Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BE8770

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
AWB 07/1734
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / geen aftrek premie lijfrente

Belanghebbende beoefende in maatschapsverband een landbouwonderneming. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende een B.V. opgericht en daaraan zijn maatschapsaandeel overgedragen. Tot dit maatschapsaandeel behoorde belanghebbendes aandeel in de (economische) eigendom van een melkquotum. Bij de overdracht heeft belanghebbende een lijfrente bij de B.V. bedongen ter zake van zijn aandeel in de in het melkquotum aanwezige meerwaarde. Naar het oordeel van de rechtbank is de premie lijfrente niet aftrekbaar omdat de B.V. niet is aan te merken als toegelaten verzekeraar. Belanghebbende, zijn zoon en diens echtgenote hebben namelijk vóór de overdracht van de onderneming aan de B.V.(‘s) besloten om het melkveebedrijf c.q. het melkquotum te verkopen aan derden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1784
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1734

Uitspraakdatum: 18 juni 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 5 april 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2000 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen van ƒ 505.569.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2008 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, vergezeld van de zoon van belanghebbende, alsmede de inspecteur. De zaken met de nummers 07/1734, 07/755, en 07/754, respectievelijk met als belanghebbenden: [belanghebbende], [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2 ], zijn met toestemming van partijen gelijktijdig behandeld.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Van 1 januari 1988 tot 1 september van het onderhavige jaar exploiteerde belanghebbende met zijn zoon in maatschapsverband, een landbouwonderneming. Na het huwelijk van zijn zoon op 1 september 2000 heeft deze laatste zijn maatschapsdeel voor de helft overgedragen aan zijn echtgenote. De onderneming bestond uit een akkerbouw- en een melkveebedrijf. Op 27 december 2000 heeft belanghebbende de vennootschap [belanghebbende] B.V. (hierna: de vennootschap) opgericht. De dag erna heeft belanghebbende zijn maatschapsaandeel overgedragen aan de vennootschap. Het overgedragen maatschapsaandeel omvatte onder meer belanghebbendes aandeel in de (economische) eigendom van een melkquotum van 508.617 kilogram. Bij de overdracht heeft belanghebbende een lijfrente van ƒ 532.459 bij de vennootschap bedongen, welk bedrag betrekking heeft op belanghebbendes aandeel in de in het melkquotum aanwezige meerwaarde. De lijfrenteovereenkomst is gedateerd 25 juni 2001. In mei 2001 zijn de tot het melkveebedrijf behorende koeien, met uitzondering van zestig stuks jongvee welke nog afgekalfd moesten worden, verkocht. Van het melkquotum is 100.000 kilogram verkocht op 9 juli 2001, 298.705 kilogram op 2 augustus 2001 en 25.400 kilogram op 17 april 2002.

2.2. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende een bedrag van ƒ 512.459 (het in 2.1 genoemde bedrag van ƒ 532.459 minus de stakingsaftrek ten bedrage van ƒ 20.000) op grond van artikel 45, lid 1, onderdeel g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) in het onderhavige jaar als persoonlijke verplichting op zijn belastbare inkomen in mindering mag brengen.

2.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de aankoopsom voor de lijfrente tot een bedrag van ƒ 512.459 niet aftrekbaar omdat de vennootschap niet is aan te merken als toegelaten verzekeraar als bedoeld in artikel 45, lid 7, letter a, sub 2, van de Wet. De stukken van het geding en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, bezien in onderling verband, brengen de rechtbank tot geen andere conclusie dan dat belanghebbende, zijn zoon en diens echtgenote reeds vóór de overdracht van de onderneming aan de vennootschap(pen) hebben besloten om het melkveebedrijf, casu quo het melkquotum, dat als zelfstandig onderdeel van de onderneming valt aan te merken, in zijn geheel dan wel in onderdelen te verkopen aan derden (vergelijk: Hoge Raad 21 oktober 2005, nr. 41 791, BNB 2005/383).

2.4. Bij het in 2.3 overwogene neemt de rechtbank met name in overweging dat uiterlijk op 3 januari 2001 aan [makelaardij] de opdracht is verstrekt om het melkveebedrijf te verkopen en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit hiertoe eerst na 28 december 2000 is genomen. In de verkoopbrochure van [makelaardij] staat dat het melkquotum geen onderdeel uitmaakt van de vraagprijs en dat, wanneer dit bij de verkoop van het bedrijf nog aanwezig is, een gedeelte hiervan kan worden overgenomen tegen de dan geldende dagprijs. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat vrijwel alle koeien in mei 2001 zijn verkocht en dat tussen 9 juli 2001 en 17 april 2002 een dusdanige hoeveelheid melkquotum is verkocht dat met het daarna resterende, volgens de verklaring van belanghebbende ter zitting, nog twaalf of dertien melkkoeien konden worden gehouden. Laatstgenoemde hoeveelheid koeien strookt niet met belanghebbendes stelling dat de maatschap intensieve veeteelt wilde gaan beoefenen.

2.5. Aan het in 2.3 overwogene doet niet af dat na de verkoop van het melkveebedrijf een melkinstallatie en een deel van het melkquotum werd behouden. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval sprake van een zogeheten geleidelijke liquidatie, waarbij het meest geschikte moment van verkoop is afgewacht.

2.6. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2008 door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. J.J.J. Engel en mr. W. Brouwer, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.