Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BE9040

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-08-2008
Datum publicatie
22-08-2008
Zaaknummer
191042 FT RK 08-787
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwang akkoord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

Team handelsrecht

verzoek ex art. 287a Fw

insolventienummer: 191042 FT RK 08-787

nummer verklaring: TIL0120800691

uitspraakdatum: 11 augustus 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te Tilburg,

verzoeker,

tegen

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Eindhoven,

verweerder.

Partijen worden hierna [verzoeker] en het Uwv genoemd.

1. Het verloop van de procedure.

Dit blijkt uit de navolgende processtukken:

- het op 13 juni 2008 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen;

- de brieven van de gemeente Tilburg van 3 juli 2008 en 15 juli 2008 met aanvullende informatie;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift op 6 augustus 2008.

2. Het verzoek.

Dit strekt primair tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in art. 287a Fw en subsidiair tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

3. De beoordeling.

3.1 Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek gaat de rechtbank uit van de navolgende vaststaande feiten.

- [verzoeker] heeft 1 preferente schuldeiser en 20 concurrente schuldeisers, die in totaal bedragen van respectievelijk euro 3.587,89 en euro 30.748,43 van hem te vorderen hebben. Tot deze concurrente schuldeisers behoort het Uwv, met een vordering van euro 3.650,48.

- De vordering van het Uwv is gebaseerd op een terugvorderingbesluit van 18 januari 2007 en betreft ten onrechte aan [verzoeker] verstrekte WW-uitkering over de periode 20 maart 2006 tot 10 september 2006 ten bedrage van euro 7.917,28. Het Uwv heeft dit bedrag grotendeels verrekend met nog aan [verzoeker] te betalen WAO-uitkering, waardoor thans nog een bedrag resteert van euro 3.650,48.

- [verzoeker] heeft op 22 november 2007 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling aan de concurrente schuldeisers van 3,8% van hun vordering.

- Het Uwv is de enige schuldeiser die geweigerd heeft in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

3.2 [verzoeker] heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat hij een afloscapaciteit heeft van euro 47,38 per maand. Op grond daarvan kan hem een saneringskrediet worden verstrekt van euro 1.422,56 netto, zodat hij schuldeisers een bedrag ineens kan aanbieden. [verzoeker] stelt dat dit het maximaal haalbare is, dat hij zijn schuldeisers kan aanbieden. Hij ontvangt al geruime tijd een volledige WAO-uitkering. Gezien zijn psychische problematiek, waarvoor hij onder behandeling is, is de kans dat hij een baan zal vinden gering. Zijn schulden zijn ontstaan als gevolg van zijn echtscheiding in combinatie met zijn psychische problematiek, die pas begin 2003 is onderkend. [verzoeker] heeft al enige tijd hulp van zijn broer, die zijn financiën op orde heeft gebracht en zijn budget beheert. Sindsdien zijn er geen nieuwe schulden meer ontstaan en heeft [verzoeker] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden onder controle.

3.3 Het Uwv heeft onder verwijzing naar artikel 36, tweede lid, aanhef en onder d, van de Werkloosheidswet (WW) als verweer aangevoerd niet in staat te zijn in te stemmen met de aangeboden schuldregeling, aangezien het aangeboden percentage van 3,8% te laag is.

3.4 Ingevolge art. 287a Fw kan een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord worden toegewezen, indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

3.5 De wetgever heeft met de invoering van deze bepaling beoogd het minnelijk traject te versterken met een belangrijk rechtsmiddel. De wetgever acht het van belang dat alleen die personen tot de schuldsaneringsregeling worden toegelaten, die te goeder trouw zijn, oprecht en actief (maar tevergeefs) hebben geprobeerd om met hun schuldeisers tot een schikking te komen en voor wie aldus in een benarde schuldenpositie geen andere keuze overblijft dan een beroep op de rechter te doen. Door de gedwongen schuldregeling wordt voorkomen dat personen in de schuldsaneringsregeling terecht komen die in het minnelijk traject op eigen kracht in samenspraak met hun schuldeisers een regeling hadden kunnen treffen waarmee alle partijen hadden kunnen leven, ware het niet dat een schuldeiser wellicht zonder valide redenen zijn medewerking had geweigerd.

3.6 Vooropgesteld wordt dat een schuldeiser het recht heeft om te verlangen dat al het mogelijke wordt gedaan om zijn vordering voldaan te krijgen. Als hij van mening is dat de kans op (een gedeeltelijke) voldoening groter is wanneer de schuldenaar onder intensief, streng en onafhankelijk toezicht komt te staan van een bewindvoerder en een rechter-commissaris, dan is daarin een belang gelegen voor de schuldeiser om zijn instemming met een schuldregeling te weigeren. Een schuldeiser zal echter bij de (geringe) kans op een hoger uitkeringspercentage in het wettelijk traject dan in het minnelijk traject, ook in beschouwing moeten nemen het feit dat de kosten van wettelijke publicaties en van het jaarlijks te verhogen maandelijkse bewindvoerdersalaris in mindering worden gebracht op hetgeen uiteindelijk na drie jaar zal kunnen worden uitgekeerd.

3.7 In het onderhavige geval heeft het Uwv aangevoerd dat zij zich moet houden aan de in artikel 36 WW neergelegde bepalingen en dat deze wettelijke bepalingen aan instemming met de aangeboden schuldregeling in de weg staan.

3.8 Ter zitting is komen vast te staan dat het Uwv ten gevolge van een niet aan [verzoeker] te wijten fout ten onrechte aan [verzoeker] een WW-uitkering heeft verstrekt over een periode waarin hij ook een ZW-uitkering ontving. Het Uwv heeft deze WW-uitkering op grond van artikel 36, eerste lid, WW jo artikel 22a WW als onverschuldigd betaald teruggevorderd. Het Uwv stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat zij alleen op één van gronden genoemd in het tweede lid van artikel 36 WW kan afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering. Ingevolge artikel 36, tweede lid, aanhef en onder d, WW kan het Uwv besluiten van (verdere) terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd een bedrag, overeenkomend met 50% van de restsom, in één keer aflost. Het Uwv heeft op grond van deze bepaling [verzoeker] bij brief van 4 december 2007 voorgesteld om de vordering af te kopen met een éénmalige betaling van tenminste euro 1.825,24, zijnde 50% van het nog openstaande bruto bedrag. Het Uwv heeft aan de betaling van een eenmalige afkoopsom de voorwaarde verbonden dat de afkoopsom tenminste even hoog moet zijn als het bedrag dat [verzoeker] in drie of vijf jaar tijd aan aflossing zou kunnen betalen. [verzoeker] is niet ingegaan op dit voorstel, aangezien hij daartoe niet de financiële middelen heeft. [verzoeker] kan immers niet op dit voorstel ingaan, zonder ook zijn andere crediteuren 50% van hun vordering aan te bieden.

3.9 Behalve op één van de gronden genoemd in het tweede lid van artikel 36 WW, kan de Uwv ook op de grond genoemd in het vierde lid van artikel 36 WW geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering, namelijk in geval van dringende redenen. De rechtbank is van oordeel dat een geval als het onderhavige, waarin een schuldenaar buiten zijn schuld in een zodanig moeilijke financiële situatie terecht is gekomen dat hij niet meer in staat is zijn crediteuren te voldoen en zich om die reden tot de desbetreffende instanties heeft gewend voor schuldhulpverlening, als een dringende reden als bedoeld in artikel 36, vierde lid, WW kan worden beschouwd. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van het Uwv, dat de wet haar niet de mogelijkheid biedt akkoord te gaan met een schuldregeling waarvan het aangeboden percentage lager is dan 50% van de restantvordering.

3.10 Bij de beoordeling van de vraag of het Uwv in redelijkheid haar instemming heeft kunnen weigeren acht de rechtbank van belang dat de betaling die het Uwv tegemoet kan zien bij aanvaarding van de schuldregeling vergelijkbaar is met de uitkering die het Uwv kan verwachten indien de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard, zoals subsidiair gevorderd. Het vrij te laten bedrag, waarop de aangeboden schuldregeling is gebaseerd, is immers berekend overeenkomstig de wijze waarop het vrij te laten bedrag wordt berekend in het kader van de schuldsaneringsregeling. Het voordeel van aanvaarding van de schuldregeling boven het wettelijk traject is dat het Uwv nu een betaling ontvangt, terwijl in geval van toelating tot de schuldsaneringsregeling er pas na drie jaar een uitkering volgt en er bovendien op het gespaarde bedrag nog een bedrag in mindering wordt gebracht voor de kosten van de wettelijke publicaties en het bewindvoerdersalaris.

3.11 De rechtbank is op grond van het vorenoverwogene dan ook van oordeel dat het Uwv in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de aangeboden schuldregeling goed en betrouwbaar gedocumenteerd en voldoende onderbouwd is en het uiterste is waartoe [verzoeker] financieel in staat moet worden geacht, terwijl het alternatief van een schuldsaneringsregeling het Uwv als schuldeiser geen gunstiger vooruitzicht biedt dan de aangeboden schuldregeling. Het Uwv heeft dan ook geen belang bij de weigering van de aangeboden schuldregeling, terwijl [verzoeker] en de overige schuldeisers – die een bedrag van euro 30.685,84 vertegenwoordigen op een totale schuldenlast van euro 34.336,32 – wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling. Het belang van de overige schuldeisers is, evenals het belang van het Uwv, gelegen in de betere vooruitzichten bij de aanvaarding van de aangeboden schuldregeling dan bij verwerping daarvan en het belang van [verzoeker] is gelegen in het feit dat hij buiten het wettelijk traject zijn schulden kan regelen, hetgeen in overeenstemming is met hetgeen de wetgever met de gedwongen schuldregeling heeft beoogd.

3.12 Aangezien het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen, behoeft het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling geen bespreking meer.

3.13 Het Uwv zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en [verzoeker] niet is bijgestaan door een procureur, worden de kosten begroot op nihil.

4. De beslissing.

De rechtbank:

beveelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in te stemmen met de door G. [verzoeker] aan de gezamenlijke crediteuren aangeboden schuldregeling;

veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van dit geding, tot op heden begroot op nihil;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.