de heer [mediator] telefonisch contact gehad met belanghebbende waarin hij aan belanghebbende heeft medegedeeld dat de heer [mediator] het niet eens was met de wijze waarop de afspraken in de in 2.12 genoemde brief zijn verwoord.

2.14. Bij brief van 5 december 2006, gericht aan belanghebbende, heeft de heer [mediator], voorzover hier van belang, als volgt gereageerd op de in 2.12 genoemde brief:

“(…) De waardering van de panden voor box 3 in de jaren 2001 tot en met 2003 dient plaats te vinden tegen de waarde in het economische verkeer. Ik heb u met het oog op de toekomst en tevens om te sonderen of bij u compromissen mogelijk leken een voorstel gedaan om voor box 3 akkoord te gaan met de oude woz-waarden tot en met 1 januari 2002 om vervolgens met ingang van 1 januari 2003 de panden te taxeren tegen de woz-waarden afgegeven per gelijke datum en tenslotte met ingang van 31 december 2006 en volgende peildata voor box 3 uit te gaan van de waarde in het economische verkeer waarbij u volledige medewerking geeft aan het vaststellen van deze waarden. U ging daar niet mee akkoord en wenste slechts met ingang van 1 januari 2007 te waarderen naar de waarde in het economische verkeer en tot die datum te waarderen indachtig de door u veronderstelde afspraak met mevrouw [taxateur]. Een voorstel waar ik op mijn beurt ook niet akkoord ging. De voorstellen die wij over en weer hebben gedaan zijn derhalve verworpen. Nadat ik u wees op het besluit van de staatssecretaris van Financiën die ik in bezwaar en eventuele beroepsprocedure in stelling zou brengen, wilde u twee weken bedenktijd hebben om u te kunnen herbezinnen op deze waarderingsthematiek.

(…)

Ik verneem uiterlijk 20 december 2006 uw reactie. Daarna trekken wij samen de slotconclusie of de mediation ten aanzien van de waardering van box 3 panden al dan niet geslaagd is.

(…)”.

2.15. Bij brief van 10 december 2006 heeft belanghebbende, voorzover hier van belang, als volgt gereageerd op de in 2.14 weergegeven brief van de heer [mediator]:

“Zoals besproken doe ik u hierbij mijn reactie toekomen op de o.g. kwestie, n.a.v. het door u aan mij gestuurde en volgens u relevante tekstgedeelte van het besluit van de staatssecretaris d.d. 25.08.00.

Ik zie in deze tekst geen reden waarom de gemaakte afspraak met, c.q. de waardebepaling door mevrouw [taxateur] na 31.12.00 niet meer van kracht zou zijn.

Het gaat hier in feite om een waardevaststelling en aan de waarde van een object verandert niets door wijziging van het fiscaal regime waaronder dat valt. Die waarde(vaststelling) is accessoir aan het object. Van enige inhoudelijke strijdigheid met het regime van de wet IB 2001 (zoals de tekst stelt) kan dan ook geen sprake zijn.

Mevr. [taxateur] heeft duidelijk gesteld dat zij bij het maken van de afspraak het uitgangspunt had om de waarde (in het economisch verkeer) te stellen op de WOZ-waarde (zie ook pt. 5.1. van het betreffende boekenonderzoek). Het betreft hier dus onverkort een waardevaststelling, waarbij niet is afgesproken danwel gemeld dat deze waarde enkel gold voor de vermogensbelasting.

Verder geldt dat deze waardes afgesproken en als zodanig vastgesteld zijn per september 2001 en nog eens per d.d. 10.06.02 als juiste WEV waardes zijn (her)bevestigd. Een begrip dat ook de wet IB 2001 kent.

De voormelde data’s van deze berichtgeving maken bovendien dat ik er onverkort op mocht vertrouwen dat deze afspraken ook gelden voor de wet IB 2001, zeker nu door de fiscus nooit andersluidend is gemeld. (…)”.

2.16. Partijen hebben geen mediationovereenkomst ondertekend waarin het in 2.12 vermelde is opgenomen.

2.17. Tegelijkertijd met de onderhavige procedures van belanghebbende zijn de samenhangende zaken met procedurenummers AWB 07/1201, 07/1202 en 07/1203 ten name van de echtgenote van belanghebbende behandeld. In deze procedures is vast komen te staan dat 50% van het pand [straat] te [woonplaats] met ingang van 1 november 2001 tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort.

2.18. Tot de gedingstukken behoort een door belanghebbende overgelegde brief van 26 mei 2005 met de volgende inhoud, voorzover hier van belang:

“Onderstaand treft u onze waardering aan van het kantoor-/bedrijfspand met ondergrond, staande en gelegen te [woonplaats], plaatselijk bekend als [straat], kadestraal bekend als gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 5415 (gedeeltelijk), groot 270m², één en ander zoals met arcering aangeduid op bijgevoegde kadastrale plankaart.

Ondergetekende waardeert de waarde in het economische verkeer als volgt:

Op waardepeildatum 1 januari 2001: € 230.000

1 januari 2002: € 225.000

1 januari 2003: € 225.000

1 januari 2004: € 210.000

(…)

[taxateur]

Register Makelaar-taxateur

3. Geschil

3.1. Tussen partijen zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:

3.a. is de aanslag vastgesteld binnen de wettelijke termijn van artikel 11, derde lid, van de AWR?

3.b. heeft de inspecteur, de in 2.4 vermelde waarden van de panden per peildata 1 januari 2001 en 31 december 2001, juist vastgesteld?

3.c. wordt er ten onrechte een beroep gedaan op een te honoreren vertrouwen op grond van de in 2.2 vermelde afspraak?

3.d. wordt er ten onrechte een beroep gedaan op een te honoreren vertrouwen op grond van het in 2.12 aangehaalde mediationgesprek van 29 november 2006?

3.e. is het bij beschikking vastgestelde bedrag aan heffingsrente juist vastgesteld?

3.f. is er terecht een boete opgelegd?

3.2. Belanghebbende beantwoordt de voorgaande vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend.

Met betrekking tot de onder 3.b. vermelde vraag neemt belanghebbende de stelling in dat de waarden overeenkomstig het in 2.3 vermelde dienen te worden vastgesteld. Ter zitting op

6 maart 2008 heeft belanghebbende voorts gesteld dat indien het beroep op opgewekt vertrouwen niet wordt gehonoreerd de waarden van de panden op de peildata 9 maal de jaarhuur danwel € 688.901 dienen te bedragen. Gelet op het feit dat onderhavige aanslag is opgelegd op basis van € 688.901 (zie onderdeel 2.4) dient dan het beroep ongegrond verklaard te worden.

Met betrekking tot de onder 3.b. vermelde vraag neemt de inspecteur de stelling in dat de waarden overeenkomstig het in 2.9 vermelde dienen te worden vastgesteld waarbij de waarde per ultimo van onderhavig kalenderjaar ad € 852.000 dient te worden verhoogd met de waarde van 50% van het in 2.17 bedoelde pand [straat], resulterend in een totaalwaarde van € 1.014.500.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.4. Belanghebbende concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag. Subsidiair concludeert belanghebbende tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.502 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 28.234. Meer subsidiair concludeert belanghebbende tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.502 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen berekend op basis van 9 maal de jaarhuur danwel tot ongegrondverklaring van het beroep. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de in 3.a. vermelde geschilsvraag: is de aanslag tijdig vastgesteld:

4.1. Artikel 11, derde lid, van de AWR bepaalt dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd. In zijn verweerschrift stelt de inspecteur dat aan belanghebbende voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 uitstel is verleend tot 1 maart 2003. De rechtbank acht dit aannemelijk gezien hetgeen belanghebbende zelf daaromtrent in zijn bezwaarschrift van 13 juni 2005 tegen onderhavige aanslag heeft opgemerkt: “Verder teken ik uitdrukkelijk bezwaar aan tegen de op deze aanslag geheven heffingsrente: De betreffende aangifte is (reeds) medio 2003 door mij gedaan, zodat er door u slechts over de uitstelperiode van 1 jaar rente kan worden geheven.”.

Op grond van het bepaalde in artikel 11, derde en vierde lid, van de AWR had onderhavige aanslag vastgesteld moeten zijn vóór 1 december 2005. Nu de dagtekening van de aanslag

14 april 2005 is, is de aanslag tijdig opgelegd. Met betrekking tot dit geschilpunt is dus het gelijk aan de inspecteur.

Met betrekking tot de in 3.b. vermelde geschilsvraag: heeft de inspecteur de waarden van de panden (box 3) juist vastgesteld:

4.2. De bewijslast dat de waarden van de panden hoger liggen dan hetgeen belanghebbende in zijn aangifte heeft gesteld, rust op de inspecteur. Namens de inspecteur heeft [taxateur] de panden door middel van een zichttaxatie getaxeerd. Voorts heeft [taxateur] in het kader van deze beroepsprocedure de panden nogmaals getaxeerd. De rechtbank hecht geloof aan de verklaring van de inspecteur ter zitting dat de heer [taxateur], deze taxaties, onafhankelijk van de heer [taxateur] heeft uitgevoerd. De heer [taxateur] concludeert tot dezelfde waarden als de heer [taxateur] (zie onderdeel 2.9). De rechtbank is van oordeel dat beide taxateurs, en met name de door de heer [taxateur] gegeven onderbouwing, in alle redelijkheid en met alle zorgvuldigheid, op basis van de bij hen bekende gegevens, de waarden van de panden hebben onderbouwd. De rechtbank acht in dit verband de verklaring van de inspecteur dat belanghebbende de inspecteur niet in staat heeft gesteld de panden inpandig te taxeren, mede gezien hetgeen in 2.6 is opgenomen, geloofwaardig. Ter zitting op 6 maart 2008 heeft belanghebbende gesteld dat hij wellicht alleen met betrekking tot het pand [straat] niet heeft mee willen werken aan een inpandige taxatie, maar ten aanzien van de overige panden wel. De rechtbank hecht hier geen geloof aan nu belanghebbendes stelling ook in tegenspraak is met hetgeen belanghebbende heeft gesteld in zijn, in 2.6 opgenomen, brief van 30 augustus 2005. Eventuele waardeverschillen ten nadele van belanghebbende als gevolg van het feit dat niet inpandig is getaxeerd, blijven dan voor rekening en risico van belanghebbende. Dat belanghebbende van mening is dat een taxatie niet aan de orde kan zijn omdat er naar zijn mening sprake is van een compromis met betrekking tot de waardevaststelling, doet daar niet aan af aangezien de inspecteur het bestaan van een dergelijk compromis met betrekking tot onderhavig jaar ontkent. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de bij de aanslagregeling vastgestelde waarden van de panden per 1 januari 2001 en 31 december 2001 op € 688.901 niet te hoog zijn vastgesteld.

4.3. De door belanghebbende verdedigde waarden van de panden zijn gebaseerd op de WOZ-waarden naar waardepeildatum 1 januari 1997, verhoogd met een indexatie in verband met waardeontwikkelingen. Belanghebbende heeft de in 2.18 aangehaalde brief op 26 februari 2008 in het geding gebracht en daarbij gesteld dat deze brief duidelijk maakt dat de waardering door de inspecteur van alle onderhavige panden onjuist is. De rechtbank verwerpt belanghebbendes stelling. Aangezien deze brief geen waardering geeft voor de andere panden dan het pand [straat] kan alleen hierom al de brief de waardering van de inspecteur van de andere panden, gezien ook hetgeen in 4.2 is overwogen, niet teniet doen. Met betrekking tot het pand [straat] verwerpt de rechtbank belanghebbendes stelling dat de waarde van de brief gehanteerd zou moeten worden aangezien tegen de gemotiveerde onderbouwing van de door de inspecteur gehanteerde waarde een niet onderbouwde waardering wordt ingebracht.

4.4. Gelet op het hiervoor in 4.2 en 4.3 overwogene, is ook met betrekking tot de in 3.b. vermelde vraag het gelijk aan de zijde van de inspecteur.

Met betrekking tot de in 3.c. vermelde geschilsvraag: is er sprake van opgewekt vertrouwen als gevolg van de afspraak in het kader van het boekenonderzoek:

4.5. Belanghebbendes stelling dat hij ter zake van de waardering van de panden het in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen aan de afspraak die door mevrouw [taxateur] in het in 2.2 genoemde controlerapport is vastgelegd wordt door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat uit het controlerapport duidelijk blijkt dat de gemaakte afspraak uitsluitend ziet op de aanslagen vermogensbelasting 1998 en 1999. Nu verder nergens in het controlerapport wordt gesteld dat deze afspraak ook zou zien op de met ingang van 1 januari 2001 ingevoerde waardebepaling voor box 3 en belanghebbende ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze afspraak ook zou gelden voor de waardebepaling voor box 3, dient belanghebbendes stelling te worden afgewezen en is het gelijk met betrekking tot de in 3.c. opgenomen geschilsvraag aan de zijde van de inspecteur.

Met betrekking tot de in 3.d. vermelde geschilsvraag: is er sprake van opgewekt vertrouwen naar aanleiding van de mediationprocedure:

4.6. De inspecteur heeft de rechtbank verzocht om de stukken uit de mediationprocedure die door belanghebbende en bij nader stuk van 22 februari 2008 door de inspecteur in het geding zijn gebracht, met een beroep op de contractuele geheimhouding tussen partijen, niet tot de stukken van het geding te rekenen. Voorts heeft de inspecteur verzocht om zowel de mediator, [mediator], als de inspecteur die namens de Belastingdienst heeft deelgenomen aan het mediationgesprek, [inspecteur], niet te verplichten hun geheimhoudingsplicht te schenden.

4.7. Nu belanghebbende reeds bij zijn beroepschrift de in 2.12 en 2.15 genoemde brieven heeft gevoegd, kan de rechtbank hier niet aan voorbij gaan. Ditzelfde geldt voor de overige stukken die op een later tijdstip in het geding zijn gebracht. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard, en de rechtbank onderschrijft dit, dat artikel 8:29 van de Awb hier niet speelt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om geen kennis te nemen van de in 2.12, 2.14 en 2.15 genoemde brieven. Ingevolge artikel 8:42 van de Awb worden deze brieven tot de gedingstukken gerekend.

4.8. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de heer [mediator] en de heer [inspecteur] voor het tweede onderzoek ter zitting uit te nodigen. De heer [mediator], de heer [mediator] en ook belanghebbende hebben ter zitting op 6 maart 2008 de rechtbank verzocht hun

geheimhoudingsplicht voor wat betreft de inhoud van het mediationgesprek niet te hoeven schenden. De rechtbank heeft geen reden gezien om dit verzoek van alle partijen niet te honoreren. De rechtbank zal daarom belanghebbendes grief, dat hij in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen aan hetgeen besproken is in het mediationgesprek, op basis van de in het geding gebrachte stukken afdoen.

4.9. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende stelt, is de rechtbank van oordeel dat de heer [mediator] het mediationgesprek heeft bijgewoond in zijn hoedanigheid van mediator en niet in zijn hoedanigheid van inspecteur. De rechtbank overweegt daarbij het volgende. De heer [mediator] heeft voor aanvang van het mediationgesprek stukken over mediation, brochures en een conceptmediatonovereenkomst aan partijen toegestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze stukken duidelijk op welke wijze de mediationprocedure van de Belastingdienst werkt, alsmede de rol van de mediator. Tevens hecht de rechtbank geloof aan de verklaring van de heer [mediator] ter zitting op 6 maart 2008 dat hij voor aanvang van het mediationgesprek, telefonisch aan belanghebbende heeft gevraagd of zijn rol als mediator duidelijk was. Volgens de heer [mediator], en dit is ter zitting niet weersproken door belanghebbende, heeft belanghebbende destijds niet aan de heer [mediator] kenbaar gemaakt dat die rol onduidelijk was. Gelet op het bovenstaande kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de heer [mediator] slechts in zijn hoedanigheid van mediator is opgetreden. Van een door de inspecteur gedane toezegging waaraan in rechte te honoreren vertrouwen kan worden ontleend is daarom geen sprake.

4.10. Vaststaat dat de heer [mediator] direct na ontvangst van de in 2.12 weergegeven brief van de heer [mediator], aan de heer [mediator] kenbaar heeft gemaakt dat hij het niet eens is met de inhoud van deze brief. Ook in zijn, in 2.14 opgenomen brief, betwist de heer [mediator] dat een afspraak met belanghebbende tot stand is gekomen. Daar tegenover staat de stelling van belanghebbende dat de afspraak wel juist door de heer [mediator] is vastgelegd.

De rechtbank komt tot het oordeel dat er in casu geen sprake is geweest van een partijen bindende afspraak en dat partijen geen wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot hetgeen de heer [mediator] in zijn in 2.12 weergegeven brief heeft vastgelegd. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in het ontbreken van een schriftelijke en door beide partijen ondertekende mediationovereenkomst, de inhoud van de in 2.14 weergegeven brief van de heer [mediator], alsmede de onder 2.15 opgenomen brief van belanghebbende waarin belanghebbende met betrekking tot de waardering van de panden in box 3 slechts ingaat op de in zijn beleving gemaakte afspraak met mevrouw [taxateur] en geen melding maakt van de stelling van de in 2.14 opgenomen brief van de heer [mediator] dat er op dat moment nog geen afspraak was. Het gelijk met betrekking tot de in 3.d. opgenomen geschilsvraag is ook hier aan de zijde van de inspecteur.

4.11. Gelet op het vorenoverwogene moet het beroep van belanghebbende op schending van het vertrouwensbeginsel worden verworpen en dient bij de bepaling van de rendementsgrondslag van artikel 5.3 Wet IB 2001 de totale waarde van de panden per 1 januari 2001 en 31 december 2001 € 688.901 te bedragen.

Met betrekking tot de in 3.e. vermelde geschilsvraag: is de heffingsrente juist vastgesteld:

4.12. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift van 13 juni 2005 ook bezwaar aangetekend tegen de bij beschikking vastgestelde heffingsrente. Belanghebbende heeft daarin gesteld dat slechts heffingsrente aan hem in rekening moet worden gebracht over de periode van uitstel tot het indienen van de aangifte. Het is de rechtbank gebleken dat de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar van 7 februari 2007 geen uitspraak op het bezwaarschrift tegen de beschikking heffingsrente heeft gedaan. De inspecteur heeft daarom niet binnen de in artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gestelde termijn uitspraak op het bezwaarschrift van belanghebbende gedaan. De rechtbank verstaat belanghebbendes grief jegens de beschikking heffingsrente dan ook als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit in de zin van artikel 6:2, onderdeel b Awb en zal na de constatering dat het beroep deswege gegrond is derhalve een inhoudelijk oordeel geven.

4.13. Artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt, voor zover hier van belang, dat heffingsrente wordt berekend ingeval een aanslag wordt vastgesteld. Naar de rechtbank begrijpt, stelt belanghebbende dat het aan de onzorgvuldigheid van de inspecteur is te wijten dat hij thans heffingsrente is verschuldigd over de gehele periode en niet slechts over de periode van het verleende uitstel. Onder omstandigheden kan het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengen dat geen heffingsrente in rekening mag worden gebracht. Echter zodanige omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank gesteld noch gebleken. De enkele omstandigheid dat de inspecteur de aanslag wellicht eerder had kunnen opleggen dan hij thans heeft gedaan, is niet een zodanige omstandigheid, nu de inspecteur de onderhavige aanslag binnen de in artikel 11, derde lid, van de AWR genoemde termijn voor het vaststellen van een aanslag heeft opgelegd. De beschikking heffingsrente is dus niet op een te hoog bedrag vastgesteld.

Met betrekking tot de in 3.f. vermelde geschilsvraag: is er terecht een boete opgelegd:

4.14. Nu het de rechtbank is gebleken dat aan belanghebbende geen boete is opgelegd, behoeft belanghebbendes beroep hiertegen geen nader oordeel.

Slotconclusie

4.15. Gelet op het in 4.12 overwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en gelet op het in 4.11 overwogene voor het overige ongegrond te worden verklaard. De rechtbank acht geen gronden aanwezig voor het toekennen van een schadevergoeding aan belanghebbende op grond van artikel 8:73 Awb.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten, voorzover die zien op het reizen, worden voor de zittingen op 19 november 2007 en 6 maart 2008 becijferd op basis van het openbaar vervoer tweede klasse van de locatie Van Almondepad 11 te [woonplaats], naar de locatie Sluissingel [woonplaats] (vice versa) en zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 3,75. Overige kosten zijn gesteld noch gebleken.

5.2. De rechtbank heeft met betrekking tot de procedurenummers AWB 07/1204, 07/1205 en 07/1206 aan belanghebbende éénmaal griffierecht in rekening gebracht ten bedrage van € 39. Gelet op het feit dat het beroep gegrond dient te worden verklaard, gelast de rechtbank de inspecteur in deze procedure aan belanghebbende het griffierecht van € 39 te vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen het niet tijdig doen van uitspraak door de inspecteur op het bezwaar tegen de bij beschikking vastgestelde heffingsrente;

- handhaaft de beschikking heffingsrente;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 3,75 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 3 juli 2008 door mr. A.J. Kromhout, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van Es-Hinnen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.