Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD7173

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
191360 HA RK 08-87
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van Meervoudige Kamer in strafzaak verdachten I., E. en J. afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Wrakingskamer

Zaaknummer: 191360 HA RK 08-87

Beslissing op het verzoek tot wraking ex artikel 512 Sv.

In de zaken van de officier van justitie met parketnummer: 811949-07, 806015-08,

801397-07, tegen:

[verdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in het huis van Bewaring De Boschpoort te Breda,

verder te noemen verzoeker,

advocaat mr. A.W.A.P. Doesburg

[verdachte 2],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen verzoeker,

advocaat mr. A.D. Kloosterman

[verdachte 3],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

niet als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

verder te noemen verzoeker,

advocaat mr. L.M. Lalji

Namens voornoemde verdachten is door hun advocaten een verzoek gedaan tot wraking van de leden van de meervoudige strafkamer van 19 juni 2008, [gewraakte rechter 1], [gewraakte rechter 2] en [gewraakte rechter 3].

1. Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 juni 2008 en

- de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 30 juni 2008.

Bij die behandeling zijn namens verzoekers verschenen mr. A.W.A.P. Doesburg en mr. A.D. Kloosterman. Tevens zijn verschenen, [gewraakte rechter 1] en mr. [gewraakte rechter 3], alsmede mr. K.W. van Damme, officier van justitie.

2. Beoordeling

2.1 Vooreerst overweegt de rechtbank dat bij de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt uitgegaan van het proces-verbaal van de zitting van 19 juni 2008. Uit het proces-verbaal blijkt dat mr. Doesburg en mr. Kloosterman verzocht hebben om [verdachte 3], nu deze niet is verschenen ter zitting, in [land] als getuige te horen. De meervoudige strafkamer heeft hierop aangegeven dat de maatstaf voor de beslissing om een getuige te horen langs de weg van een rechtshulpverzoek of bij wege van een rogatoire commissie in [land] te horen het noodzakelijkheidscriterium is. Gelet op de inhoud van het dossier acht de meervoudige strafkamer de noodzaak om [verdachte 3] te horen niet aanwezig.

Nadat mr. Doesburg heeft aangegeven dat hij het idee heeft dat het verzoek wordt afgewezen op grond van financiële redenen, heeft de meervoudige strafkamer overwogen dat zij niet over geld gaat. Voorts heeft de meervoudige stafkamer overwogen: “[verdachte 3] heeft een zeer beperkte rol gespeeld in het geheel en de verzoeken van mr. Doesburg tot het horen van de overige getuigen zijn door de rechtbank ingewilligd. De afwijzing van het verzoek om [verdachte 3] in [land] te horen is een inhoudelijke beslissing van de rechtbank.”

Mr. Doesburg heeft vervolgens aangegeven dat de meervoudige strafkamer het verzoek om [verdachte 3] in [land] te horen niet heeft mogen toetsen aan het noodzakelijkheids¬criterium. Volgens mr. Doesburg heeft de meervoudige strafkamer het verzoek in strijd met de wet en het verdedigingsbelang afgewezen. Mr. Doesburg heeft zich op het standpunt gesteld dat de meervoudige strafkamer hierdoor bewust de belangen van verdachte [verdachte 1] heeft gefrustreerd. Daarop heeft mr. Doesburg de meervoudige strafkamer gewraakt.

Mr. Kloosterman en mr. Lalji hebben zich bij het wrakingsverzoek aangesloten.

2.2 De rechtbank overweegt over de ontvankelijkheid van de wrakingsverzoeken het volgende. Ingevolge artikel 513, eerste lid, Sv dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Ingevolge artikel 4.4 van het door het bestuur van de rechtbank vastgestelde wrakingspro¬tocol 2007 kan een wrakingsverzoek worden ingediend in elke stand van het geding zodra de wrakingsgronden bekend zijn. Een later ingediend verzoek kan niet-ontvankelijk worden verklaard.

De wrakingsgronden richten zich tegen de beslissing van de meervoudige strafkamer ter zitting om [verdachte 3] niet als getuige te horen. Tijdens deze zitting zijn de wrakingsverzoeken ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de door mrs. Doesburg en Kloosterman ingediende verzoeken ontvankelijk zijn.

Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank niet voor het verzoek van [verdachte 3], gedaan door zijn raadsman mr. Lalji. Mr. Lalji heeft tijdens de zitting op 19 juni 2008 geen gronden ingediend die zich richten tegen de positie van [verdachte 3] als verdachte, maar heeft zich slechts aangesloten bij de wrakingsgronden van mr. Doesburg. Ten aanzien van deze wrakingsgronden heeft mr. Lalji geen belang nu de beslissing van de meervoudige strafkamer [verdachte 3] als getuige treft en niet als verdachte. Eerst tijdens de zitting van de wrakingskamer van 30 juni 2008 zijn door mr. Doesburg, namens mr. Lailji, wrakingsgronden ingediend die zich richten tegen de positie van [verdachte 3] als verdachte. Nu deze wrakingsgronden niet tijdens de zitting van de meervoudige strafkamer bekend zijn gemaakt, dienen zij als tardief te worden beschouwd. Mr. Lalji zal in het namens [verdachte 3], ingediende wrakingsverzoek derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.3 Mr. Doesburg heeft ter zitting de wrakingsgronden nader uiteengezet. Mr. Doesburg heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de vrees voor vooringenomenheid is gelegen in de voorgeschiedenis waarin de sterke indruk is ontstaan dat de meervoudige strafkamer nimmer van plan is geweest om getuige [verdachte 3] in [land] te horen. Dit zou blijken uit de mededeling van de officier van justitie en het telefonisch contact van mr. Doesburg met de heer Anemaat (rechtbankgriffier). Voorts is de meervoudige strafkamer teruggekomen op een eerder oordeel met betrekking tot het horen van getuige [verdachte 3]. De meervoudige strafkamer wekt hiermee de indruk naar een reeds genomen beslissing toe te redeneren. Daarbij maakt de meervoudige strafkamer gebruik van een motivering, waaruit impliciet volgt dat zij vindt dat de getuige of helemaal niets relevants kan verklaren of niets kan verklaren waardoor de meervoudige strafkamer tot een ander inzicht zal komen dat zij kennelijk al heeft. Daarmee wordt derhalve een oordeel gegeven over de bewijsrelevantie en vooruitgelopen op de bewijsbeslissing en bewijskracht. Door deze beslissing laat de meervoudige strafkamer bewust de achterstandspositie van de verdediging in stand en heeft zij hiermee bewust de belangen van de verdachte geschonden. Voorts is het volgens mr. Doesburg onbegrijpelijk dat de meervoudige strafkamer niet op verzoek van de verdediging eerder een zitting heeft gepland om de wijze van verhoor van [verdachte 3] te bespreken.

Mr. Kloosterman heeft zich aangesloten bij deze wrakingsgronden.

2.4 Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking, dient volgens vaste jurisprudentie voorop gesteld te worden dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.5 De rechtbank overweegt dat voor zover de meervoudige strafkamer ter zitting van 19 juni 2008 heeft beslist om [verdachte 3] niet ter zitting te horen en om [verdachte 3] ook buiten zitting niet te doen horen, die beslissingen als zodanig niet ter beoordeling of toetsing voorliggen in deze wrakingsprocedure. Dus ook niet waar het gaat om de beoordeling van het noodzakelijkheidscriterium. Zulks is ter beoordeling in een eventueel hoger beroep.

2.6 Volgens verzoekers volgt impliciet uit de motivering van de meervoudige strafkamer om [verdachte 3] niet als getuige te horen, dat er sprake is van vooringenomenheid. Immers, volgens verzoekers geeft de meervoudige strafkamer reeds een oordeel over de bewijsrelevantie en wordt vooruitgelopen op de bewijsbeslissing en bewijskracht.

De rechtbank overweegt dat het gaat om de motivering “[verdachte 3] heeft een zeer beperkte rol gespeeld in het geheel en de verzoeken van de mr. Doesburg tot het horen van de overige getuigen zijn door de rechtbank ingewilligd.”

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze motivering niet worden afgeleid dat de meervoudige strafkamer met betrekking tot [verdachte 1] en/of [verdachte 2] een zodanig specifiek en op de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv betrekking hebbend oordeel heeft gegeven dat daaruit een objectief gerechtvaardigd vermoeden valt af te leiden dat de meervoudige strafkamer bij de (verdere) behandeling van de strafzaken van [verdachte 1] en/of [verdachte 2] niet meer onpartijdig zal zijn. Mede gelet op het feit dat de overige verzoeken tot het horen van getuigen wel zijn toegewezen levert deze opmerking in het proces-verbaal dan ook geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.

Indien mr. Doesburg voorts heeft bedoeld te stellen dat de meervoudige strafkamer ter zitting van 19 juni 2008 door een onjuiste toepassing van de wet het horen van de getuige bewust heeft willen tegenhouden dan wel dat de meervoudige strafkamer voorafgaand aan de zitting al een standpunt had ingenomen omtrent de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige, overweegt de rechtbank dat zij daartoe geen enkele aanwijzing heeft gevonden in het dossier. Ter zitting is voorts door de voorzitter van de meervoudige strafkamer, [gewraakte rechter 1], uiteengezet en benadrukt dat de beslissingen omtrent de getuigen eerst tijdens de behandeling van de zaak zijn genomen, nadat de verdediging in de gelegenheid is gesteld de standpunten nader te verwoorden, hetgeen ook op die manier in het proces-verbaal is verwoord.

Het bovenstaande levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen zwaarwegende aanwijzingen op voor het oordeel dat er sprake is van vooringenomenheid danwel een gerechtvaardigde vrees daartoe.

De namens [verdachte 1] en/of [verdachte 2] gedane verzoeken tot wraking worden derhalve afgewezen.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart mr. Lalji, in het door hem namens [verdachte 3], ingediende wrakingsverzoek niet-ontvankelijk;

wijst de door mr. Doesburg en Kloosterman, namens [verdachte 1] en [verdachte 2], ingediende wrakingsverzoeken af;

bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met parketnummers 811949-07, 806015-08 en

801397-07 zal worden voorgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegegeven door mrs. E.W.J.M. Nollen, M.G.W.M. Stienissen en M.C. Tempelaar, rechters, en uitge¬spro¬ken in het openbaar door mr. Nollen, in tegenwoordigheid van mr. J.H.C.W. Vonk als griffier, op 10 juli 2008.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: