Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BE8801

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
AWB 06/5271
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende woont in België. X was tot november 2003 directeur/aandeelhouder van X NV, opgericht naar Belgisch recht en van de Y-groep in Nederland. X NV leende Nederlands personeel uit aan de Y groep. Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor een aan X NV opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting over de periode 2000-2003. Belanghebbende stelt (onder andere) dat hij niet meer de feitelijke leiding had sinds 20 december 2001.

De rechtbank oordeelt:

- belanghebbende is voor de periode tot 20 december 2001 niet aansprakelijk op grond van art. 33 en 36 Inv omdat de NV toen geen vaste inrichting in Nederland had en dus niet onderworpen was aan belastingheffing in Nederland;

- belanghebbende is wel aansprakelijk voor de periode na 20 december 2001 op grond van art 36 Inv omdat toen de feitelijke leiding van de NV in Nederland werd uitgeoefend en belanghebbende als bestuurder ingeschreven stond.

- belanghebbende is wel aansprakelijk voor de periode tot 20 december 2001 op grond van art 37 Inv omdat hij toen de leiding had van de werkzaamheden van de NV in Nederland.

Belanghebbende is ook aansprakelijk voor de boete omdat belanghebbende als formeel bestuurder zijn verantwoordelijkheid had moeten nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1780
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5271

Uitspraakdatum: 22 mei 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], België,

eiser,

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna belanghebbende en ontvanger genoemd.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De ontvanger heeft belanghebbende bij beschikking van 30 augustus 2005 aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 412.816. Bij de uitspraak op bezwaar is de aansprakelijkstelling gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 25 oktober 2006, ontvangen bij de rechtbank op 27 oktober 2006, beroep ingesteld.

1.3. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de ontvanger schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008 te Breda. Voor een overzicht van het verhandelde ter zitting alsmede van de daar verschenen personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht. Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota met bijlage aan de rechtbank en aan de ontvanger gezonden, die geacht wordt ter zitting te zijn voorgedragen. De rechtbank rekent de pleitnota’s van belanghebbende en van de ontvanger tot de gedingstukken.

1.6. De ontvanger heeft na de zitting nadere stukken aan de rechtbank gezonden. Belanghebbende heeft daarop kunnen reageren. Partijen hebben vervolgens aangegeven geen nadere zitting meer te willen, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende woont in elk geval vanaf het jaar 2000 in België. Hij staat aldaar ingeschreven als bestuurder van [de NV]. De NV is op 26 juni 2000 opgericht naar Belgisch recht. Belanghebbende was een van de drie aandeelhouders in de NV. Tevens was belanghebbende aandeelhouder in de vennootschappen die samen de [Y-groep] vormden.

2.2. Op 18 november 2003 hebben belanghebbende en zijn medeaandeelhouders hun aandelen in de NV geleverd aan [BV]. Belanghebbende verkocht ook zijn aandelen in de [Y-groep] aan [BV]. De directeur/aandeelhouder in [BV], was de voormalige bedrijfsleider van de [Y-groep].

2.3. In de verkoopovereenkomst van de aandelen in de NV is in onderdeel IV, 3, onder meer vermeld:

“De verkoper waarborgt dat de boekhouding wettelijk in regel is en dat de jaarrekening (…) de juiste toestand weergeeft van actief en passief van de vennootschap en bijgevolg de correctie financiele situatie is op voormelde datum conform de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening (…) uitgezonderd de fiscale en sociale verplichtingen in Nederland waarvan koper verklaart volledig kennis te hebben (genomen) en dewelke verplichtingen geheel door hem ten laste worden genomen.”

2.4. De activiteiten van de NV bestonden uit het uitlenen van personeel aan de [Y-groep] en in het bijzonder aan [BV] in Nederland. Belanghebbende had de leiding over de activiteiten van de NV tot, in elk geval, 20 december 2001. De NV heeft geen loonbelasting afgedragen. Aan de NV is een naheffingsaanslag loonheffing opgelegd van € 322.100. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 38.200 en is heffingsrente vastgesteld van € 24.088. De NV heeft deze bedragen niet betaald. Belanghebbende is hiervoor aansprakelijk gesteld alsmede voor € 18.119 invorderingsrente en € 10.309 kosten.

2.5. Over de hoogte van de aan de NV opgelegde naheffingsaanslag en de boete is op 7 juli 2004 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de inspecteur, als onderdeel van een meer omvattende vaststellingsovereenkomst voor de hele [Y-groep], die daarbij werd vertegenwoordigd door [BV]. De bij de NV nageheven loonheffing beloopt € 18.056 over het jaar 2000, € 232.220 over het jaar 2001, € 69.956 over het jaar 2002 en € 1.868 over het jaar 2003.

2.6. [BV] heeft aan de NV niet alle verschuldigde bedragen wegens inlening van personeel voldaan. Een gedeelte dat overeenkomt met de verschuldigde loonheffing is onbetaald gebleven. Op 5 december 2003 zijn [BV] en de NV overeengekomen dat deze schuld, toen groot € 321.038,63, werd omgezet in een geldlening. Alle vennootschappen van de [Y-groep] zijn in 2005 failliet gegaan. De belastingschuld van de NV is niet betaald.

3. Geschil

3.1. In geschil is of belanghebbende terecht en tot een juist bedrag aansprakelijk is gesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daar ter zifting aan hebben toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking.

3.4. De ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Formele bezwaren

4.1. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag niet op correcte wijze aan de NV bekend is gemaakt. De ontvanger heeft na de mondelinge behandeling een kopie van de naheffingsaanslag overgelegd maar belanghebbende betwijfelt of dit een werkelijke kopie is en stelt dat het vermelde adres onjuist is. De rechtbank begrijpt de stelling van belang¬hebbende hierover aldus, dat een niet correcte bekendmaking van de aanslag aan de NV met zich brengt dat de aanslag niet tot stand is gekomen zodat belanghebbende daarvoor niet aansprakelijk gesteld kan worden.

4.2. De naheffingsaanslag is gedagtekend 26 juli 2004. Een aanslag is een besluit in de zin van de Awb. Artikel 3.40 Awb bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekend gemaakt. Artikel 3.41 Awb bepaalt dat bekendmaking geschiedt door toezending of uitreiking aan de belanghebbende. Uit de stukken blijkt dat de NV statutair gevestigd was aan [straat] te [woonplaats], België. De kopie van het aanslagbiljet die de ontvanger na de zitting heeft toegezonden, is gericht aan [de NV], [straat], [woonplaats]. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van het door de ontvanger overgelegde kopie. Daaraan doet niet af dat het dwangbevel blijkbaar was gericht aan NV, [straat] [woonplaats], België en dat laatstgenoemd adres ook staat op het stuk dat als bijlage 2.1. bij het verweerschrift, een uitdraai van de op 16 augustus 2005 in het geautomatiseerd systeeem van de belastingdienst geregistreerde gegevens van de naheffingsaanslag,

4.3. Belanghebbende heeft gesteld dat hij zijn aandelen aan [BV] heeft verkocht op 20 december 2001 en dat hij vanaf die datum geen bemoeienis meer heeft gehad met de NV. Uit de stukken blijkt dat [Beheer BV] en [BV] zijn gevestigd op het adres [straat] te [woonplaats] (bijlage bij de pleitnota van belanghebbende), dat overeenkomsten van de NV na die datum werden ondertekend te [woonplaats] (de overeenkomsten van 5 december 2003, 24 augustus 2004 en de vaststellingsovereenkomst van 7 juli 2004) en in België (overeenkomsten van 30 mei 2002 en 20 september 2004) en dat de NV bij de overeenkomsten werd vertegenwoordigd hetzij door de directeur/aandeelhouder van de [Y-groep]. [BV] (de vaststellingsovereenkomst van 7 juli 2004), hetzij de administrateur van de [Y-groep] [administrateur] (de overeenkomsten van 5 december 2003, 24 augustus 2004). Vaststaat tevens dat [BV] in [woonplaats] woonde (bijlage 2.8. verweer). In [woonplaats] heeft in 2003 ook de belasting¬controle van de NV plaatsgevonden en de inspecteur heeft onweersproken gesteld dat daar ook de administratie van de NV werd gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden er op wijzen dat de feitelijke leiding van de NV ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag werd uitgeoefend in [woonplaats] dat de NV in elk geval mede haar feitelijke vestigingsplaats had op het adres [straat] te [woonplaats]. Onder deze omstandig¬heden kan niet worden gezegd dat de aanslag, die blijkbaar naar dit adres is gestuurd, onjuist was geadresseerd.

4.4. De rechtbank is, samenvattend, van oordeel dat er geen reden is om de aansprakelijk¬stelling van belanghebbende ongedaan te maken op grond van onregelmatigheden bij het opleggen van de aanslag.

4.5. Belanghebbende heeft gesteld dat hij niet juist is gehoord in de bezwaarfase. Uit de stukken blijkt dat er in de bezwaarfase tweemaal een gesprek is geweest met de ontvanger. Uit het verslag van de gesprekken op 1 december 2005 en 30 mei 2006 en de reactie van belanghebbende op die verslagen leidt de rechtbank af dat gesproken is over de aansprakelijkstelling in al haar facetten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan het vereiste van artikel 7:2 Awb. De aanwezigheid van de inspecteur die de aanslag aan de NV had opgelegd acht de rechtbank niet bezwaarlijk nu deze niet bij de beschikking tot aansprakelijkstelling was betrokken maar alleen bij de vaststelling van de naheffingsaanslag en boetebeschikking. De juistheid van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking is immers nooit in geschil geweest.

4.6. Belanghebbende heeft in het beroepschrift gesteld dat de ontvanger niet alle stukken van het geding heeft overgelegd. De ontvanger heeft na de zitting nog enkele stukken aan de rechtbank, en via de rechtbank aan belanghebbende doen toekomen. Belanghebbende heeft in zijn reactie daarop deze stelling niet herhaald. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat belanghebbende deze stelling heeft laten vallen. Voor zover belanghebbende de stelling handhaaft, overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is dat de ontvanger over meer stukken beschikt dan de stukken die hij heeft overgelegd.

Is de naheffingsaanslag voldaan?

4.7. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat mogelijk tussen de [Y-groep] en de ontvanger bij de onder 2.5. vermelde vaststellingsovereenkomst was afgesproken dat de belastingschuld van de NV door de [Y-groep] zou worden voldaan en dat aansprakelijk¬stelling van belanghebbende daarop zou moeten afstuiten. Een dergelijke afspraak is in de stukken niet te lezen en belanghebbende heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke overeenkomst tot stand is gekomen.

Aansprakelijkheid: artikel 36 Invorderingswet 1990

4.8. Belanghebbende is aansprakelijk gesteld als bestuurder van de NV, op basis van artikel 36, vierde lid, Invorderingswet 1990 (Inv). Dat artikellid beperkt de aansprakelijkheid tot bestuurders van rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) met volledige rechtsbevoegdheid, voor zover deze lichamen aan de heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen.

4.9. Belanghebbende stelt dat hij niet aansprakelijk gesteld kan worden op grond van artikel 36 Inv omdat hij in België woont en de NV in België was gevestigd.

4.10. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 november 1999, nr. 16 702 (VN 1999/53.22) geoordeeld - kort samengevat – dat de artikelen 34 en 35 Inv zo moeten worden uitgelegd dat die artikelen niet van toepassing zijn op een in het buitenland wonende of gevestigde inlener of aannemer die voor werkzaamheden in het buitenland gebruik maakt van personeel van een Nederlandse ondernemer (uitlener). Volgens de Hoge Raad zou anders sprake zijn van een niet uitdrukkelijk in de wet voorziene extraterritoriale werking van de Nederlandse wet, is dat in strijd met het rechtszekerheidbeginsel en zou extraterritoriale werking enkel aanvaardbaar zijn indien klemmende gronden daartoe nopen. De rechtbank leidt uit het arrest af dat het verbod op extraterritoriale werking uitsluitend van toepassing is bij een totaal buitenlandse situatie waarbij ook de werkzaamheden terzake waarvan de loonbelasting verschuldigd is, in het buitenland worden uitgevoerd. Voor zover het arrest van de Hoge Raad ook geldt voor de toepassing van artikel 36 (en de rechtbank ziet niet in waarom dat niet het geval zou zijn) heeft dat dan in elk geval geen gevolgen in de onderhavige situatie. Nu in het onderhavige geval de werkzaamheden in Nederland zijn uitgevoerd, is er naar het oordeel van de recht¬bank een voldoende sterke band met Nederland om extraterritoriale werking van artikel 36 te rechtvaardigen. Het gegeven dat belanghebbende in België woont, kan dus op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat hij niet als bestuurder aansprakelijk kan worden gesteld.

4.11. Het onder 4.10. overwogene neemt echter niet weg dat artikel 36 Inv uitdrukkelijk alleen geldt voor bestuurders van lichamen die aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Noch uit de tekst, noch uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarmee iets anders is bedoeld dan Nederlandse vennootschapsbelasting.

4.12. Vaststaat dat de NV is opgericht naar Belgisch recht en statutair in België is gevestigd, dat ook belanghebbende in België woont en dat belanghebbende is ingeschreven als bestuurder van de NV. Belanghebbende heeft gesteld dat hij in elk geval tot en met 20 december 2001 de feitelijke leiding had van de NV en dat hij zijn werkzaamheden verrichtte vanuit zijn woonadres in België. De ontvanger heeft niet aannemelijk gemaakt dat de NV in de periode tot en met 20 december 2001 beschikte over een vaste inrichting in Nederland. De enkele omstandigheid dat de loonadministratie in Nederland werd bijgehouden door de [Y-groep] is daarvoor onvoldoende. Ter zitting heeft de ontvanger bovendien desgevraagd aangegeven dat hij niet wist of er ooit aangiftebiljetten vennootschapsbelasting aan de NV zijn uitgereikt. Aldus heeft de ontvanger, op wie te dezen de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat de NV tot en met 20 december 2001 in Nederland aan vennootschapsbelasting was onderworpen.

4.13. Het onder 4.11 en 4.12 overwogene leidt tot de conclusie dat belanghebbende voor de periode tot en met 20 december 2001 niet aansprakelijk kan worden gesteld op grond van artikel 36 Inv.

4.14. Belanghebbende heeft gesteld dat hij na 20 december 2001 geen enkele bemoeienis meer heeft gehad met de NV of met enig ander onderdeel van de [Y-groep]. De ontvanger heeft dat bestreden. De rechtbank zal uitgaan van de juistheid van hetgeen belanghebbende hierover heeft gesteld en verwijst naar hetgeen is overwogen in 4.3. omtrent de feitelijke leiding van de NV. De rechtbank leidt daaruit af dat na 20 december 2001 de feitelijke leiding van de NV in Nederland werd uitgeoefend door [BV] op het adres van de [Y-groep] in [woonplaats], zodat de NV vanaf die datum feitelijk in Nederland was gevestigd of hier tenminste een vaste inrichting had. Dat brengt mee dat de NV vanaf 20 december 2001 in beginsel onderworpen was aan de heffing van vennootschapsbelasting zodat artikel 36 Inv vanaf dat moment wel van toepassing kan zijn. Daarvoor is niet van belang of ook feitelijk aangiftebiljetten vennootschapsbelasting zijn uitgereikt.

4.15. Vaststaat dat belanghebbende gedurende de gehele periode die de naheffingsaanslag beslaat, formeel ingeschreven was in België als bestuurder van de NV. Het is vaste jurisprudentie dat artikel 36 Inv van toepassing is op degene die als bestuurder van de vennootschap staat ingeschreven, ook als deze feitelijk geen bemoeienis heeft met de vennootschap. De stelling van belanghebbende dat hij zich niet als bestuurder kon uitschrijven, acht de rechtbank onaannemelijk. De Nederlandse Handelsregisterwet bevat een bepaling die het mogelijk maakt om onjuiste gegevens, zoals de onterechte vermelding van een bestuurder, via een procedure bij de kantonrechter te wijzigen. Er is geen reden om aan te nemen dat de Belgische wet niet een vergelijkbare bepaling kent.

4.16. Uit hetgeen is overwogen onder 4.14 en 4.15. blijkt voor de periode vanaf 20 december 2001 in beginsel is voldaan aan de eisen voor aansprakelijkstelling op grond van artikel 36, eerste lid, Inv. Voor dat geval stelt belanghebbende dat geen sprake is geweest van betalings¬onmacht van de BV en, zo dat wel het geval was, dat die betalingsonmacht tijdig is gemeld.

4.17. Belanghebbende heeft gesteld dat van betalingsonmacht van de NV in de hele periode geen sprake is geweest omdat de NV haar vordering op [BV] kon innen. De rechtbank zal veronderstellenderwijs uitgaan van de juistheid van deze stelling. Nu vaststaat dat de NV de belastingschuld uiteindelijk niet heeft betaald, is er in elk geval aan het einde van de betalingstermijn van de naheffingsaanslag wel sprake geweest van betalingsonmacht. Naar het oordeel van de rechtbank had de NV die betalingsonmacht dan moeten melden zodra de betalingsonmacht was gebleken, dus zodra bleek dat de vordering op [BV] oninbaar was, en in elk geval zodra bleek dat de naheffingsaanslag niet kon worden betaald. Melding van betalingsonmacht moet plaatsvinden binnen twee weken na de dag waarop de belasting had moeten worden afgedragen tenzij sprake is van een naheffing en niet aan opzet of grove schuld van de NV te wijten is dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan de afgedragen belasting. Indien die laatste situatie zich voordoet, kan melding plaatsvinden uiterlijk twee weken na de vervaldag van de aanslag. Het enkele verzoek om een betalingsregeling dat is gedaan tijdens de bespreking op 6 oktober 2003 acht de rechtbank geen rechtsgeldige melding. Dat verzoek impliceert immers nog geen (blijvende) betalingsonmacht. Nu de naheffingsaanslag is gedagtekend 26 juli 2004 en betaald moest worden op uiterlijk 9 augustus 2004, kan ook de brief van belanghebbende van 31 mei 2005 niet als een rechtsgeldige melding worden beschouwd. Van enig ander stuk dat melding van betalingsonmacht zou impliceren, is niet gebleken.

4.18. Belanghebbende heeft nog gesteld dat hem niet verweten kan worden dat de NV niet aan haar meldingsplicht heeft voldaan, omdat hij na 20 december 2001 geen enkele bemoeienis met de NV meer heeft gehad. Die stelling kan hem niet baten omdat hij nog wel bestuurder was en derhalve van hem verwacht mocht worden dat hij zich bemoeide met het reilen en zeilen van de NV.

4.19. Nu niet aan de meldingsplicht is voldaan en belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet-melden niet aan hem is te wijten, wordt vermoed dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan belanghebbende te verwijten onbehoorlijk bestuur. Belanghebbende heeft dat vermoeden niet weerlegt. Hij is dus terecht hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de loonbelastingschuld voor zover deze betrekking heeft op de periode na 20 december 2001.

Aansprakelijkstelling: artikel 33 en 37 Inv

4.20. Nu belanghebbende voor de periode tot en met 20 december 2001 niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de belastingschulden van de NV op grond van artikel 36 Inv, komt aan de orde de subsidiaire stelling van de inspecteur dat belanghebbende aansprakelijk is op grond van artikel 33 of artikel 37 Inv. Geen rechtsregel belet het opvoeren van deze subsidiaire stelling in de beroepsfase.

4.21. Artikel 33 Inv bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij een niet in Nederland gevestigd lichaam hoofdelijk aansprakelijk is voor rijksbelastingen (a) de leider van de vaste inrichting in Nederland of (b) de in Nederland wonende vaste vertegenwoordiger.

4.22. De rechtbank heeft in 4.12 reeds overwogen dat in de periode tot en met 20 december 2001 geen sprake is geweest van een vaste inrichting in Nederland voor de vennootschaps¬belasting. De rechtbank is tevens van oordeel dat het begrip vaste inrichting in artikel 33 Inv niet ziet op de fictieve vaste inrichting van artikel 6, derde lid, Wet op de loonbelasting 1964. Laatstgenoemde bepaling is immers pas jaren later ingevoerd dan artikel 33 Inv en er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever met de invoering van de fictieve vaste inrichting voor de loonbelasting ook een ruimere strekking heeft willen geven aan de reikwijdte van artikel 33 Inv. Nu belanghebbende ook niet in Nederland woonde, is voor de periode tot aan die datum aansprakelijkstelling op grond van artikel 33 Inv niet mogelijk.

4.23. Artikel 37 Inv bepaalt dat voor de loonbelasting, verschuldigd door een niet in Nederland wonende of gevestigde inhoudingsplichtige, hoofdelijk aansprakelijk is degene die de leiding heeft van de in Nederland verrichte werkzaamheden. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende, die de bestuurder was van de NV, degene was die tot en met 20 december 2001 de leiding had van de werkzaamheden van de NV in Nederland. Belanghebbende is dan op grond van artikel 37 Inv hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting die op die periode betrekking heeft.

4.24. Uit hetgeen de rechtbank heeft overwogen in 4.19 en 4.23 volgt dat de aansprakelijk¬stelling voor de loonbelastingschuld in stand blijft.

Boete en kosten

4.25. Artikel 32, tweede lid, Inv bepaalt dat de aansprakelijkheid mede geldt voor boeten en kosten, voor zover het belopen daarvan aan belanghebbende is te wijten. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan belanghebbende te wijten dat de loonbelasting niet is betaald en daarmee ook dat terzake een boete is opgelegd en renten en kosten verschuldigd zijn geworden.

4.26. De rechtbank rekent het belanghebbende zwaar aan dat hij geen zekerheid heeft laten stellen voor de grote belastingschuld die de NV al had op het moment van de verkoop van de aandelen. De omstandigheid dat de NV erin heeft berust dat [BV] het loonbelastingdeel van de facturen onder zich hield, acht de rechtbank alleen verklaarbaar vanuit de aandeelhoudersrelatie tussen die BV en de NV en ook dat valt belanghebbende, als bestuurder en medeaandeelhouder, te verwijten. Belanghebbende heeft nog gesteld dat hij tijdig voor de NV een loonbelastingnummer heeft aangevraagd maar nooit heeft gekregen. Of dat nu waar is of niet: belanghebbende had er als bestuurder van de NV voor moeten zorgen dat de loonbelasting werd betaald of zekergesteld.

4.27. De te hoge onkostenvergoedingen die de NV betaalde, stammen blijkbaar ook uit de tijd dat belanghebbende actief betrokken was bij de NV. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende, als formele bestuurder van de NV, zijn verantwoordelijkheid had moeten nemen en had moeten zorgen voor een juiste wijze van berekenen en afdracht van loonbelasting. Dit een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende medeschuldig is aan het ontstaan van de loonbelastingschuld en dat het belopen van zowel de aanslag als de boete, renten en kosten mede aan belanghebbende te wijten is.

4.28. Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 22 mei 2008 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren , voorzitter, mr A.A. den Hartog en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier. De griffier kan de uitspraak niet ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.