Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD6633

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
810559-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moord. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren wegens moord. Gemotiveerde verwerping van de verweren: opzet op de dood, voorbedachten rade, uitsluiting getuigenverklaringen, noodweer en noodweerexces. Bij bepaling van de straf is rekening gehouden met het incident voorafgaand aan de moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 810559-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2008

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda,

raadsman mr. F.J.V.H. Stoffels, advocaat te Zevenbergen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Reinders, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

zich schuldig heeft gemaakt aan moord dan wel doodslag op [slach[slachtoffer].

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 De bewijsoverwegingen

Op 20 januari 2008 om ongeveer 04.35 uur werd door de politie op het Pieter Postplein, op de hoek met de Pironstraat te Tilburg een man op de grond aangetroffen. Het ter plaatse gekomen ambulancepersoneel constateerde dat de man dood was. Het slachtoffer is [slachtoffer].

Uit het deskundigenrapport van arts/patholoog dr. Visser van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 5 maart 2008 blijkt dat het intreden van de dood van het slachtoffer zonder meer kan worden verklaard door één steekletsel in de linkerzijde van de rug met perforatie van de long en gepaard gaande met bloedverlies, en mogelijk door verstikking door de aanwezigheid van veel bloed in de luchtwegen. Het steekkanaal verliep schuin hoofd- en voorwaarts en had een lengte van 16 cm.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij tijdens de confrontatie met het slachtoffer op enig moment een mes in zijn hand heeft gehad en dat het steekletsel bij het slachtoffer met dit mes is veroorzaakt. Ter terechtzitting heeft verdachte dit bevestigd.

Uit de getuigenverklaringen blijkt dat er voorafgaand aan het steekincident buiten in de woning aan het [adres] te Tilburg een ruzie is geweest tussen het latere slachtoffer enerzijds en de verdachte anderzijds. Daarbij is de verdachte meermalen door het slachtoffer mishandeld en vernederd. Dat blijkt onder andere uit de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Op een gegeven moment heeft het slachtoffer samen met [getuige 2] en [getuige 3] de woning verlaten en zijn zij in de bus van het latere slachtoffer gestapt om vervolgens weg te rijden.

Een aantal personen is aan te wijzen als getuigen van de ontmoeting op 20 januari 2008 op het Pieter Postplein te Tilburg tussen verdachte en het slachtoffer en/of de uiteindelijke steekpartij.

Uit de verklaring van getuige [getuige 1], afgelegd bij de politie op 31 januari 2008 (dossierpagina’s 67 tot en met 79 van het eindproces-verbaal) blijkt – zakelijk weergegeven - onder meer het volgende. Nadat verdachte gekalmeerd was, verlieten [slachtoffer], [getuige 2] en de getuige de woning, omdat alles toen rustig was. De getuige zag dat [getuige 2], [getuige 3] en [slachtoffer] naar de bus liepen. Verdachte stond op dat moment binnen in de woning. De getuige zag dat de bus achteruit reed en met de voorzijde in de richting van de straat reed. De getuige hoorde vervolgens een hoop lawaai. Hij keek om en zag en hoorde dat verdachte tegen de bus begon te slaan. Getuige hoorde dat verdachte aan het schelden was. De getuige zag dat de bus voor de kruising afremde en dat het latere slachtoffer uitstapte. Hij zag vervolgens dat verdachte het latere slachtoffer met een mes stak.

Getuige [getuige 1] heeft op 18 juni 2008 tevens een verklaring als getuige afgelegd tegenover de rechter-commissaris. Hij heeft onder meer – zakelijk weergegeven - verklaard dat hij heel zeker weet er drie personen in het busje stapten. Dat was nadat er ruzie in de woning was geweest. De getuige heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] met het mes heeft gestoken. Hij heeft voorts gezien dat verdachte kort daarvoor achter de bus is aangerend. Getuige verklaart tenslotte dat zij allemaal tegelijkertijd met uitzondering van verdachte uit de woning zijn vertrokken.

Getuige [getuige 2] heeft op 31 januari 2008 een verklaring bij de politie afgelegd (dossierpagina’s 106 tot en met 116 van het eindproces-verbaal). De getuige verklaart onder meer – zakelijk weergegeven - dat het latere slachtoffer, [getuige 3] en hijzelf naar de bus liepen. Getuige zei tegen [getuige 1] dat hij verdachte binnen moest houden en dat zij [slachtoffer] weg zouden brengen. Daarmee was de situatie opgelost. De getuige reed achteruit hij zag verdachte samen met [getuige 1] naar buiten komen. Getuige zag dat [verdachte] tegen de bus begon te slaan en te schoppen. Hij zag dat [slachtoffer] de deur van de bus opentrok en uitstapte.

Getuige zag [slachtoffer] op de hoek van de Pironstraat te Tilburg op de grond liggen. Terwijl getuige om hulp riep, zag hij verdachte komen aanlopen. De getuige kon goed zien dat verdachte een mes in zijn handen had.

Getuige [getuige 3] heeft op 31 januari 2008 een verklaring bij de politie afgelegd (dossierpagina 199 van het eindproces-verbaal). De getuige verklaart onder meer – zakelijk weergegeven - dat hij samen met [getuige 2] en [slachtoffer] de woning heeft verlaten. Getuige zag dat de deur van de woning weer openging. Getuige zag [getuige 1] en verdachte samen staan. Getuige hoorde bij het wegrijden dat er iets hards tegen de auto werd gegooid. Hij zag dat [slachtoffer] via de zijdeur uit de auto sprong.

Uit de verklaring van getuige [getuige 4], afgelegd bij de politie op 20 januari 2008 (dossierpagina’s 360 en 361), blijkt – zakelijk weergegeven - onder meer het volgende.

De getuige zag twee mensen bij een busje staan. Hij zag dat het busje wegreed in de richting van de Pironstraat. Ongeveer 20 meter verderop stopte het busje. Getuige zag dat een man iets tegen het busje gooide. Getuige zag dat deze man een voorwerp in zijn handen had. Getuige had het vermoeden dat het een mes was, omdat het glinsterde in het licht van de lantaarnpaal. Getuige zag dat de schuifdeur van het busje open ging en dat er iemand uitstapte.

De rechtbank zal nu de gevoerde verweren van de verdediging bespreken.

Opzet op de dood

De verdediging heeft bepleit dat er geen sprake was van opzet op de dood van [slachtoffer], omdat er sprake was van een ongeluk danwel een noodlottige samenloop van omstandigheden.

Anders dan door de verdediging bepleit, heeft de rechtbank op basis van voornoemde getuigenverklaringen niet de overtuiging bekomen dat sprake is geweest van een ongeluk, waarbij het slachtoffer in het mes is gelopen dan wel gevallen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte het slachtoffer bewust heeft gestoken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank niet gebleken dat verdachte met zijn handelen de dood van [slachtoffer] heeft beoogd, in die zin dat er sprake is van boos opzet. Dit sluit echter niet uit dat het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin was gericht op de dood van [slachtoffer]. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg – zoals hier de dood – zal intreden.

De rechtbank is van oordeel dat uit de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht – in casu met kracht steken met een mes met een lengte van 27 centimeter in de rug ter hoogte van de longen – naar algemene ervaringsregels volgt dat de kans op de dood aanmerkelijk is. Elk weldenkend mens kan en dient zich deze aanmerkelijke kans te realiseren. Van omstandigheden waarom dit in casu niet zou gelden voor verdachte is niet gebleken.

De gedraging van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten de dood, dat het – behoudens contra-indicaties waarvan in casu niet gebleken is – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank is van oordeel dat er op zijn minst sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Voorbedachten rade

Namens de verdachte is aangevoerd dat verdachte niet met voorbedachten rade, dus na kalm beraad en rustig overleg, heeft gehandeld. De periode tussen het verlaten van de woning en het incident waarbij [slachtoffer] de messteek heeft opgelopen, is te kort en te hectisch geweest om een bedaard nadenken te veronderstellen, aldus de verdediging.

Voor het bewijs van de voorbedachten rade is reeds voldoende dat vaststaat dat verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarbij is niet van belang of die gelegenheid slechts gedurende korte tijd heeft bestaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van voorbedachten rade.

De rechtbank leidt het bestaan van de voorbedachten rade af uit de wijze waarop het delict is gepleegd. De hierboven genoemde getuigen hebben waargenomen dat het verdachte was die bewust de confrontatie zocht met het slachtoffer. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het niet anders kan zijn dat verdachte op het moment dat hij de woning verliet het besluit had genomen om met het mes te steken, indien hij dit nodig achtte. Op het moment dat de door verdachte gezochte confrontatie volgt, heeft hij zich niet verwijderd. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank een gelegenheid gehad om na te denken en wel op het moment dat het latere slachtoffer uit het busje stapte. Ook op dat moment heeft verdachte zich niet verwijderd, maar heeft hij met het mes gestoken, waarbij [slachtoffer] dodelijk werd getroffen.

De rechtbank is gelet op bovenstaande van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Uitsluiting afgelegde verklaringen door getuige [getuige 1]

De verdediging heeft in het kader van de afgelegde getuigenverklaringen aangevoerd dat de rechtbank de verklaringen van getuige [getuige 1] niet kan bezigen voor het bewijs, nu deze onvoldoende betrouwbaar zijn. De verdediging acht de verklaringen ongeloofwaardig en op essentiële punten tegenstrijdig.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de door de getuige afgelegde verklaringen geloofwaardig. Weliswaar kan aan de verdediging worden toegegeven dat de verklaringen van deze getuige niet volstrekt eensluidend zijn, maar naar het oordeel van de rechtbank verschillen de verklaringen niet zo wezenlijk van elkaar dat aan die verklaringen geen geloof kan worden gehecht. De rechtbank overweegt dat de eerste verklaring die getuige [getuige 1] heeft afgelegd gedetailleerd is en kort na het steekincident is afgelegd. Tevens wordt de verklaring van de getuige op belangrijke punten ondersteund door de verklaringen van de hiervoor genoemde getuigen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gebeurtenissen ten aanzien van het busje en het bij verdachte aanwezige mes eveneens worden waargenomen door getuige Mermans.

Deze getuige is aan te merken als een objectieve getuige, nu deze getuige zowel verdachte als het slachtoffer niet kent.

De rechtbank verwerpt dan ook, gelet op het bovenstaande, het verweer van de verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verklaringen van getuige [getuige 1] op het punt van hetgeen hij heeft waargenomen van de ontmoeting op straat tussen verdachte en het latere slachtoffer en de uiteindelijke steekpartij voor het bewijs worden gebezigd.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer].

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(primair)

hij op of omstreeks 20 januari 2008 te Tilburg opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes in de

rug en/of in de zij, althans in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

De verdediging heeft betoogd dat er sprake is van noodweer aan de zijde van verdachte, zodat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] gericht tegen verdachte, waartegen verdediging noodzakelijk was. Deze situatie zou zich hebben voorgedaan op het moment dat [slachtoffer] iets opraapte alwaar straatklinkers lagen.

Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dient verdachte het feit te hebben begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van een eigen of anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Op basis van de voorhanden zijnde stukken en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat verdachte, nadat hij de woning was uit gegaan, zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht door met een mes naar buiten te gaan. Verdachte heeft vervolgens een voorwerp naar de bus van [slachtoffer] gegooid met de verwachting dat [slachtoffer] hierop zou reageren. Voorts heeft hij er niet voor gekozen weg te lopen toen het slachtoffer uit de bus stapte en in zijn richting kwam. Nu bovendien geen enkele getuige heeft verklaard dat verdachte niet weg kon lopen, is het niet aannemelijk geworden dat verdachte geen andere keuze had dan te blijven staan.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet aannemelijk dat er sprake was van een ogenblikkelijke aanranding gepleegd door het slachtoffer ten opzichte van verdachte, waardoor verdachte moest handelen ter noodzakelijke verdediging van eigen lijf.

De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

De verdediging heeft een beroep gedaan op het bestaan van een situatie van noodweerexces. Door het optreden van het slachtoffer was er volgens de verdediging bij verdachte sprake van een zodanig hevige gemoedsbeweging, dat hij zich heeft moeten verdedigen op de wijze waarop hij dat heeft gedaan.

Nu het beroep op noodweer faalt op de grond dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte door het slachtoffer of van een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding, faalt ook het beroep op noodweerexces.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht – de moord op [slachtoffer] - gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Voorts heeft de raadsman zich niet uitgelaten over welke straf volgens hem opgelegd zou moeten worden bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de moord op [slachtoffer]. Een dergelijk misdrijf wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven.

Het spreekt voor zich dat dit misdrijf een enorme schok teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden. Voor de nabestaanden moet het bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen. Uit de slachtofferklaring zoals door de officier van justitie ter terechtzitting is voorgelezen, spreekt het onmetelijke verdriet dat het leven van de nabestaanden van het slachtoffer beheerst. Een dergelijke moord schokt de rechtsorde zeer en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angst en gevoelens van onveiligheid teweeg. Verdachte heeft geen enkel respect voor andermans leven getoond.

Bovendien is een dergelijk gewelddadig optreden op straat zeer schokkend voor de ooggetuigen, waarbij het van algemene bekendheid is dat ook zij nog lang angstgevoelens en psychische schade kunnen ondervinden.

Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt. De rechtbank laat bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf meewegen hetgeen is voorafgegaan aan het plegen van voornoemd strafbaar feit door verdachte. In de woning aan het [adres] te Tilburg is er een ruzie geweest tussen verdachte en het slachtoffer, waarbij het slachtoffer zich niet onbetuigd gelaten heeft door verdachte te mishandelen en te vernederen.

Ook het feit dat verdachte relatief jong is, spijt tegenover de nabestaanden heeft betuigd en geen relevante justitiële documentatie heeft, laat de rechtbank ten gunste van de verdachte meewegen bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. Zij zal verdachte dan ook veroordelen conform deze eis.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] (zus van het slachtoffer), wonende te [adres], vordert een schadevergoeding van € 1.025,88, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit de kosten van vliegtickets om de uitvaart in [adres] bij te kunnen wonen.

De rechtbank acht de vordering niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Het beslag

8.1 De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van het voorwerp. Het voorwerp behoort verdachte toe en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c en 289 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

(primair)

Moord;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een mes;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil (BP.15).

Dit vonnis is gewezen door mr. Bakx, voorzitter, mr. Van Gameren en mr. Prenger, rechters, in tegenwoordigheid van Vermaat, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 juli 2008.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 20 januari 2008 te Tilburg opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes in de

rug en/of in de zij, althans in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 januari 2008 te Tilburg opzettelijk [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes in de

rug en/of in de zij, althans in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;